Overburen

Een ingezonden beschouwing van Beatrice Russo (Utrecht, 1898) over twintigste eeuwse architectuur in het Wilhelminapark. De villa’s op de locatie van de voormalige Emmakliniek zijn het onderwerp van een uiteenzetting over plasticiteit, stijlkenmerken en beeldkwaliteit.

Beatrice Russo


Toen ik zes jaar was, ben ik met mijn ouders in dit huis komen wonen. Het huis was net voltooid en we woonden aan de chique oostkant van de stad met een fris park voor de deur. Mijn vader werkte voor de Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht en mijn ouders waren graag geziene gasten in de culturele elite van die tijd. Mijn moeder organiseerde met enige regelmaat “ontvangsten” voor een gezelschap van kunstenaars en gegoede burgers. De onderlinge afschuw en aantrekkingskracht van de aanwezigen was een mooi festijn.

Ook architecten bezochten deze ontvangsten en mijn vader vatte vriendschap op voor P.J. Houtzagers, de ontwerper van ons eigen huis. Hij worstelde met zijn eigen positie als architect en zocht naar een houvast in ontwerpregels. Terwijl hij in Amsterdam en Brussel zag hoe de vernieuwingen van de Art Nouveau zich juist aan de bestaande regels onttrokken. Vol bewondering was Houtzagers over het nieuwe beursgebouw van Berlage aan het Damrak te Amsterdam. Zelf durfde hij niet zo ver te gaan en achteraf denk ik dat hij het ook niet gekund had, ook al voelde Houtzagers zich van alle protagonisten uit die tijd nog het meest verwant met Berlage.

Hoewel Houtzagers het gebruik van historische neostijlen verfoeide, wilde hij zijn gebouwen wel een uitdrukking geven. Maar dat moest dan wel een uitdrukking zijn van de aard van het gebouw in zijn eigen tijd. Zo was ons huis in zijn ogen een rustiek herenhuis dat door de plaatsing in een gevelwand zijn uitdrukking vooral in de façade moest krijgen. Dat leidde tot een nadrukkelijke plasticiteit. Hij maakte dankbaar gebruik van de gebogen rooilijn door het gevelvlak op meerdere plaatsen te laten verspringen. Deze verspringingen hadden een doelstelling in de vormgeving van het huis; zo kreeg de entree een vanzelfsprekende positie door de witte erker op de eerste verdieping. De plastische werking van de voorgevel wordt nog versterkt door materiaalaccenten en het licht- en schaduwspel.

Baksteen was voor hem het corpus, het onopvallende maar Hollandse bindmiddel voor de massa. De lichte accenten waren niet alleen een verlevendiging van de bakstenen massa, maar juist in lichte kleuren is de schaduwwerking het mooist. Die elementen kregen daardoor weer een levendigheid van zichzelf. Ik denk dat Houtzagers in dit opzicht een meesterlijk componist van materiaal, kleur, licht en diepte was.

Babylonische architectuurverwarring
Ik vertel u dit omdat het te maken heeft met die overburen. Wat heb ik namelijk zien verschijnen? Om het kort te karakteriseren is er achtereenvolgens gebouwd: een modernistische studie in abstractie, een verdwaald fragment van een paleis, een gemetselde grot, een villa die thuis hoort in het dunne naaldbos achter de duinen en een nogal ongenaakbaar blok dat als een ruw kristal zijn kwaliteiten verborgen houdt.

Wat heeft de architectuur van de twintigste eeuw voor dit deel van het Wilhelminapark opgeleverd? De nieuwe huizen hebben strakke gevelvlakken die vooral de rechthoekige blokken van de woningen presenteren. De plasticiteit van de gevels is minimaal. Ook het ontwerp van Peter Versseput dat ik eerder aanduidde als een verdwaald paleisfragment blijft ondanks zijn erker en balkon een spel binnen het kader van het gevelvlak. Bovendien is alles in hetzelfde materiaal uitgevoerd, waardoor het geheel toch een vleugje absolutisme in zich draagt.

