‘Een gebouw moet zich correct gedragen’

De Vlaamse architect Christine de Ruijter is juryvoorzitter van de elfde Rietveldprijs. ‘Ik zou er zenuwachtig van worden als die prijs alleen om het beeld zou gaan.’

Door: Mark Hendriks

Op de vraag of het juryvoorzitterschap haar iets heeft geleerd, moet Christine de Ruijter zich even bezinnen. Dan: ‘Het geeft me vertrouwen dat ontwerpers in staat zijn kwaliteit te leveren, zonder dat de opgave per se spectaculair is, de opdrachtgever per se inspirerend, of het budget eindeloos. Architecten stijgen ook in de beantwoording van banale vragen boven zichzelf uit. Het biedt energie en inspiratie wanneer in het ontwerp van een alledaagse opgave een laag wordt toegevoegd.

Neem het Dienstgebouw A2 voor de A2-tunnel van Quist Wintermans – in de basis niet meer dan een utilitair gebouw. De architecten kozen ervoor dit object in een rijke traditie te plaatsen: de vorm past uitstekend in de reeks industriële ventilatiegebouwen die we uit de jaren vijftig en zestig kennen. Het gebruik van natuursteen geeft het volume een klassieke uitstraling. Bovendien, het gebouw heeft geen publieke functie, maar speelt wel een belangrijke rol op het plein dat daar langzaam ontstaat.’

De Vlaamse stedenbouwkundig architect Christine de Ruijter (1968) is partner bij awg architecten, het Vlaamse bureau dat ooit werd opgericht door Bob van Reeth. De jury die zij voor de Rietveldprijs voorzit, bestaat voorts uit architect Frits van Dongen, stedenbouwkundige Donald Lambert en architectuurhistorica en publiciste Indira van ’t Klooster. In het ruime en verassende kantoor van awg aan de Antwerpse Paardenmarkt praat ze over de tien projecten die kans maken op de felbegeerde Utrechtse architectuurprijs.

‘Dit pand was ooit het huis van Bob van Reeth, de huiskamer met brede ramen gebruiken we nu als vergaderzaal en bibliotheek. Ondanks dat het nu helemaal in gebruik is voor ons bureau, voelt het nog steeds als een huis. Elke kamer is anders en daardoor heeft elke ruimte een eigen sfeer. Die variatie en uitstraling zijn uitermate belangrijk voor een plek waar je een groot deel van de week vertoeft.’

Is dat een reden waarom het kantorenpand Creative Valley van Monk Architecten is geselecteerd?
‘Vanuit kantorenoptiek onderscheidt dat gebouw zich geweldig. De differentiatie in werkruimtes voorziet niet alleen in flexibel gebruik, het geeft ook identiteit. In dat gebouw wil je als ondernemer of werknemer gezien worden. Ik heb gehoord dat mensen daar veelvuldig de trap gebruiken, juist vanwege de prettige atmosfeer. Dat is beter dan anoniem met de lift naar je hok gaan, zoals in zoveel marktconforme kantoordozen gebeurd.’

Waarom zei u ja tegen het voorzitterschap?
‘Sowieso doe ik graag mee aan dit soort dingen. Ik werk veel in Utrecht (awg is onder meer verantwoordelijk voor de appartementen op de Mariaplaats en in de Dichterswijk en werkt momenteel aan Leidsche Rijn Centrum, red.) en ik ken de stad dus goed. Bovendien spreekt het motto van de Rietveldprijs me aan. Gebouwen worden niet als object beoordeeld, en de invloed op de omgeving is van essentieel belang. Een gebouw moet een cadeau voor de stad zijn, zich correct gedragen in het stedelijk weefsel. Ik zou zenuwachtig worden als de prijs alleen om het beeld zou gaan, of om de interne organisatie.’

Het is toch logisch om bij een architectuurprijs een gebouw niet enkel op zijn verschijningsvorm te beoordelen.
‘Zo vanzelfsprekend is het niet. Als ik kijk naar het architectuurjaarboek of sommige tijdschriften: die zijn heel erg gericht op het object an sich. Context of betekenis voor de stad lijken geen rol te spelen.’

Dat klinkt zorgwekkend.
‘Gelukkig valt het in de praktijk mee. Als architect kun je niet om de context en de geschiedenis van een plek en de welstand en ga zo maar door heen, en dat moet je ook niet willen.’

NOMINEREN
Voor de selectie van tien projecten bekeek de jury bijna honderd Utrechtse projecten uit de afgelopen twee jaar. Na een snelle schifting bleven 25 projecten over, die door De Ruijter en haar jury zijn bezocht. Na die bezoeken zijn tien projecten gekozen die op de Dag van de Architectuur op 26 juni kans maken op een nominatie voor de Rietveldprijs, die uiteindelijk in oktober wordt uitgereikt. Het voordeel van deze stapsgewijze werkwijze is volgens De Ruijter dat een jury meer mogelijkheden heeft om belangwekkende thema’s voor het voetlicht te brengen. ‘Als je in een keer een winnaar moet aanwijzen, gaat alle aandacht naar dat project. Nu hebben we de mogelijkheid om via tien projecten verschillende aspecten, schaalniveaus en thema’s te belichten. Sommige projecten missen de kwaliteit om de Rietveldprijs daadwerkelijk te winnen, maar snijden wel een urgente thematiek aan.’

Wat zijn thema’s die jullie willen belichten?
‘Bijvoorbeeld de omgang met infrastructuur, zoals getoond in het Bediengebouw A2 en The Wall van VVKH. De woningen van Spring Architecten in Rivierenwijk zijn een voorbeeld van hoe in vooroorlogse wijken sloop en nieuwbouw op een juiste manier hun beslag kan krijgen.’

