‘Het is hip om in een jarenvijftigwoning te wonen’

RONDETAFELGESPREK OVER DE VERNIEUWING VAN KANALENEILAND ZUID

In Kanaleneiland Zuid hebben de woningcorporaties Portaal, Bo-Ex en Mitros en de gemeente een gezamenlijke vernieuwingsaanpak ontwikkeld. Architectonische en stedenbouwkundige kwaliteiten uit het oorspronkelijk ontwerp hebben daarin een prominente rol. ‘Het was de wijk van de vooruitgang.’

Door: Mascha van Damme en Mark Hendriks

Halverwege het gesprek zegt Paula Sangers van woningcorporatie Bo-Ex: ‘Het lastige van wijkvernieuwing is dat het vooral toekomstige bewoners zijn die de vruchten plukken. Om op de lange termijn een mooie en duurzame wijk te maken, moet je boven de belangen van huidige bewoners uitstijgen. Maar dit mag niet betekenen dat actuele en urgente problemen blijven liggen. Die moeten we net zo goed aanpakken.’ Collega Aletta Koster van Portaal vult aan: ‘Wij denken op een strategisch niveau na over langetermijnperspectieven. Bewoners ervaren een andere werkelijkheid, en hebben te maken met de realiteit van vandaag. Zij hebben weinig boodschap aan al dat gepraat over de toekomst en vragen zich af wanneer we het dubbele glas er eindelijk eens in gaan zetten.’

Projectmanager Sangers (verantwoordelijk voor 11 wooncomplexen in Kanaleneiland Zuid) en procesmanager Koster (verantwoordelijk voor 4 van de 10 flats die Portaal daar bezit) nemen op een augustusmiddag deel aan een rondetafelgesprek over de vernieuwing van Kanaleneiland Zuid. Eveneens aan tafel: gemeentelijk projectleider Mark Kauw en gebiedsmanager Gera Esser van Mitros – hun bezit omvat zes wooncomplexen. Zij stelt: ‘Het is belangrijk om in dit soort lange planprocessen snel tot actie over te gaan. Niet alleen praten, maar ook doen.’

Gebeurt dat?
Essers collega’s van Bo-Ex en Portaal knikken. Sangers: ‘Ook al gaat de vernieuwing om langetermijnstrategieën, het is altijd de bedoeling geweest dat de huidige bewoners kunnen blijven. Je moet hen dus meenemen in je plannen.’ Koster: ‘We vallen ze zo min mogelijk lastig met de bijzondere wijkopzet en architectonische lijnen. Je moet duidelijk maken wat de plannen betekenen voor hun huis en woonomgeving, en de huurprijs.’

De vernieuwingsaanpak die de gemeente Utrecht en de drie corporaties in Kanaleneiland Zuid volgen laat zich duiden als een restauratieve aanpak met bovenmatige aandacht voor de openbare ruimte. In het document Vooruit in Kanaleneiland Zuid staat te lezen: ‘Voor de vernieuwing van de woningen en de woonomgeving zal worden teruggegrepen op het oorspronkelijke ontwerp en zal bekeken worden wat er moet gebeuren om oorspronkelijke kwaliteiten terug te halen.’

In plaats van per stedenbouwkundig stempel of per flatcomplex renovatieplannen te maken, hebben de gemeente en de corporaties op wijkniveau ambities geformuleerd en afspraken gemaakt. Die gaan over de verbetering van de lange ontsluitingsassen, het herontwerp van het Marco Poloplantsoen, de uitstraling van de portiekflats, de herinrichting van binnenstraten en het toevoegen van nieuwbouw op vrijgekomen plekken – doordat scholen en andere voorzieningen geclusterd worden. De afspraken bieden een kader voor de renovatieplannen die de corporaties afzonderlijk en per flat opstellen.

Deze manier van werken lijkt te breken met het dogma van ‘sloop-nieuwbouw’ dat jarenlang in veel herstructureringsplannen de boventoon voerde – zoals voor de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam en Overvecht. In de voormalige beleidsnota De Utrechtse Opgave (DUO), waarin de gemeente haar kijk op herstructurering van probleemwijken uiteen zette, had sloop een prominente rol. In Kanaleneiland Zuid gaat het anders: de oorspronkelijke kwaliteiten van het stedenbouwkundig ontwerp, de openbare ruimte en de bebouwing worden ingezet om de wijk een tweede leven te geven. Volgens Gera Esser van Mitros is dat bijzonder, maar niet uniek. ‘We werken op meer plekken zo. In Kanaleneiland Noord hebben we voor bepaalde delen bestaande structuren als uitgangspunt genomen.’

