Houdt het simpel en zeur niet

Op de avond van 3 oktober jl. verzamelden Utrechtse en Amsterdamse woningbouwcorporaties zich in een panel, om te praten over de kwaliteit van de sociale woningbouw in Utrecht. De avond gaf inzicht in de keuzes, verlangens en grenzen van Utrechts grootste woningproducenten.

Martine Bakker

De discussieavond werd georganiseerd op initiatief van de stichting Rietveldprijs en Architectuurcentrum Aorta. Het uitgangspunt van de discussie was de vraag of een Utrechtse woningbouwcorporatie ooit de Rietveldprijs zou kunnen winnen. Hiertoe was een panel samengesteld met vertegenwoordigers van vier Utrechtse en twee Amsterdamse corporaties. Bart van der Laar (Amnis), Wim Duister (Mitros), Johan Klinkenberg (Bo-ex) en Ton Jochems (SSH) introduceerden ter inleiding kort de architectuur en doelstellingen van de corporatie waaraan zij verbonden zijn. Vervolgens leidde Fons Asselbergs een discussie waaraan ook Lex Pouw (Woningbedrijf Amsterdam) en Han Michel (Woonstichting De Key) deelnamen.

Fiere schwung
De introductie van het werk van de corporaties maakte duidelijk wat zij als het zwaartepunt van hun taak zien. Amnis pleitte, puntsgewijs geformuleerd op sheet, voor een meer integrale opvatting van stedenbouw en architectuur, meer koppeling van koop en huur, een integrale financiële benadering en aandacht voor duurzame kwaliteit. Van de andere Utrechtse corporaties kwamen dezelfde geluiden. 

Het belang van overdachte openbare ruimte, de mogelijkheden die koop-huur koppeling biedt, gecombineerde financiën en duurzaamheid zijn belangrijke aandachtspunten. Maar waar blijft de schwung? De enthousiaste wijze waarop de Amsterdammers vertelden over hun eigen projecten en zelfs over de bijzondere kwaliteiten – in hun ogen – van Utrecht, stond in schril contrast met het veilige jargon en de verontschuldigende houding van Utrechtse corporaties. Hoewel: Klinkenberg opperde stoer dat de Bo-ex de Rietveldprijs al had moeten krijgen, met de studentenhuisvesting in de Uithof (architect: Rudy Uytenhaak).

De Bo-ex houdt zich volgens Klinkenberg altijd aan de normen die in Utrecht van belang worden geacht: de projecten zijn bereikbaar, schoon, veilig, heel en duurzaam. Los daarvan kan het zich steeds de vraag stellen: “Wordt het onzichtbare architectuur, of wordt het ook mooi?”

De houding van ‘welstand’ en de gemeentelijke- en rijksbepalingen (met name monumentstatus en groenbestemming) werden aangevoerd als excuus voor het voorzichtige beleid aangaande afwijkende woonprojecten. De Mitros kwam bijvoorbeeld wel met een idee over wonen op het water, maar haalde dit zelf meteen onderuit: het meest wijde water bevond zich bij voormalige haven- en industriegebieden, waar wonen wettelijk te gevaarlijk wordt geacht, ook al is bijkans alle industrie geweken. “Wat wij goed vinden voor de stad is niet wat wij ervaren dat anderen goed vinden voor de stad”, aldus Mitros.

Woonstichting De Key stelt zich anders op. Han Michel: “Les 1. houdt het simpel, les 2. zeur niet. Dingen als deelraden zijn werkelijk een ramp, maar daar gaat het niet om. Om in aanmerking te komen voor een prijs moet je dat ook willen. Je moet je natuurlijk als belegger opstellen – al zijn mensen met veel bezit er nooit echt veel armer op geworden – maar je moet je ook interesseren voor het concept van de wijken. En al win je de prijs niet, dat kan je dan niet schelen want je bent al fier.”

Geschikte landmark
Eén van de dingen die zijn beklijfd van de tijd dat postmodernisme mode was, is het besef van de genius loci, de intrinsieke schoonheid en kwaliteit van een plek. Het houdt in dat niet alleen een plan, maar ook een plek alternatieven kan voortbrengen. Voor dit concept blijken de Utrechtse corporaties, gezien de getoonde plaatjes, weinig ruimte te maken.

Eén voorstel van Mitros vormde de uitzondering op de regel. Met het oog op Leidsche Rijn en de brug die gepland is ter hoogte van de Douwe Egbertsfabriek, stelde het een landmark voor: een woontoren van 37 verdiepingen in het perk in de noord-westhoek van Oog in Al, tussen het Merwede- en Amsterdam-Rijnkanaal (De Punt). In de getoonde computer-animatie was de toren schematisch voorgesteld. Dit voorbeeld kon mij, hoewel “het ging om het idee”, niet ogenblikkelijk bekoren. Mijn persoonlijke herinneringen van De Punt zijn zonnig. Je had hier grasvelden, een speeltuin met ondiep zwembad en een ijscokraam waar we sinas-splits kochten. Alleen deze herinnering geeft al aan dat een genius loci niet eenduidig is, helemaal als de omgeving nog volop transformeert, zoals in en rond Leidsche Rijn het geval is.

