Vierentwintig uur is te duur

Een ruimteschip afkomstig uit een stralende toekomst die nooit gekomen is. Het heeft een noodlanding gemaakt op een provinciestadje. Zo heb ik de bouw van Hoog Catharijne lang geleden omschreven. De vakkundige sloop van alle onderdelen die niet genoeg geld opbrachten heb ik toen niet voorzien.

Door: Rob Dettingmeijer

Je moet inmiddels historisch en bijkans archeologisch geschoold zijn om, in de schaduwen en vergeten hoeken van het tot junkspace verworden consumptieparadijs, nog resten van het utopisch denken van weleer te ontdekken. Hoe de utopie van een totaal kunstmatige omgeving vergeten kon worden is het best te omschrijven met het adagium dat nu het beheer van Hoog Catharijne en het stationsgebied lijkt te bepalen: vierentwintig uur is te duur. De openbare ruimte is verkleind in ruimte en tijd en niet rendabele activiteiten zijn verdrongen naar de marge van het gebied of zelfs naar de marge van de stad.

Het is in de loop der tijd steeds vaker opgemerkt: het oorspronkelijke Plan Hoog Catharijne was een fragmentarische realisatie van een utopische visie die in de jaren zestig vrij breed gedragen werd. De kunstenaar Constant schetste daar met zijn project Nieuw Babylon de meestradicale en poëtische vorm van. Hij zocht naar de ideale ruimtelijke structuur voor de homo ludens, Huizinga’s spelende mens.

De ontwerpers en opdrachtgevers van Hoog Catharijne schetsten die collectieve droom van een volkomen kunstmatige wereld. Hier zou je onafhankelijk van weer en wind, zon en regen, kou en hitte, altijd in een stralend tijdloos nu zijn. Op de artist impressions en in foto’s uit de beginperiode wemelt het van de terrasjes met vrolijke parasols. Fonteinen en kunstwerken markeren ruime pleinen met veel groen. Zelfs een volière met exotische vogels ontbreekt niet. Er is ruim plaats voor sport en spel, er wordt gemusiceerd en geconverseerd en vooral stralend geglimlacht. En ja, soms wordt er ook iets gekocht in een chique boutique. De werkelijkheid bleek al snel anders. Niet de beoogde kapitaalkrachtige mensen uit de regio, maar dagjesmensen en spijbelende jeugd trokken naar het centrum van het land. Het werd er drukker dan in de Kalverstraat en de hoofdroute van HC veranderde in een goot als toevoer voor massaconsumptie. ’s Avonds na winkelsluiting en in de delen die aan het cameratoezicht ontsnapten ontstond een schaduwwereld.

Met enige overdrijving zou je hen een ongewenste en onvoorziene variant van de homo ludens kunnen noemen. Dit nieuwe Babylon was weliswaar 24 uur per dag functioneel, maar dreigde wat nu het Winkelhart van Nederland was gaan heten een slechte naam te bezorgen. De spelende mensen werden daarom buitengesloten en gratis zitplaatsen verdwenen. De schaduwwereld werd vakkundig geïsoleerd en daarna gesloopt. Om ruimte te bieden aan het steeds groter wordende winkelpubliek en de rennende forensen verdween ook al het andere moois. De hoofdroute tussen het station en stadsplein Vredenburg werd steeds drukker en winstgevender, de andere routes en winkelstraten bleken nauwelijks nog rendabel. Aanpassingen voldeden niet, er moest een geheel nieuw plan komen. De NS wenste namelijk net als in de andere grote steden haar positie op de vastgoed- en retailmarkt te verbeteren, onder het mom van een betere OV-terminal. Met veel moeite kwam een masterplan tot stand.

In dat plan, en in de uitwerking ervan, is nostalgie in plaats van utopie de motor van de vastgoedontwikkeling. De kern van het openbare deel van het nieuwe HC heet ‘stadskamer’. Hier vang je een glimp op van de oude stad en het nieuwe Muziekpaleis, maar vooral van de gerestaureerde singel, waar die stadskamer een zware schaduw op werpt. Alhoewel, op de nostalgische artist impressions lijken de terrasjes op maaiveldniveau wonderbaarlijk ontsnapt aan de schaduwen van nieuwe torens en blokken, die de ‘bruisende stad’ betaalbaar moeten maken. De toekomstige stad is anno 2013 niet meer te fixeren in een artist impression. De gevels aan het nieuwe Vredenburg zijn volgens de ontwerpers en verkopers gebaseerd op ‘de kleinschalige indeling van de oude stad’. Achter de ramen van die gevels spoken reusachtige, vrolijk bewegende, jonge lijven, gekleed in de laatste, betaalbare mode. Zij vernietigen de suggestie van kleinschaligheid, iedere dag en bijna de gehele nacht.

Rob Dettingmeijer is architectuurhistoricus, onderzoeker en publicist.