Welstand / Een korte geschiedenis

Met de invoering van de Woningwet in 1901 werden vele bouwzaken voor het eerst door de overheid aan regelgeving onderworpen. In de nieuwe bouwverordening van 1918 werd opgenomen dat de overheid nadere eisen kan stellen ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid en de welstand van gebouwen. De regels betreffen echter met name de bouwtechnische kwaliteit en deugdelijkheid van het ontwerp en niet zozeer de architectuur of esthetische zaken. Welstand speelde dan ook geen rol als onderdeel van de vergunningverlening, met andere woorden: een bouwvergunning kon niet geweigerd worden op basis van welstandsgronden.

Bettina van Santen

Schoonheidscommissie
In Utrecht functioneerde in 1910 al een Schoonheidscommissie, zij het aanvankelijk op beperkte schaal. Het betrof een groepje vaardig geachte Utrechters die als een soort supervisoren de nieuwbouw rond het Van Limburg Stirumplein beoordeelde. Leden waren onder andere de directeur gemeentewerken, maar ook een hoogleraar kunstgeschiedenis, een kunstschilder, een architect en een edelsmid.

Blijkbaar viel het werk van deze adviescommissie in goede aarde, want in 1925 mocht een nieuw ingestelde Schoonheidscommissie de gehele stad beoordelen. De commissie stond onder leiding van hoogleraar ‘ Esthetiek en Kunstgeschiedenis’ Willem Vogelsang. Het secretariaat was in handen van architect Houtzagers.

In deze periode ziet men ook landelijk een sterke aandacht voor de esthetiek van nieuwbouw. Dit uitte zich in het aanstellen van supervisoren, het werken met een architectenselectie en de keuze voor stedenbouwkundige coƶrdinatie. Amsterdam-Zuid is wellicht het bekendste voorbeeld van deze nieuwe benadering.

In de Utrechtse bouwverordening uit 1925 is voor het eerst een welstandsbepaling opgenomen omdat ‘de zorg voor het stadsschoon bij het oprichten van nieuwe en het veranderen van bestaande gebouwen een onderdeel is van de taak der gemeentelijke overheid’. Tegelijkertijd is dit de aanzet voor het opnemen van een monumentenverordening, want het college van B&W was ervan overtuigd dat een welstandsbepaling nog geen waarborg is voor ‘het in stand blijven van stadsschoon of van gebouwen die vanuit historisch oogpunt van belang zijn voor de stad’.

Wat weten we verder van het functioneren van die Schoonheidscommissie in die dagen? Er zijn geen notulen bekend, openbaarheid was niet aan de orde en de commissie adviseerde het gemeentebestuur naar eigen goeddunken. Van enkele bouwplannen is bij toeval bekend dat er een oordeel van de commissie over geveld is. Zo werd de uitbreiding van de V&D aan de Choorstraat van architect J. Kuyt eerst afgekeurd door de commissie, omdat deze teveel aansloot bij de bestaande architectuur en te weinig eigentijds zou zijn. Kuyt werd verplicht een nieuw ontwerp te maken. Het resultaat is tot op vandaag zichtbaar in de gevels aan de Choorstraat en Oudegracht (Mobach, Broese).

Na de Tweede Wereldoorlog was de rol van welstand in eerste instantie ondergeschikt aan de enorme woningbouwopgave. Standaardisering en efficiency waren de norm en het toepassen van keuzeplannen (door de overheid ontwikkelde standaardplannen) geeft voldoende aan dat architectuur en esthetiek niet de hoofdrol speelden. In overeenstemming met de tijdsgeest werden de vergaderingen van de Utrechtse Welstandcommissie vanaf de jaren zeventig volledig openbaar.

Welstand & monumenten
In Utrecht functioneerde naast de Schoonheidscommissie al sedert 1928 een Monumentencommissie. Deze laatste functioneerde via een officiƫle verordening die verbouwingen van beschermde monumenten toestond onder voorwaarde van een goedgekeurd bouwplan. Dat de schoonheidscommissie en de monumentencommissie gescheiden opereerden lijkt logisch, maar dat was het niet. Juist in die eerste decennia van de 20e eeuw waren het vooraanstaande moderne architecten als De Bazel, Dudok, Berlage en Van Loghem die zich tegelijkertijd bemoeiden met nieuwe architectuur en met behoud van stedenschoon. De Bazel was net zo goed oprichter van de Bond Heemschut als voorstander van stedelijke vernieuwing, een combinatie die in onze tijd enigszins curieus lijkt. Het woord lijkt is op zijn plaats, want niet voor niets is in de loop van de jaren tachtig van de 20e eeuw besloten om beide commissies te integreren.

Sinds 1992 bestaat er dan ook een Commissie Welstand & Monumenten. Hiervoor waren naast idealistische motieven (kwaliteit van de advisering) ook pragmatische redenen. Bij steeds meer plannen waren beide commissies bevoegd om advies uit te brengen en dit kon resulteren in twee tegenstrijdige adviezen. Het advies van de Commissie Welstand & Monumenten is dan ook officieel een onderdeel van de monumentenprocedure. In de commissie zijn daartoe ook leden opgenomen die in staat worden geacht de monumentale belangen te kunnen beoordelen. De sector monumenten verstrekt indien nodig elke vergadering toelichting. De taak van de Commissie is nog steeds eenduidig. Zij brengt een onafhankelijk advies uit aan het College van Burgemeester en Wethouders, nadat een aanvraag is getoetst met ‘redelijke eisen van welstand’. Daarnaast verstrekt zij advies ten aanzien van monumentenaanvragen en verzoeken om monumentale bescherming. In 2004 treedt een grote verandering op in de taakstelling van de welstandscommissie. Het toetsen op ‘redelijke eisen van welstand’ geschiedt voortaan aan de hand van criteria die door de gemeenten zijn opgesteld, naar aanleiding van een bepaling van het Ministerie van VROM.

Tenslotte
Omdat het een (onafhankelijk) advies betreft, kan het college van B&W als uiteindelijke vergunningverlener het advies naast zich neer leggen. Het zal niet verbazen dat dit soms bij politiek gevoelige plannen gebeurt. B&W heeft echter het volste recht om met redenen omkleed af te wijken van een advies van de Commissie. Voor de geloofwaardigheid van de Commissie is het echter beter dit niet al te vaak te doen.

GERAADPLEEGDE BRONNEN: Commissie welstand & monumenten, jaarverslag 1992/1993 | Paul Meurs, De moderne historische stad, Rotterdam 2000 | Noud de Vreeze, Woningbouw, inspiratie & ambities, Amsterdam 1993.