Beschutting voor de nacht

In 1922 dicht James Joyce in Ulysses: Beschutting voor de nacht. Niemand is iets. Niet erg hoopgevend? Volgens Rem Koolhaas is James Joyce samen met Paul van Ostaijen de enige echte schrijver van de stad. Waarmee hij bedoelt dat alleen deze twee schrijvers weten met welke taal zij de stad, als fenomeen, kunnen verwoorden. In Utrecht en heden ten dage bewijst MONK de verwantschap tussen architecten, dichters en fenomenen.

Martine Bakker


MONK Architecten maakte in opdracht van de gemeentelijke dienst welzijn een verbouwingsplan voor de vestiging van slaapruimtes voor dak- en thuislozen (beheerd door NOIZ), kantoorruimtes voor de Tussenvoorziening en een winkel/werkplaats voor de Emmaus. De voorzieningen komen in een voormalig schoolgebouw aan de Makassarstraat, langs het Merwedekanaal. De wijze waarop architect Machiel Hopman van MONK vertelt over de opdracht, raakt aan Joyce en Van Ostaijen. MONK formuleerde eerst de essentie van het plan, daarna kwamen de tekeningen. De essentie van dit plan komt overeen met de kern van het begrip architectuur: beschutting – voor de nacht. Hopman vindt het een mooi uitgangspunt.

MONK vangt vaker een plan in zowel tekeningen als woorden. Voor het gemaal in het Griftpark (1998) werd een tekst geschreven die is gepubliceerd in een speciale folder. Het gemaal kan aandacht gebruiken omdat het boven de grond vrijwel onzichtbaar is, maar de poëtische tekst versterkt het ontwerp ook, geeft het meerwaarde. Voor het vestigen van de nachtopvang en Emmauswinkel was het formuleren van de bedoeling van de verbouwing nodig om de omwonenden te kunnen informeren. Zij reageerden in een eerdere fase negatief op het idee. Om niet te vervallen in een formele discussie, werd de buurt geconfronteerd met de filosofie van het complex en niet met details als de kleur van de kozijnen of de hoogte van het hek.

“De buurt zou trots moeten worden op het complex, de omwonenden zouden moeten zeggen ‘ja, er is daar een opvang voor daklozen, maar het is wel ònze opvang’. Goede afspraken en een duidelijk idee van de gebruikersgroep, en het nut van de voorziening, zijn daarvoor belangrijk”, aldus Hopman. “Daklozen worden vaak gezien als een bedreiging, maar de buitenwereld, de wereld waarin zij doorlopend vertoeven, is eigenlijk veel bedreigender voor hen dan de dakloze voor de geborgen burger”.

MONK stelde voor om op de informatie-avond niet achter een tafel te gaan zitten en de buurt zo statisch en in tweekamp-opstelling met de plannenmakers te confronteren, maar om het nieuwe plan in het gebouw zelf uit te leggen. Bovendien stond op de informatieavond een bezoek aan het huidige onderdak van NOIZ op het programma. De buurt kon zo zien dat NOIZ een streng beleid voert en dat de ruimte, een verzameling containers aan de Baden Powellweg, niet voldoet.

Transformatie
In het eerste ontwerp dat MONK maakte voor de verbouwing van de school, was een opvallende oplossing gevonden voor het dichten van de klaslokaalramen op de eerste verdieping, waar de slaapruimtes van NOIZ komen. Dit ontwerp werd afgekeurd door de commissie voor welstand en monumenten. De commissie vond dat het gebruik van hout ter vervanging van de raampartijen te veel zou verwijzen naar een dichtgeplankt afbraakpand. Het hout in de raampartijen bestond uit horizontale lamellen, in ver uitstekende, houten kozijnen. De lamellen filterden het invallende licht en vergrootten het gevoel van beschutting. De buitengevel kreeg met de uitstekende houten ‘dozen’ een ritmisch reliëf en liet iets van de nieuwe functie zien. Uiteindelijk is alleen in de westgevel nog iets gedaan met uitstekende houten kozijnen. Deze ‘doosjes’ fungeren als vitrines voor de Emmaus-winkel.

Het definitieve verbouwingsplan concentreert zich op de binnenruimte. NOIZ bevindt zich aan de zuidzijde van de begane grond en op de etage. De Emmaus bevindt zich aan de westzijde op de begane grond en de Tussenvoorziening aan de oostzijde. In de ruimte van NOIZ is een prominente plek in het trappenhuis bestemd voor de bagagekluis. “Het gaat niet zomaar om een ruimte voor tijdelijke opslag”, verduidelijkt Hopman, “voor de daklozen zijn deze spullen vaak hun enige bezit. De wanden van de opslag bestaan dan ook uit mooi, blank hout”. Bij deze opslag bevindt zich tevens de ruimte van de toezichthouder in de bestaande toezicht-ruimte van de voormalige school. Ook de wanden van de gangen op de etage worden bekleed met hout. De ruimtes van de voormalige klaslokalen worden opgedeeld in kleine slaapeenheden.

