Hoveniers en moesgrachten

ERFENIS VAN VOEDSEL IN DE STAD

Kerkelijk centrum, de grootste stad in de middeleeuwen, stad van handel, kazernes en studenten. Een blik op de Utrechtse geschiedenis laat zien dat de stad vele gedaantewisselingen heeft ondergaan. Wie goed kijkt kan nu nog een glimp opvangen van al deze gezichten en sporen zien die verwijzen naar de belangrijke rol die de stad speelde in de voedselvoorziening. Dat begint met tuinders in de omgeving die de voedselproductie voor de stad verzorgden en laat ook een grootschalig veiling van internationale allure zien. Maar waar moet je kijken om dit verleden te ontdekken?

Door: Mascha van Damme

Van oudsher vestigden zich in de directe omgeving van de stad zogenaamde ‘hoveniers’, tuinders die groenten en fruit produceerden. Rond 1219 werd in de voorstad Abstede, aan de oostkant van de historische kern van Utrecht, het klooster Sint Servaas gesticht. De abdij werd weliswaar al na enkele jaren overgebracht naar een veilige plek binnen de stadsmuren, maar zij bleef gronden verwerven in Abstede dat zich destijds veel verder uitstrekte dan de huidige en gelijknamige wijk rond de Abstederdijk en de Minstroom. Het land werd ontgonnen en omgezet in weilanden, akkergronden en boomgaarden. De opbrengst werd verkocht op groentemarkten in de stad. Dat ontginnen en handelen deden de nonnen uit het klooster niet zelf. Ze huurden landarbeiders in of verpachtten de grond aan boeren. Deze hoveniers vestigden zich met hun boerdijen in de omgeving. Het begin van de ontwikkeling van Abstede van landelijk gebied tot hovenierswijk.

Langs de Zonstraat is nog een aantal boerderijen te vinden dat herinnert aan het hoveniersverleden. Ook is een enkele hovenierswoning bewaard gebleven, onder andere aan de Bolstraat, Bloemstraat en Wagenstraat. Ze zijn inmiddels beschermd als rijks- of gemeentelijk monument.

PROJECTONTWIKKELING
Vanaf 1880 verkochten veel hoveniers hun grond, waardoor later rond het nieuw aangelegde Wilhelminapark (1898) chique woonhuizen voor welgestelde burgers konden worden gebouwd. Een aantal hoveniers langs de Minstroom heeft zich lange tijd verzet tegen de onteigening van hun grond. Daardoor werd de vruchtbare grond langs de Minstroom nog lange tijd gebruikt voor het verbouwen van groenten en fruit, in steeds grotere kassen.

Bij de herstructurering van de in het slop geraakte wijk in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw werden enkele binnenterreinen van voormalige hoveniers- en tuindersbedrijven volgebouwd met nieuwe woningen. De schaal en de vormgeving van de bestaande bebouwing waren maatgevend voor de nieuwbouw, waardoor de buurt voor een deel zijn kleinschalige karakter heeft behouden. Alleen de Homeruslaan is dwars door de bestaande structuur aangelegd en wordt geflankeerd door hogere appartementenbouw. Door (kraak-) acties van buurtbewoners is het volkstuinencomplex aan de Minstroom tussen de Abstederdijk en de Zonstraat het enige dat is overgebleven van de commerciële tuinderij in de omgeving.

DE CROESELAAN IN BEDRIJF
Aan de andere kant van de stad, rond de Croeselaan, verliep de transformatie wat drastischer en is de landelijkheid van toen ver te zoeken. Hier werden in de zeventiende eeuw op verzoek van de tuinders in het gebied enkele grachten gegraven. Dit waren de zogenaamde Moesgrachten, drie grachten die in het midden verbonden waren door de Mariagracht, waarover de tuinders hun producten per platte schuit naar de markt in de binnenstad konden vervoeren. De derde Moesgracht vormde het centrum van de bedrijvigheid van aan- en afvarende schuiten met groenten. Deze doorsneed de Croeselaan, een voorname laan met een dubbele rij bomen langs de gracht. De moesgrachten en de Croeselaan waren een van de weinige gerealiseerde onderdelen uit het ambitieuze uitbreidingsplan (1624) van schilder en architect Paulus Moreels.

