Veranderende inzichten

HERGEBRUIK VAN DE ENERGIECENTRALE IN LAGE WEIDE

De Centrale Lage Weide is een beeldbepalend gebouw aan de westkant van Utrecht. Toch is het al lange tijd niet veel meer dan een omhulling van leidingen en enkele machines. Het is dan ook verrassend te horen dat eigenaar NUON het idee heeft opgevat om het kantoorgedeelte intensief in gebruik te gaan nemen. Dit zou een goede ondersteuning zijn van het gezamenlijke voornemen van de gemeente en bedrijven om het bedrijventerrein Lage Weide te upgraden. Dat nu juist één van de meest iconische gebouwen daarbij een rol kan spelen, moet onmiddellijk toegejuicht worden. Het is namelijk nog geen tien jaar geleden dat een poging om de rol van dit gebouw een extra impuls te geven mislukte. Toen waren de geesten er blijkbaar nog niet rijp voor.

Door: Bettina van Santen en Froukje van der Meulen

De energiemarkt verandert continu, maar met name eind jaren negentig waren er grote ontwikkelingen. De heilig verklaarde marktwerking werd toegepast op allerlei overheidsbedrijven die werden opgedeeld en verzelfstandigd en/of verkocht. De Utrechtse centrale op Lage Weide werd in de jaren vijftig gebouwd als het Provinciaal en Gemeentelijk Utrechts Stroomleveringbedrijf (PEGUS). De letters maken tot op de dag van vandaag prominent onderdeel uit van een groot mozaïek in de hal van het kantoor. In het kader van de Elektriciteitswet 1989 werden productie en distributie gescheiden. De productieeenheden van het P.E.N. (Noord-Holland), het PEGUS (Utrecht) en het GEB Amsterdam werden ondergebracht in een apart productiebedrijf genaamd UNA (Utrecht, Noord- Holland, Amsterdam), dat gezamenlijk eigendom werd van de Provincie Noord-Holland, de Gemeente Amsterdam en de N.V. PEGUS, waarin de provincie en de gemeente Utrecht deelnamen. In 2000 kocht het Amerikaanse bedrijf Reliant voor een paar miljard de UNA. Ir. A. van der Steur kreeg in 1950 de opdracht om de PEGUS-centrale te ontwerpen. De architect had al meerdere centrales op zijn naam, maar ook het Rotterdamse Museum Boijmans van Beuningen en de EN-EN gebouwen in Den Haag. Toen Van der Steur plotseling overleed maakte zijn partner G. Drexhage het ontwerp af, maar de PEGUS directie vond zijn ontwerp veel te modern. Zij gunde de opdracht vervolgens aan architect G. Hamerpagt met het verzoek om in de geest van Van der Steur te werken.

De ontwerpen van de Rotterdammer Van der Steur waren stijlvol en monumentaal en boden een tussenweg tussen modern en traditioneel. Zijn gebouwen zijn te herkennen aan de monumentale bakstenen gevels met beeldbepalende vensterreeksen en klassieke elementen zoals kroonlijsten en zuilen. De Utrechtse Centrale heeft ook die monumentale uitstraling, met name door de hoge bakstenen gevels met hun verticale venstergeleding. Het beeld van dit indrukwekkende industriële gebouw aan de rand van de stad werd gecompleteerd door eerst één en later drie hoge schoorstenen.

Het PEGUS gebouw is in de loop der tijd voortdurend aangepast. Zo was het enige decennia voor de definitieve sluiting al geen kolencentrale meer en waren de kolentransportband en de kolenopslag verdwenen. Ondanks wijzigingen in het interieur en het afbreken van twee van de drie schoorstenen, bleef de hoofdopzet behouden en behield het gebouw zijn krachtige uitstraling. Midden jaren negentig was er nog een (tevergeefse) lobby om de tweede van de 110 meter hoge schoorstenen te behouden en daarmee het fantastische beeld van de ‘twintowers’ overeind te houden.

