Het geheim van het Servaasbolwerk

Langs het lommerrijke Zocherpark, aan het Servaasbolwerk nummer 18, staat al vijftig jaar een enorme bunker. Projectontwikkelaar Edwin Oostmeijer verklapt met zijn plannen voor woningbouw dit geheim en maakt er meteen korte metten mee. Het dilemma van een nieuwbouwplan voor een locatie met een beladen doch gecamoufleerde historie.

Martine Bakker


In de jaren 1940-’44 wordt in Utrecht een aantal bunkers gebouwd, waarvan één aan het Servaasbolwerk. Deze bunker is gecamoufleerd met een bakstenen schil, direct om het beton. Het ‘gebouw’ dat zo ontstaat, is groot en log maar onopvallend. De vorm geeft geen clous voor de functie. Het beton achter het glas van de ramen (dat na 1945 is aangebracht) zou dat wel kunnen doen, maar het lijkt alsof eerst nu, met de plannen voor nieuwbouw op deze plek, het bestaan van de bunker wordt opgemerkt.

Het Servaasbolwerk wordt aan één kant begrensd door bebouwing en aan de andere kant door het park, dat in de negentiende eeuw naar ontwerp van J.D. Zocher is aangelegd langs de singel. Dit park, met tegenover de bunker de hogergelegen gebouwtjes van de sterrenwacht en aan de straat de ‘Bevrijdingsboom’, bepaalt de sfeer van de plek. Als om de stemming te vervolmaken ligt in de schaduw van de noordgevel van de bunker een melancholiek speelplaatsje waar het mos op de zandbak groeit en de speelelementen nog gemaakt zijn van grijs beton.

     
De bunker is gecamoufleerd met bakstenen, glazen ramen en een dak, maar lijkt bovendien weg te vallen in de omgeving. Het is een non-gebouw en daarmee een paradox: een kolos die geen aandacht trekt. Dit was in de tijd dat het gebouw functioneerde een bijkomstigheid, de camouflage zelf was afdoende. Inmiddels is deze bijkomstigheid één van de basisgegevens waarmee projectontwikkelaar Edwin Oostmeijer zijn plannen maakt.

Duitse bunkers in Utrecht
In de Tweede Wereldoorlog wordt Utrecht door de Duitse bezettingsmacht gezien als een strategisch belangrijke plaats. Het is het centrale commandopunt bij een geallieerde aanval, waarbij men zich concentreert op de invasie die verwacht wordt op de Nederlandse kust. De ‘Festung Utrecht’ maakt geen deel uit van een linie en beschikt dus over een eigen verdediging en eigen schuilplaatsen. Al in juli 1940 wordt een bunker gebouwd op de binnenplaats van de sociëteit van corps-studenten aan het Janskerkhof. Het sociëteitsgebouw is gevorderd en doet dienst als stafkwartier van het Höheres Kommando. Later wordt hier het hoofdkwartier van het 88ste Armeekorps aan toegevoegd.

In 1942 wordt het in aanbouw zijnde Militair Hospitaal aan de Joseph Haydnlaan gevorderd voor de staf van de Kriegsmarine. Het wordt afgebouwd als stafkwartier, wat onder meer inhoudt dat nog een grote bunker wordt bijgebouwd. Andere commandobunkers liggen aan het 24 Oktoberplein, de Mariaplaats, op de binnenplaats van Domplein 4 en in het Wilhelminapark. Ook de bunker aan het Servaasbolwerk is een commandobunker. Voor de verdediging van de binnenstad wordt een ring van geschutsbunkers aangelegd, waaronder één in het westelijk landhoofd van de Zandbrug (Oudegracht 1).

In 1989 doet de gemeentelijke dienst monumentenzorg een onderzoek naar de bestaande twintigste eeuwse ‘verdedigingswerken’. Hieruit blijkt dat over de bunkers van de Hollandse Waterlinie vrij veel bekend is en dat deze door hun ligging in de weilanden niet frequent met sloop bedreigd worden. Over de Duitse ‘stadsbunkers’ is minder bekend en het onderwerp ligt gevoeliger. De meeste zijn gesloopt om plaats te maken voor stadsuitbreidingen. Een aantal overgebleven exemplaren zal vermoedelijk in de toekomst worden gesloopt.