De duinvilla van Duinker & Van der Torre is wellicht de meest plastische van de nieuwe creaties, maar worstelt zichtbaar met een probleem: de opdrachtgever wilde een te klein huis voor deze locatie. Het woonvolume is opgerekt met dakterrassen die door hun betonnen omlijsting in het beeld van het huis gaan meespelen.
Wat bij een beschouwing opvalt, is het verschil in toegepaste materialen en kleuren. Ieder huis heeft één materiaal of kleur die het aanzien bepaalt; het witte en lichtgekleurde stucwerk van de twee woningen van Van Wylick, de gele steen van Versseput, de gesauste grot van Bannenberg, de witte duinvilla en de bruine betonplaten van de dubbelvilla KBWW. Bij deze laatste twijfelde ik even. Hier is het glas zo uitbundig in de omhulling van het volume opgenomen dat de positie van de vensters een bijna gelijkwaardige rol in het beeld krijgt. Is dit huis niet te open voor deze locatie, is het glas terecht zo ruimhartig toegepast? Is de vondst van de meanderende tussenmuur in de dubbelwoning zo dwingend geweest dat de compositie van het gevelbeeld aan kracht heeft ingeboet, omdat juist dít getoond moest worden?

Al met al staat er nu een rij woningen die zich onttrekt aan het beeld van de gevelwanden van honderd jaar geleden. Wat deze woningen aan het Wilhelminapark toevoegen is een veel directer en breder spectrum van individuele expressie in de architectuur. De verschillen in dit rijtje van zeven zijn zo groot dat dit alleen maar als rijkdom bestempeld kan worden. De veelzijdigheid en diversiteit die hier ten toon wordt gespreid, zou voor Houtzagers ondenkbaar zijn geweest. De abstractie die Van Wylick in zijn twee woningen bereikt, met name in de eerste, is zo formidabel dat Houtzagers bij een confrontatie met dit ontwerp zijn pen zou hebben neergegooid en het zonder meer van tafel zou hebben geveegd: “Dit is geen architectuur, hier ontbreekt ieder karakter!”

Modieuze nieuwigheid
Er is ook een keerzijde aan de rijkdom van individuele creativiteit en expressie. In het werk van Houtzagers en zijn tijdgenoten zit een grote verwantschap voor wat betreft het beeld van de architectuur. Ondanks het gesleutel aan de ontwerpcanon in het laatste decennium van de vorige eeuw was er voor hen vooral een gemeenschappelijk beeld over wat architectuur moest zijn. Er was een aanzienlijke mate van respect voor het werk van elkaar en in mijn herinnering was er een veel sterker besef dat nieuwe gebouwen deel uit maakten van een groter geheel. Dit gold zowel voor een woning in een gevelwand als voor de hele stad. Ik denk dat dit besef ertoe bijdroeg dat een ontwerp zich gevoeglijk schikte in het totaalbeeld van het grote geheel.

Over dit onderwerp kom ik in de nieuwe publicaties die ik van tijd tot tijd nog raadpleeg geen studies tegen. Wél over instrumenten die dit gemis zouden moeten ondervangen, zoals het beeldkwaliteitplan. Dit blijkt in de praktijk een toverformule die aan zijn veelvormigheid ten onder dreigt te gaan. Zelfs zonder mijn dierbare herinneringen aan Houtzagers zou ik het verschijnen van het fenomeen beeldkwaliteitplan niet gauw hebben opgevat als een sprankelende vernieuwing. Ik heb het van begin af aan gezien als een krampachtige en geformaliseerde vervanging van waarden die door de individualisering en specialisering geruisloos uit het architectenvak zijn verdwenen. Voor wat betreft mijn nieuwe overburen valt met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te constateren dat een instrument als het beeldkwaliteitplan niet is toegepast. Dit valt de architecten niet aan te rekenen (zij functioneren nu eenmaal in de modus van deze geïndividualiseerde tijd), maar wel de verantwoordelijke stedenbouwkundigen van de gemeente.
  