Hoewel Machiel Hopman het jammer vindt dat het eerste ontwerp, “een chique en gave oplossing”, is afgekeurd, wil hij hier niet te lang bij stilstaan. “Bij het maken van plannen moet je altijd zo hoog mogelijk inzetten. Je moet er echter niet moeilijk over doen wanneer een ontwerp moet worden aangepast. Dat hoort bij het vak. Bovendien, bij bezuinigen wordt de essentie van een ontwerp getoetst, dat is spannend. Niet willen bezuinigen kan ook een zwaktebod zijn. Het concept mag niet gebaseerd zijn op één materiaalsoort of één onderdeel. Het uitgangspunt van het voorlopig ontwerp was om een veilige plek te creëren voor dak- en thuislozen en een plek waar gewerkt kon worden, een stimulerende plek. Het moest huiselijk worden, niet stoffig, en sterk. Dit is overeind gebleven in het definitieve ontwerp.”

“Je weet bij een dergelijke opdracht dat je iets maakt met een minimaal budget, voor een opdrachtgever die niet de gebruiker wordt en met aanvankelijk onwelwillende omwonenden. Dat is gecompliceerd, maar vraagt ook meer van de architecten dan een doorsnee opdracht. Het vergt een zeker idealisme om hier mee bezig te zijn. Het aanpassen van het plan is eigenlijk een transformatie in een transformatie: de school wordt iets anders en het verbouwingsplan daarvoor wordt veranderd. Het is een inspirerende opdracht. Alleen duurt het al met al wel erg lang, waardoor het moeilijk is steeds scherp te blijven bij het schipperen tussen het budget en de wensen van alle betrokken partijen. Voor MONK zelf vormen de voorzieningen voor de gebruikers aldoor de prioriteit.”

Tatata: tegenstelling
Het complex krijgt twee nieuwe hoofdentrees, één voor NOIZ langs het kanaal en één voor de Emmaus in de westgevel. In de noordgevel komt een publiek toegankelijk afgiftedepot van de Emmaus. Hier bevindt zich tevens de ingang voor het personeel van de drie instellingen en een fietsenstalling voor woningen in de Makassarstraat. De huidige groenstrook langs de zuidgevel, aan het kanaal, wordt bij de openbare ruimte getrokken. Door het bestaande hek te verwijderen en de gevel van het gebouw direct aan de publieke ruimte te laten grenzen, gaat het gebouw de stad (en de burgers) toebehoren. Het pad langs het kanaal wordt ruimer, de inrichting van het gebied duidelijker: ene zijde gebouw, gene zijde kanaal. Voor de gevel waarachter zich de Emmaus bevindt, komt een bordes, een hellingbaan en een trap. De ingang van de winkel en de etalage-kastjes worden zo geaccentueerd.

De inrichting van de openbare ruimte is volgens MONK bij dit project van speciaal belang. Dit temeer omdat aan de gevels architectonisch weinig verandert, waarmee Hopman alsnog impliciet commentaar geeft op het afkeuren van het eerste ontwerp. Het buitenterrein moet de nieuwe functie van het gebouw benadrukken en het een plaats geven in de buurt. Bovendien zou het moeten verduidelijken dat de tegenstelling tussen de nominale burger en de burger-in-de-marge wel bestaat, maar niet per se bedreigend is. Het zou een grens moeten slechten. MONK’s voorkeur gaat uit naar een samenwerkingsproject tussen een landschapsarchitect en een kunstenaar, die kan reflecteren op bovenstaande gegevens. Waarbij Hopman benadrukt dat de kunst niet gebruikt mag worden als goedmakertje voor de buurt. “Het is niet belangrijk dat iedereen het mooi gaat vinden, als het maar een doordacht ontwerp is.”

Na de bouwvak 2000 is de bouw van het complex gestart. Volgens planning wordt het in januari 2001 in gebruik genomen. Hoop is als alles: gerelateerd aan een werkelijkheid. In de voormalige school aan de Makassarstraat kan de werkelijkheid zichtbaar worden van de opdrachtgevers, de buurtbewoners, de gebruikersgroep, het architectenbureau en de kunstenaar. Dit is hoopgevend. Wat zou Van Ostaijen dichten?

NOIZ = nachtopvang in zelfbeheer
Tussenvoorziening = voorziet met de tussenbus dak- en thuislozen van o.m. soep en dekens
Emmaus = houdt zich bezig met ‘hergebruik van welvaartsresten’