Vindt in Zuid dan geen koerswijziging plaats? De aanpak is toch duidelijk anders dan in Kanaleneiland Noord en Overvecht, waar veel meer de sloophamer wordt gehanteerd?
Gemeentelijk projectleider Mark Kauw legt uit: ‘Voor elke wijk zoeken we naar een passende aanpak. Dat doen we door een wijkanalyse te maken: wat is de staat van de voorraad, hoe is de bevolkingsamenstelling, welke kwaliteit heeft de openbare ruimte? Daarna kijken we per flat: hoe is de kwaliteit, wat is bijzonder, zijn bewoners tevreden, welke ingrepen op het gebied van energie zijn noodzakelijk? Op basis hiervan kwamen we voor Kanaleneiland Zuid tot de conclusie dat de wijk voldoende kwaliteiten heeft en de sociale structuur dermate sterk is dat een restauratieve aanpak mogelijk bleek.’

Wat zijn die kwaliteiten?
Paula Sangers: ‘Op gebouwniveau gaat het om belijning, betonkaders, horizontale raampartijen. Op wijkniveau is het de ruime en groene opzet van de stempels met afwisselende buitenruimten.’
Kauw: ‘Minder tastbaar, maar wel degelijk aanwezig is het idealisme waarmee de wijk in de jaren zestig is gebouwd. Het was de wijk van de vooruitgang, waar mensen ruime en lichte flats betrokken, nadat ze jarenlang met grote gezinnen in donkere en kleine woningen in de oude stad hadden gewoond. Van dat vooruitgangsgevoel willen we gebruik maken, op een hedendaagse manier.’

Dit soort kenmerken geldt ook voor Kanaleneiland Noord en Overvecht. Waarom is de aanpak daar rigoureuzer?
Kauw: ‘Dat heeft met de aard van de problemen te maken. De woningen in Zuid zijn in een veel betere staat. De sociale problematiek is niet zo groot als in vergelijkbare wijken.’
Aletta Koster: ‘Veel wordt bepaald door het budget dat beschikbaar is. Hoe kleiner de problematiek, hoe meer ruimte ontstaat om in te spelen op bestaande structuren en kwaliteiten en aandacht te geven aan architectonische aspecten.’

Dat klinkt als een zwaktebod. Alsof een dergelijke aanpak alleen mogelijk is waar de problemen niet groot zijn.
Sangers schudt het hoofd: ‘Het is eerder van belang dat die kwaliteiten zichtbaar en bruikbaar zijn. In tegenstelling tot Kanaleneiland Noord is de stedenbouwkundige structuur in Zuid nog gaaf. Het oorspronkelijke ontwerp is veel beter zichtbaar. Natuurlijk zijn er versleten plekken, natuurlijk zijn meer auto’s, maar in beginsel biedt de structuur voldoende aanknopingspunten.’
Koster: ‘Het is de tijdsgeest. Jarenlang zijn complexen gesloopt of gerenoveerd, zonder oog te hebben voor de architectuur of de historische betekenis. In de jaren tachtig is vrijwel de gehele voorraad gemoderniseerd en zijn architectonische details uitgewist.’ Kauw: ‘Dat is ook gebeurd in de openbare ruimte. Groene plekken zijn ‘versteend’ om ze onderhoudsvrij te maken.’
Sangers: ‘De aandacht voor de geschiedenis is toegenomen. Het is weer hip om in een jarenvijftigwoning te wonen.’

Dus toch een omslag.
Sangers: ‘Ja, maar ergens ook weer niet. Ons kantoor zit in Kanaleneiland Zuid, dus elke dag ervaren we die wijk. De architectonische en stedenbouwkundige kwaliteiten zijn voor ons zeer vanzelfsprekend.’
Koster: ‘Ik heb binnen Portaal wel degelijk collega’s moeten overtuigen van deze aanpak. Portaal zit in het hele land, en elders moeten ook doelstellingen gehaald worden. Resultaten zijn belangrijk, en niet iedereen ziet direct dat die door een zorgvuldige gebiedsaanpak als in Kanaleneiland Zuid gehaald kunnen worden.’
Gera Esser: ‘Soms roept het begrip restauratieve aanpak verkeerde associaties op. Een aanpak als deze vergt vooral in het begin veel tijd en energie. Maar dat betaalt zich later uit: door een zorgvuldige benadering kan de uitvoering sneller ter hand worden genomen.’

Momenteel is Kanaleneiland Zuid vooral een doorgangswijk, waar gezinnen na een paar jaar vertrekken richting Leidsche Rijn. Volgens Mark Kauw is de nadruk op het vasthouden van bewoners een nieuwe stap. ‘Eerder deden we verwoede pogingen om nieuwe groepen van buiten Kanaleneiland naar de wijk te trekken – bijvoorbeeld door woningen in het hogere segment te bouwen. Door heel specifiek verbeteringen aan te brengen en de oorspronkelijke kwaliteit aan te zetten, willen we bewoners die anders zouden vertrekken verleiden om in Kanaleneiland te blijven.’
Hij vervolgt: ‘Een speciale doelgroep zijn de ouderen die er al vanaf het begin wonen. We willen hen mogelijkheden bieden om zo lang mogelijk in hun vertrouwde buurt te blijven.’ Paula Sangers: ‘Kanaleneiland moet geen een gedwongen keuze zijn, voor mensen die nergens anders een woning kunnen vinden. Kanaleneiland moet een wijk zijn waar mensen die stijgen op de sociale ladder graag willen blijven.’ Het opknappen van de portiekflats heeft prioriteit met inachtneming van de architectonische kwaliteiten. Er wordt gesproken over energiemaatregelen, het vernieuwen van de kleurstelling, het ombouwen van garages en het verbijzonderen van de kopgevels.