De Rietvelderfenis
Utrecht is de stad van Gerrit Rietveld. Woningcorporatie Bo-ex beheert het enige Utrechtse sociale woningbouwproject van Rietveld, gelegen in Tolsteeg/ Hoograven. Het is bekend dat Rietveld ijverde voor het ontwikkelen van goede, goedkope, massa- woningbouw. Hij puzzelde eindeloos op uiteenlopende aspecten van een moderne, nieuwe wijk: de lichtinval van de verschillende blokken, de meest lucratieve plaatsing van natte cellen binnen een gebouw, een centrale televisie-antenne, drogend wasgoed op balkons.

Utrecht is zo’n architect iets verplicht, is min of meer de mening van Michel en Pouw. Bo-ex beaamt dit en ontvouwt vervolgens een plan voor grootschalige renovatie die weinig uitgaat van het gedachtegoed van Rietveld: het behouden van de stedenbouwkundige structuur en de buitenkant, de binnenkant geheel aanpassen aan de normen van deze tijd. Michel reageert: “Je moet de Rietveldwoningen gewoon restaureren, ook al zijn de gemeente en de bewoners het er niet mee eens. Corporaties zijn te doordrenkt van het bruikbaarheidsbesef, alles moet steeds nuttig zijn! Minstens zo belangrijk is het karakter. De eigenschappen van een gebouw of een wijk moet je cultiveren, koesteren en handhaven, dat geeft je richting.”

“Het is de ambitie van de corporaties dat Utrecht mooi moet zijn. Dit betekent dat er vele mooie Utrechten zullen zijn, want Utrecht is niet eenduidig. Wanneer het gaat om gedifferentieerde schoonheden is iedereen verantwoordelijk.” Zo vatte Asselbergs de inleidende woorden van de Utrechtse corporaties samen. De zaal beaamde dat men samen verantwoordelijk was voor een mooie stad. Paul van der Grinten (hoofd stedenbouw gemeente Utrecht) voegde toe dat corporaties te weinig geduld hebben.

Asselbergs zeefde uit de introducties ook het probleem van de ruimte – ruimte om te bouwen, maar ook om te ondernemen: “Is er in Utrecht te weinig ruimte? Dan moet je die gewoon nemen! Beperkt de oude stad de plannen? Daar moet je gewoon mee omgaan!” Om de discussie naar een ander plan te trekken, vroeg hij: “Waar heb je nog wel ruimte en waar wordt je belemmerd?” en “Hoe wordt het mooi, met welke schoonheid win je een prijs?” De filosofische ondertoon van deze vragen leek binnen het panel alleen door de Amsterdamse corporaties te worden opgepikt. De Utrechtse architect Michael van Leeuwen (Bureau Sluijmer en Van Leeuwen) ging wel op Asselbergs opmerkingen in: “Op de vraag: ‘Hoe wordt sociale woningbouw toparchitectuur, wat moet een team hebben om die ambitie te halen?’ moet het antwoord luiden: ‘De wens om een grens te verleggen, binnen enge condities de motivatie hebben om flink te knokken’.”

Kwartje
De discussieavond in het nieuwe stadhuis maakte duidelijk dat de Utrechtse corporaties met weinig verve verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de Utrechtse woningbouw. Heimwee welt op naar de dagen van weleer, toen er nog volkswoningbouw werd gepleegd, tja, toen het volk überhaupt nog bestond. De corporaties van toen waren betweterig, maar wel met visie. Alhoewel, Amsterdam bewijst dat het in deze tijd nog steeds kan, beter zelfs, wellicht juist omdat het volk niet meer bestaat. Het staat buiten kijf dat Woningbedrijf Amsterdam en Woonstichting De Key bouwen met een visie. “De schoonheid van het wonen is een maatschappelijke opgave. Een corporatie bouwt niet voor zichzelf, maar voor de stad.” en “Je moet niet uitgaan van de opdracht maar van de situatie en iedere situatie heeft zijn kansen”, zeiden respectievelijk Han Michel en Lex Pouw tijdens de discussie.

In Utrecht vallen kwartjes altijd langzaam, ook al zijn de intenties aanwezig? “Hoe dan ook blijven daarom de middelen voor stimulans, competitie en publieke verantwoordelijkheid – de Rietveldprijs, Aorta, die moeilijke naam voor dat blaadje – zo belangrijk”, aldus Asselbergs. “Maar, een goede woning maakt nog geen goede stad. De zorg en liefde voor de stad dient praktisch te worden vormgegeven in gemeenschappelijke afspraken.”

En inderdaad werden op de discussieavond en plein public afspraken gemaakt tussen de corporaties en het gemeentelijke hoofd stedenbouw, om ‘concrete voorstellen’ maar ook ‘het geven en nemen van ruimte’ te bespreken. De uitkomst van deze gesprekken zal blijken uit de rapporten van de komende Rietveldprijsjury’s en uit… tevreden en trotse bewoners van de stad.