In het rapport wordt een voorkeur uitgesproken voor behoud. Dit is een novum. Sloopplannen leveren tot deze tijd geen discussie op omdat men het eens is over de nare herinnering die deze bunkers met zich mee dragen. Bovendien lijken ze ongeschikt voor hergebruik. Monumentenzorg stelt de bunkers voor als monument in het kader van de stadsgeschiedenis van Festung Utrecht en vanwege de rol van Utrecht als landelijk verzamelpunt voor commandocentra.

Om de bunker aan het Servaasbolwerk te kunnen bouwen, confisqueert de Wehrmacht in 1944 de tuin van het weeshuis aan de Nieuwegracht. (1) De bunker beslaat een oppervlak van 30×33 meter. De eerste gebruiker is op 21 december 1944 de Feldgendarmerie. De compagnie Feldgendarmerie bedient de enorme telefooncentrale waarmee de ruimte is uitgerust. In 1953 doet het weeshuis officieel afstand van de tuin. De bunker wordt tot begin jaren negentig gebruikt als communicatiebunker van de NAVO-strijdkrachten.

De nieuwbouwplannen
Uit een meerjarenplan van de gemeente pikt Edwin Oostmeijer op dat de plek waar de bunker staat een potentiële woningbouw locatie is (18-20 woningen). Hij kent de locatie en zet hoog in: in 1996 vraagt hij Bob van Reeth van de Architectenwerkgroep (AWG) een ontwerp te maken. Dit ontwerp wordt vertaald in een maquette, om vanaf de beginfase optimaal voor ogen te hebben wat woningbouw voor de locatie betekent.

Oostmeijer kent Van Reeth in 1996 van zijn woningen aan de Mariaplaats/Walsteeg (in die tijd nog in ontwerpfase). Het spreekt hem aan dat AWG bouwt ‘in de geest van de plek’ en de stad met al haar eigenschappen betrekt in het ontwerp. Hij onderkent de complexiteit, de gebalde historie van het Servaasbolwerk en zelfs de paradox van de gecamoufleerde bunker en streeft naar een groot, maar introvert bouwblok, dat zich niet opdringt aan het park. AWG lijkt hiervoor het aangewezen bureau. Naar verluidt, puzzelt en tekent Bob van Reeth drie dagen onafgebroken aan de opdracht.

Het opvallendste kenmerk van de nieuwbouw betreft de hoogte: het appartementencomplex houdt de rooilijnen van het bestaande gebouw aan, maar telt een verdieping meer. Van Reeth verbetert hiermee de verhoudingen van het blok. Een ander opvallend kenmerk is de raamgeleding, die het complex aan de noord- en oostzijde door kleine, diepliggende raampjes de uitstraling geeft van een kasteel. In de zuidgevel zitten meer extraverte glaspartijen, die vanaf de straat nauwelijks zichtbaar zijn.

Begin dit jaar is het voorstel van Oostmeijer besproken in de Commissie Welstand en Monumenten. De commissie doet geen uitspraak over het ontwerp van Bob van Reeth zonder een nieuwe inventarisatie van de verdedigingswerken: zij wil meer gegevens over de (bouw)historische waarde van de bunker. Ook dit nieuwe onderzoek van monumentenzorg pleit in hoofdzaak voor behoud van het bestaande oorlogserfgoed. Daarnaast klinkt vanuit de dienst monumenten bezorgdheid om de aantasting van het Zocherpark. Het bewonersplatform en enkele raadsleden hebben zich uitgesproken voor een woonbestemming en bewonderden het ontwerp van AWG. Eventueel zal er een gemeentelijke werkgroep opgericht worden die randvoorwaarden moet formuleren voor de nieuwbouw.

Man with a mission
Edwin Oostmeijer begeeft zich vaker op dergelijk glad ijs. In 1999 lanceert hij het plan om de gevelwand van de Van Asch van Wijckskade (bij de Van Asch van Wijckbrug en de Predikherenstraat) terug te brengen in oorspronkelijke staat. Dit stuit op verzet van bewoners. Zijn voorstel voor de ontwikkeling van Fort Blauwkapel (hij stelt voor een landschapsarchitect de supervisie te geven, namelijk Adriaan Geuze) wordt min of meer nagevolgd, dat wil zeggen, zijn plan wordt niet aangenomen, maar er wordt wel een landschapsarchitect aangesteld (niet Geuze).