Esser: ‘Het is niet zo dat we deze maatregelen allemaal op dezelfde manier ter hand nemen. Op hoofdlijnen hebben we maatregelen bepaald, maar iedereen geeft daar een eigen invulling aan. Wij vergroten bijvoorbeeld de balkons, met behoud van de kozijnen en balkonafscheidingen.’
Sangers: ‘Differentiatie tussen de complexen is goed, anders gaat alles op elkaar lijken. Zelfs binnen onze eigen voorraad leggen we accenten. Een deel van de kwaliteit wordt bepaald door de identiteit en het karakter van het flatgebouw. Op wijkniveau heeft Zuid een gezicht, maar per blok en stempel ook.’ Aletta Koster nuanceert: ‘We merken wel dat sommige architectonische details, die als waardevol zijn aangemerkt, botsen met ingrepen die nodig zijn op het gebied van CO2-reductie.’

Een ander probleem is het ontbreken van liften in de portiekflats. Hoe zorg je dan dat de ouderen, die er al veertig jaar wonen, blijven?
Sangers: ‘Het besluit om geen liften te plaatsen is gebaseerd op een studie van architect Endry van Velzen. Hij kwam voor de hele wijk tot de conclusie dat het plaatsen van liften erg kostbaar zou zijn. Daarom zorgen we voor voldoende nieuwbouw op vrijgekomen plekken, waarin de appartementen wel per lift bereikbaar zijn.’
En de ouderen willen daar heen verhuizen?
Kauw: ‘Ja, er zijn genoeg oudere bewoners die heel graag in Kanaleneiland Zuid willen blijven.’

Op ruimtelijk en stedenbouwkundig niveau ligt de nadruk op de herinrichting van de binnenterreinen in de stempels en het opknappen van de directe omgeving van de flats. De kwaliteit de plekken wisselt, van slecht en onveilig tot mooi en toegankelijk. Een complicerende factor is de eigendomsituatie – die zeer versnipperd is. Mark Kauw: ‘Een generieke aanpak is niet mogelijk. Binnen de gemaakte afspraken moeten we per stempel en per straat bepalen wat we gaan doen.’

Bewoners hebben hierbij veel invloed.
Kauw: ‘Inderdaad. Het idee is dat mensen zich verantwoordelijk gaan voelen voor de buitenruimte, dat door een nieuwe inrichting de plek betekenis voor ze krijgt, en dat ze daardoor bereid zijn mee te helpen in het beheer en onderhoud.’

Werkt dat? Er zijn genoeg voorbeelden waaruit blijkt dat het merendeel van de bewoners zich niet bekommert om de buitenruimte.
Gera Esser: ‘Daarom moet die ruimtes een facelift krijgen, die aansluit bij de wensen van bewoners. We houden straatinterviews om te achterhalen wat mensen willen en verwachten. Dat moet je vertalen naar een plan en inrichting. Dit alles wel binnen strakke kaders: wat is veilig, wat past bij Kanaleneiland?’

Waarom komt er niet overal gras? Dat is makkelijk in onderhoud en kinderen vinden het geweldig.
Paula Sangers: ‘Dan komt de diversiteit om de hoek kijken, dat er verschil moet zijn tussen de speelmogelijkheden in de binnenterreinen, de parkeergelegenheden in andere gebieden en de verkeersfunctie van de voorstraten. Met variatie kun je zorgen dat mensen zich bepaalde ruimtes toe-eigenen en meedoen in het dagelijkse beheer.’

Tot slot: het plan `Vooruit in Kanaleneiland Zuid’ gaat vooral over fysieke ingrepen. Hoe is het gesteld met het sociale traject?
Mark Kauw neemt het woord: ‘Ik zie dit plan als een manier om fysieke en ruimtelijke voorwaarden te creëren om de wijk verder te brengen. Daarbinnen moet op sociaaleconomisch vlak van alles gebeuren. Daarom is tegelijkertijd een wijkactieplan gemaakt, door de gemeente en de corporaties. Hierin staan projecten die nog met Vogelaargeld worden betaald.’ Hij noemt een voorbeeld: ‘Het nieuwe jongerencultuurhuis is een plek waar jongeren activiteiten doen, cursussen volgen, elkaar ontmoeten. Verder zijn er plannen voor een brede school – waar jongeren ook na schooltijd terecht kunnen.’