De tuinderijen werden langzaamaan afgewisseld met uitgestrekte buitenplaatsen, zoals Puntenburg en Voorzorg, omgeven door parken, boomgaarden en boerderijen. Het duurde niet lang voordat het aanzien veranderde door de oprukkende fabrieksbebouwing van steenovens, brouwerijen, blekerijen en een lood- en zinkpletterij. Daartussen verrezen kazernes, die Utrecht aan de rand van de stad liet bouwen toen ze met de aanleg van de Nieuwe Hollandse Waterlinie werd aangewezen als garnizoensstad.

GROOTSCHALIGE VEILING
In 1905 werd de Groenten- & Vruchtenveiling opgericht en de groentemarkt van het Paardenveld verplaatst naar de Croeselaan. Van daar werden de Utrechtse groenten in onder meer Amsterdam en Berlijn verkocht. Een deel van de oogst werd vanuit de hoveniershuizen zelf verkocht. De groente- en fruitkar van G.J. Jongerius was een bekende verschijning in het straatbeeld.  Jan Jongerius had rond 1920 een hoveniersbedrijf aan het Merwedekanaal. Ter hoogte van zijn bedrijf begon de gemeente Utrecht in 1920 met de aanleg van een industriehaven en in 1927 met een veilinghaven met een door de dienst Gemeentewerken nieuw opgericht gebouw voor groenten- en fruitveiling. Achter een opvallende voorbouw van baksteen was een immense langwerpige hal opgetrokken met een ellipsvormige overkapping. Jan Jongerius wisselde het vervoer van zijn agrarische producten in voor vervoer van andere zaken op zijn kar, zoals petroleum. De voormalige hovenier vertrok op reis naar Amerika waar hij contracten afsloot met Ford en Texaco, Vervolgens bouwde hij een imperium op van garagebedrijven, tankstations, bussen, touringcars en vrachtwagens dat decennialang een begrip was in Utrecht en omstreken. Voor zijn gezin liet hij in 1938 Villa Jongerius bouwen, een woonhuis met Hollywood-allure. Op oude foto’s zijn achter het complex met bedrijfshallen nog de uitgestrekte boomgaarden zichtbaar. De villa wordt momenteel gerestaureerd en krijgt een culturele en culinaire bestemming.

In 1931 werd de Moesgracht gedempt en werden aan weerzijden van de Croeselaan rijen huizen gebouwd. De kazernes en fabrieken werden vervangen door kantoren, waardoor het landelijke karakter langzaam onherkenbaar werd uitgewist. Hovenierswoning Mien aan de Van Zijstweg en de Veilinghaven is de laatst overgebleven in het gebied. Haar bestaan ligt zwaar onder druk, al wordt tegen de sloop flink geageerd. Het markante bakstenen veilinggebouw bestaat nog steeds aan het huidige Heycopplein en is in gebruik als kinderdagverblijf. De onherkenbaar ingebouwde hal erachter doet al jaren dienst als sporthal.

SLINGERMUREN
Hoewel de locaties van de groentemarkten in de binnenstad, zoals het Paardenveld, niet meer als zodanig zijn te herkennen, zijn hier nog wel verwijzingen te vinden naar de rol van voedsel in de stad. De openbaar toegankelijke steeg achter de Leeuwenbergkerk aan het Servaasbolwerk, te bereiken via de Schalkwijkstraat en de Keukenstraat, wordt aan een kant begrensd door een slingermuur, een bakstenen muur met gebogen muurvlakken tussen vierkante kolommen. De muur stond oorspronkelijk rond een moestuin en beschermde de kwetsbare (perzik-) bloesem van de leifruitbomen tegen nachtvorst. Ze stonden voornamelijk bij buitenplaatsen en kastelen, bijvoorbeeld in de tuin van slot Zuylen. Dit binnenstedelijke exemplaar uit de achttiende eeuw is uniek. Het behoorde bij het pand Nieuwegracht 64; een chique woonhuis dat in 1640 werd gebouwd op de plaats van het opgeheven middeleeuwse Quintijngasthuis. De bijbehorende tuin werd in 1732 een flink stuk uitgebreid en met de slingermuur omgeven. Met de bouw van de panden aan de zuidzijde van de Schalkwijkstraat in 1879 is het noordelijke deel van de muur afgebroken.

De oogst aan erfenis van voedsel in de stad is schaars, maar voor wie weet waar hij moet kijken vormt het nog steeds een leesbare laag in de complexe geschiedenis van de stad.

Ook de publicatie Vlaaien op de Neude, die tijdens de Dag van de Architectuur wordt gepresenteerd, gaat in op de erfenis van voedsel in de stad.