Een andere keerzijde van de rijkdom aan creativiteit is – enigszins verwant aan het voorgaande – de nadruk op het Onderscheidende. Datgene waarin een architect zich onderscheidt van zijn collega’s wordt beschouwd als het hoogste goed en bepaalt daarmee de intrinsieke waarde van zijn ontwerpen. Dit kan echter ook te ver gaan. Vaak zie ik modieuze nieuwigheid omwille van de nieuwheid. Ook bij mij aan de overkant. Ik ben zelfs geneigd te denken dat dit ook het geval is met de dubbelvilla KBWW. Hoewel de bussen architectuurtoeristen er nu regelmatig halt houden, vrees ik dat over tien jaar het verhaal van de meanderende scheidingswand niet meer is dan een aardige anekdote.

Als opponent van het Onderscheidende staat de benadering van het ontwerp als een studie naar de betekenis van de discipline architectuur voor het hedendaagse en toekomstige wonen.De villa van Duinker & Van der Torre en het woonhuis van Bannenberg zijn serieuze ontwerpen die ieder de verworvenheden van een bepaalde benaderingswijze bekwaam verwerkt hebben, maar ze dringen niet door tot de kern van de ontwerpopgave in deze tijd. Versseput doet dat evenmin; zijn ontwerp wil ons zelfs doen geloven dat die kern er helemaal niet meer is en dat we tevreden moeten zijn met een charmante verschijning van uiterlijk vertoon die het leven toch zeer aangenaam maakt.

De dubbelvilla KBWW – voor de laatste keer figureert ze in dit verhaal – slaat een zijweg in. De kern van dit ontwerp zit verborgen achter de omhulling van de twee woningen. Voor de architectuurwereld een interessante puzzel die echter gedoemd is in de vergetelheid te verdwijnen omdat binnenkort elders een nieuw cryptogram wordt opgeleverd waar dan weer alle aandacht naar uitgaat.

Ook de twee woningen van Van Wylick onderscheiden zich van de rest. Maar dit onderscheid bestaat niet omwille van zichzelf of om een nieuwigheid te presenteren. De woningen van Van Wylick, en met name de eerste, onderscheiden zich doordat ze een heel arsenaal aan architectonische (decoratieve) middelen terzijde schuift en zich inderdaad concentreert op de kern van de opgave: het eigentijdse private wonen aan de rand van een park. Het uiterlijk van deze woning toont de geslotenheid van het hedendaagse individuele wonen (wat begrepen kan worden als een uiting van de bredere tendens in onze maatschappij naar het capsulaire; mensen verblijven steeds meer in beschermde ruimtelijke capsules) dat slechts op een aantal weloverwogen plaatsen wordt opengebroken voor lichttoetreding en uitzicht. Dit leidt tot een eigenzinnige geometrie van gevelopeningen, waarbij de plaatsing van het vensterglas voor of achterin de neg tot een subtiele plasticiteit leidt.

IJkpunt
Ik ben oud en ongetwijfeld ouderwets. Mijn leeftijdgenoten kan ik op de vingers van één hand tellen en mijn dagen slijt ik meer in mijn herinneringen dan in het werkelijke leven zoals zich dat buiten de deur van mijn huis voltrekt.

En Houtzagers? Zijn acte-de-presence heeft voor een cruciale wending in mijn leven gezorgd. Voor het meisje dat ik was, legde hij geheimen bloot waarvan ik het bestaan nog maar amper kon vermoeden. Ook nu, aan het eind van mijn leven, zie ik zijn verschijning in alle levendigheid voor mijn geestesoog.

Wat hij ook voor mij betekend mag hebben, in dit verhaal is hij het ijkpunt. Daar zou hij veel plezier aan beleefd hebben en ik gun het hem als een eerbetoon dat hij verder moet ontberen. Ongetwijfeld doe ik hiermee de architecten van de zeven nieuwe woningen te kort. Voor hen zal Houtzagers een onbekende zijn. Dit laat onverlet dat Houtzagers een zeer integer vakman was, wiens motieven en drijfveren zuiver waren.