Koninklijk plein met allure

Eindelijk heeft de universiteit, na decennialange focus op nieuwbouw in De Uithof, haar aandacht uit laten gaan naar haar flinke bezit in de binnenstad. Er is niet alleen geïnvesteerd in de renovatie van de grotendeels middeleeuwse panden, maar ook in de toevoeging van een eigentijdse laag met moderne voorzieningen. Dit geldt voor de clusters Paushuize en Academiegebouw en voor het complex langs de Drift. De buitenkant geeft weinig prijs van de nieuwe allure. Uitzondering daarop is het nieuwe Voorplein aan de Witte Vrouwenstraat.

Door: Mascha van Damme

Aan de herinrichting van het complex aan de Drift ligt een stedenbouwkundig plan van Dolte Stedenbouw, voor het hele binnenstedelijk bezit van de universiteit, ten grondslag. De gebouwen van het Driftcluster zijn vanaf 2004 stuk voor stuk opgeknapt. Achtereenvolgens werd Drift 23 verbouwd door Marx en Steketee (Post Planjer 43, 2006), Drift 25 door Architecten aan de Maas en de universiteitsbibliotheek binnenstad aan Drift 27 door Grosveld en Van de Velde (Post Planjer 57, 2009). Het deel dat voorheen de Letterenbibliotheek en de kantine huisvestte, is aan het begin van dit studiejaar opgeleverd. Het ontwerp van het Voorplein, een semiopenbare ruimte met een oppervlak van zo’n vijfentwintighonderd vierkante meter, was in handen van de internationaal werkende landschapsarchitecten Karres en Brands uit Hilversum.

De kern en het startpunt van het plan van Karres en Brands ligt bij de fietsenkelder, met zo´n vijfhonderd plaatsen, die in 2009 is aangelegd om de fietsenoverlast op de Drift te verminderen. De kelder leidt ondergronds naar de hoofdentree van de bibliotheek. De locatie en hoogte van wat feitelijk een grote betonnen bak is, zijn bepalend geweest voor de inrichting van het plein en de aansluiting op de bestaande gebouwen. Vooral het afwateringssysteem was vitaal voor het welslagen van het plan. De afwatering geschiedt via grind tussen de bestrating en matten op de betonnen bak die het water naar de zijwanden leiden.

RUST EN ONTMOETEN
Karres en Brands wilden de sfeer, de detaillering en het materiaalgebruik van het plein afstemmen op de zorgvuldige renovatie van de universiteitsbibliotheek door Grosveld en Van de Velde. Dat is uitstekend gelukt; het plein straalt de serene rust uit die ook in de bibliotheek heerst. Rondom het plein is langs de voet van de monumentale gebouwen een bufferzone van zwart grind met een hardstenen rand aangebracht. Zo zijn alle historische gebouwen met hun eigen stijl en ritmiek op heldere, maar bescheiden wijze met elkaar verbonden.

De monumentenstatus van de gebouwen belette het aanbrengen van zonwering aan de gevel. Daarom zijn op de zonnigste plek doodsbeenderenbomen (Gymnocladus dioicus), met een ruige bast en knoestige takken, ingezet als natuurlijke zonwering. De overige ruimte is ingetogen ingericht. Langs de ingang naar de fietsenkelder is een opvallende snede gemaakt en is het maaiveld naar beneden geklapt, zodat meer daglicht de kelder wordt ingeleid. Smalle lichtstroken in de bestrating zorgen voor gespreide lichtinval. Langgerekte betonnen zitelementen staan parallel aan de lichtstraten opgesteld.

Dolte Stedenbouw presenteerde in 2008 hun ‘Visie binnenstad, de Universiteit Utrecht in de historische binnenstad’. Hierin werd ingezet op ‘ontmoeting’, onder meer door het langer openstellen van de onderwijsgebouwen. De Universiteitsbibliotheek Binnenstad is nu zeven dagen per week tot elf uur ´s avonds geopend. Het Voorplein kan daardoor worden ingezet als ontmoetingsplek of ruimte voor representatieve doeleinden en evenementen. Vrijwel onzichtbaar in de bestrating zijn aansluitpunten opgenomen voor bijvoorbeeld een biertap of marktkraampjes. Alle overbodige en praktische zaken zijn uit het zicht gehouden, of onopvallend weggewerkt. De logistieke worsteling, door het combineren van ruimte voor laden en lossen met afvalcontainers voor het restaurant en toegang voor de brandweer, is nauwelijks zichtbaar.

SOMS ZIT HET MEE, SOMS…
Niet alles heeft zo uitgepakt als op voorhand was bedacht. De landschapsarchitecten stond een zo vlak mogelijk plein van natuursteen voor ogen, dat zich natuurlijk zou voegen naar de bestaande en nieuwe entrees rondom. Het natuurstenen plaveisel werd door de recessie financieel onmogelijk, waarop gekozen is voor hergebruikte, zacht gemêleerde, gebakken klinkers. Desalniettemin past de bestrating bij de koninklijke geschiedenis van het exercitieterrein van het voormalig paleis van koning Lodewijk Napoleon. Het plein trekt de stedelijke uitstraling van de stad naar binnen en vormt de voorbode voor de groene oase op het binnenterrein achter de voormalige balzaal, nu de hoofdvleugel van de bibliotheek.

Helemaal vlak is het plein ook niet geworden. De betonnen bak van de fietsenkelder kon maar tot een bepaalde diepte verzonken worden, zodat boven het maaiveld een hoogteverschil zou ontstaan, dat door twee treden naar een optisch podium, overbrugd zou worden. Uiteindelijk werd het hoogteverschil gereduceerd tot een lichte verhoging met een hardstenen rand.

OMGEKEERDE WERELD
Het plein aan de Wittevrouwenstraat is het voorlopige sluitstuk van de herinrichting van het Driftcomplex, want er liggen nog enkele ambitieuze plannen op de plank om het achterterrein opnieuw in te richten en met nieuwbouw te complementeren. Daarbij moet de middeleeuwse perceelscheiding een leidraad vormen. De beoogde routing vanaf het Voorplein naar de overige panden aan de Drift heeft voor de universiteit zo zijn voordelen. Zo kunnen ongewenste bezoekers makkelijker worden afgevangen en zijn minder conciërges en beveiligers nodig.

De nieuwe logistieke doorloop functioneert nog niet optimaal. De secundaire ingang van de bibliotheek aan de Drift werkt teveel als hoofdentree. Studenten parkeren hier nog altijd hun fiets om even snel boeken op te halen of in te leveren. Alleen degenen die zich langere tijd op een studieplek nestelen nemen de moeite om hun fietsen in de kelder te parkeren.

Daar komt bij dat de prachtig opgeknapte panden aan de Drift het niet verdienen om via de achterkant te worden ontsloten. Elk pand is in de loop der eeuwen steeds meer met zijn pronkgevel op de Drift gericht. Door de hiërarchisch opgebouwde structuur, met een imposante voorhal die naar een rijk gedecoreerde hal en vervolgens naar de verschillende vertrekken leidt, zijn de voormalige woonhuizen ook intern op een bezoek via de voorzijde georiënteerd.

Door deze nadrukkelijke architectonische opzet voelt het betreden van de panden via een sluipweg aan de achterzijde als een belediging. Opeens manifesteert het vroegere verschil tussen bezoeker en personeel zich opnieuw en wordt het ‘ontmoeten’ met allure teruggebracht tot een ‘ondergeschikt’ bezoek via de achteringang. Mijns inziens kan een herinrichting van het binnenterrein daar weinig aan veranderen.