EEN ZICHTBARE SNEDE
In 2000 kocht Reliant de UNA en in 2002 vroeg ze een sloopvergunning aan voor een groot deel van de Utrechtse Centrale. Er kwam toen een kortstondige, maar hevige lobby op om het gebouw in zijn geheel te behouden. De karakteristieke verschijning met de overgebleven schoorsteen bleek in het nieuwe millennium nog aan betekenis te hebben gewonnen als centraal beeldmerk tussen de bestaande stad en de nieuwe wijk Leidsche Rijn. De ligging op de grens van oud en nieuw en aan de rand van het nieuwe centrum Leidsche Rijn smeekte er bijna om het gebouw te behouden als icoon en een Nederlandse variant van de Tate Modern. Helaas was de realiteit weerbarstig. De eigenaar Reliant vroeg sloop aan van de schoorsteen, een deel van de grote hal (met de klok) en het kantoor aan de voorzijde. Men had deze delen simpelweg niet meer nodig. Omdat het gebouw niet beschermd was kon de sloopvergunning niet worden geweigerd. Een verzoek tot bescherming als monument werd niet opportuun geacht door B&W en helaas reageerde de toenmalige rijksbouwmeester niet op een verzoek om ‘iets te doen’.

Toch bestond er binnen de gemeente wel draagvlak om de discussie aan te gaan. Er zijn zelfs gesprekken gevoerd met Reliant. De insteek was Reliant bereid te vinden om het bestaande gebouw en de schoorsteen voorlopig niet te slopen, maar de mogelijkheid te bieden om de leegstaande delen voor tien jaar te hergebruiken. De inkomsten hiervan zouden gebruikt worden voor onderhoud aan de gebouwen. Een uitstel van tien jaar bood vooral de mogelijkheid om op dat moment geen onomkeerbare keuzes te maken. Wie weet waar de energiemarkt over tien jaar stond en wie weet welke behoeften er over tien jaar zouden bestaan?

Binnen de gemeente werden scenario’s bedacht om een deel van de grote hallen te gebruiken voor opslag, tijdelijke huisvesting of bijzondere activiteiten. Voor de schoorsteen werd contact gezocht met een mediabedrijf dat bemiddelde in reclame op zichtlocaties. De schoorsteen was immers een fantastische zichtlocatie en de gemeente was bereid reclame hier toe te staan als inkomsten voor onderhoud van de schoorsteen.

De onderhandelingen hadden een gedeeltelijk positief effect. Uiteindelijk bestond voor Reliant geen directe noodzaak om het kantoor te slopen, of de schoorsteen. Eén van de grote hallen moest echter wel gesloopt worden. Alle ideeën over hergebruik werden terzijde geschoven: de hallen waren te duur om te onderhouden en er mochten uit veiligheidsoverwegingen geen mensen toegelaten worden op het terrein. En zo kwam het toch van – zij het gedeeltelijke – sloop. In nauw overleg met Welstand werd de ‘snede’ in het gebouw zo zichtbaar mogelijk gehouden. Dit zien we tot op vandaag. Nog geen jaar later verkocht Reliant zijn centrales aan NUON.

NEDERLANDSE TATE MODERN
Af en toe oppert iemand weer het idee dat de centrale herbestemd zou moeten worden als een Nederlandse Tate Modern. Deze centrale stond dertien jaar leeg voordat Londen besloot om het gebouw te hergebruiken als museum. Inmiddels is de Tate Modern uitgegroeid tot een van de succesvolste musea voor moderne kunst ter wereld, en een van de bekendste voorbeelden van hergebruik. In januari 2010 is het startsein gegeven voor een uitbreiding van de Tate, waarvoor een ander deel van de oude energiecentrale wordt hergebruikt: de ondergrondse olieopslagruimten worden verbouwd tot expositiezalen. Hier bovenop zal een nieuwe façade verschijnen in de vorm van een asymmetrische piramide van doorschijnend baksteen.

In Utrecht zou men zich moeten verheugen over de wens van NUON om de monumentale kantoorvleugel van de centrale aan de Lage Weide intensief in gebruik te nemen. De imposante, hoge ruimtes zouden volgens deze plannen intern verbouwd worden – een praktische keuze, omdat afbraak van het kantoorpand door de ligging tussen de energiecentrale en het middenspanningsstation problematisch zou zijn vanwege een leidingentracé door het kantoorpand. Bovendien leent de structuur en de indeelbaarheid van het gebouw, waarin oorspronkelijk de functies van kantoor, sanitaire ruimtes, magazijn en werkplaats verenigd werden, zich uitstekend voor een tweede leven. Door te kiezen voor hergebruik blijft het kantoorpand behouden en wordt de eenheid van energiecentrale en kantoorvleugel niet nog verder ontmanteld. De ontwikkeling van het nieuwe bestemmingsplan voor Lage Weide maakt het echter nog onzeker of deze plannen doorgang kunnen vinden. In elk geval is het een prijzenswaardig initiatief in een tijd dat bedrijventerreinen één van de grootste ruimtelijke problemen van Nederland zijn.