De lijst bevat relatief veel woningbouw, ook voor particulieren. En de architectuur oogt in een aantal gevallen degelijk, ietwat traditioneel. Is dit typerend voor de Utrechtse productie van de afgelopen twee jaar?
‘Ik spreek liever van bescheiden. Een spectaculair project zoals de universiteitsbibliotheek van Wiel Arets op De Uithof zat er niet bij. Overigens, de nieuwe Universiteitsbibliotheek aan de Drift was bijna geselecteerd. Het is weliswaar vooral een interieur, maar de keuze om de gevel van het historische paleis intact te houden, en de entree enkel te markeren met een nieuwe monumentale poort is wel degelijk van invloed op de straat en de stad. Verder is alleen nog maar de eerste fase gereed dus we laten het graag aan een volgende jury dit project in zijn totaliteit te beoordelen.’

Terug naar de selectie: is de architectuur degelijk en traditioneel?
‘Er zitten vleugjes traditionalisme in sommige projecten. Maar het knappe is dat er altijd een eigentijds stempel is meegegeven. De woningen van Theo Verburg in Het Zand zijn geen retro jarendertigkopieën. Het zijn woningen van nu, geïnspireerd op een stijl die mensen aanspreekt. In dit soort projecten is de vraag vooraf: gaan we het Brandenvoortspelletje spelen of maken we, heel modern, elke straat hetzelfde? Theo Verburg is er in geslaagd een buurtje te maken dat als een geheel herkend wordt, maar waar wel elk huis – onder meer door de verspringende rooilijnen – een eigen karakter heeft. Daarmee combineert hij twee belangrijke zaken: wat willen mensen en hoe creëer ik aangename straten en ruimtes?’

Is dat niet toe te schrijven aan het sterke stedenbouwkundig ontwerp waarbinnen Verburg heeft moeten werken?
‘Het is de vraag wie waar verantwoordelijk voor is. Ik denk in dit geval dat de ontwerpideeën van de architect van grote invloed zijn geweest op het succes van het buurtje. Het systeem van parkeren in de binnenhoven is afkomstig uit het stedenbouwkundig plan, maar het werkt vooral zo goed door de poorten die Verburg heeft ontworpen.’

Er ontbreken overigens ruimtelijke projecten, zoals in de editie van 2009.
‘We zijn in Leidsche Rijn Park geweest en we vonden dat het te vroeg was om het te selecteren. Ik stond daar op een van die bruggen en het voelde nog niet als vanzelfsprekend. Dan moet je wachten.’

Op de Dag van de Architectuur moet de jury na tien presentaties bepalen wie genomineerd wordt. Dat moet in een kort tijdsbestek, dus spreken de juryleden met elkaar over scherpe criteria. Gedacht wordt aan het vernieuwende karakter van een project, de vormgeving van het gebouw zelf en, uiteraard, de interactie met de omgeving. Christine de Ruijter noemt tijdens het interview regelmatig het begrip ‘voorbeeldigheid’. ‘Als juryleden zijn we werkzaam in de praktijk. We weten welke opgaven spelen, we kennen het klappen van de zweep en we zijn dus goed in staat te beoordelen wanneer een project voorbeeldig is.’

Wat is dat, voorbeeldig?
‘Dan kom je weer uit op wat ik eerder zei: gedraagt een gebouw zich correct in de stad? Het gaat om fijngevoeligheid. Is de ontwerper in staat gebleken op natuurlijke wijze iets toe te voegen? Theo Verburg is daarin geslaagd en Quist Wintermans ook met hun Bediengebouw A2. De locatie van de particuliere projecten (zoals de woonhuizen van Noordwest6, N2 architecten en Asnova, red.) is steeds goed gekozen. De moderne villa van Noodwest6 in Terwijde is prachtig gesitueerd op een cruciale plek in de wijk: op de kop van een watergang.’

Geldt dat ook voor misschien wel het meest in het oog springende project: Het Zwarte Huis van Jan Bakers in de Lange Nieuwstraat?
‘Het is – werkelijk waar – prachtig hoe dit moderne kantoor annex appartementencomplex vanaf die strategische plek in de bocht reageert op de historische straat.’

Is die bescheidenheid en fijngevoeligheid Utrechts te noemen?
‘Tja, als je het vergelijkt met Amsterdam wel. Daar worden voor De Gouden Aap meer iconische projecten genomineerd. Wat mij overigens opvalt is dat in Utrecht de drang naar historiserende stedenbouw en architectuur, zeg maar het Brandenvoortspelletje, nog amper lijkt doorgedrongen, op het wijkje van Rob Krier in Vleuterweide na.’

En dat is goed.
‘Ja. Brandenvoort heeft kwaliteiten, op het gebied van openbare ruimte, hiërarchie en de overgang tussen privé en openbaar. Maar overal in Nederland leidt dit nostalgische terugkijken tot dezelfde wijkjes. Het is beter om voort te bouwen in plaats van terug te kijken, want eerlijk gezegd leidt terugkijken tot een flinterdun beeld, een illusie.’

Heerst in Utrecht een cultuur van voortbouwen?
‘Dat weet ik uit eigen ervaring. Voor de Mariaplaats zijn we eerst uitvoerig voorgelicht over en meegenomen in het verhaal van die historische plek, om daarna wel de ruimte te krijgen een eigentijds ontwerp te maken. En misschien voelt de Utrechtse bevolking zich niet aangetrokken tot ‘oppervlakkige’ retroplannen. Dat een fijngevoelig project als dat van Theo Verburg in de grootste Vinex-wijk van Nederland ligt, zegt genoeg.’