Oostmeijer begint zijn projectontwikkel-carrière in 1984 op kleine schaal, met het restaureren van panden. Met veel zorg worden authentieke elementen hersteld, zoals schuifdeuren en plafonds. Deze zorg is terug te vinden bij zijn benadering van grotere projecten. Oostmeijer vindt het belangrijk om de bestaande kwaliteiten van een locatie te onderzoeken en benoemen, maar geeft deze vervolgens niet mee aan een architect. De architect wordt, om de visie niet te belemmeren en de opdracht niet ‘dicht te timmeren’, slechts gevraagd wat het beste zou zijn voor de plek. De ruimte die Oostmeijer een architect laat, maakt dat hij zorgvuldig moet zijn in de keuze voor architecten. Hij houdt daarom niet alleen goed in de gaten wat er gebouwd wordt, maar ook wat architecten zeggen, welke benadering ze hebben.

Oostmeijer is een enthousiaste projectontwikkelaar, die veel weet over de locaties die hij uitkiest. Utrecht vindt hij een mooie en boeiende stad, waar verschillende historische lagen boven elkaar liggen. Hij wil de stad niet redden van de producten van collega’s, maar kan zich wel ergeren aan ‘lelijke, zielloze gebouwen’. Dat hij door zijn werk te maken heeft met, of zelfs afhankelijk is van bewonersbelangen en gemeentelijke procedures ziet hij als een uitdaging. Oostmeijer is, afgezet tegen de doorsnee projectontwikkelaar, die vooral cijfermatig en winstgericht denkt, iemand met een missie.

Welke oorlog?
Over missies gesproken: het is noodzakelijk om uitzonderlijke architectuur te bewaren, vanwege de specifieke architectonische details van het betreffende exemplaar, omdat het object voorbeeldig is voor een stijl of type, omdat het niet weggedacht kan worden op die plek, of omdat het de herinnering aan een bepaalde tijd tastbaar houdt. De Duitse bunkers aan het Janskerkhof en op het 24 Oktoberplein zijn bewaard en min of meer zinvol herbestemd (de eerste doet dienst als disco voor het Corps, de Wooloomooloo). Ook de bunker aan het Servaasbolwerk krijgt in 1945 een ‘nieuwe’ bestemming: het blijft een bunker, maar dient een andere strijdmacht. Bijgevolg wordt de bunker langer gebruikt door de NAVO dan door de Wehrmacht. De huidige argumenten voor en tegen sloop richten zich niet op de herinnering aan NAVO-activiteiten die door de aanwezigheid van de bunker tastbaar wordt gemaakt.

Ook het argument dat nieuwbouw het Zocherplantsoen, een monument van landschapsarchitectuur, zou kunnen aantasten, kan weerlegd worden, en wel door de nieuwbouw zelf. Het ontwerp van AWG levert een gedistingeerd woongebouw op met een prettige gevelsteen en omvang en bovenal met appartementen waarin gewoond kan worden. In mijn ogen zijn het bewaren van de bunker aan het Servaasbolwerk en de geforceerde nieuwe functies die er in dat geval voor gevonden zullen worden, hypocrieter en opdringeriger dan de nieuwbouw die Edwin Oostmeijer voor ogen heeft. Zullen we het geheim van de bunker hierbij weer stilletjes begraven? Want is een geheim eigenlijk niet mooier als je het niet kunt zien?

noot:
1. Dit is niet de tuin van het Joodse Weeshuis, dat even verderop aan de Nieuwegracht ligt (nummer 92), en waaruit alle kinderen en het personeel in 1942 zijn afgevoerd naar vernietigingskampen. Het pand krijgt andere functies, waaronder administratieruimte voor het WKZ. Kort geleden is het bestaan bekend geworden van gave synagoge-schilderingen op de zolderverdieping. Deze ontdekking geeft een nieuwe waarde aan het gebouw en een extra dimensie aan de geschiedenis van de plek – het lot van de voormalige bewoners was bekend, maar de aanwezigheid van een tastbare herinnering aan deze bewoners ontbrak. De nieuwe gebruikers worden Joods Cultureel Centrum ‘Merkaz’ en het Leger des Heils.