Sluijmer en Van Leeuwen: Utrecht ontgroeid?

Op een steenworp afstand van de Dom, op de hoek Oudkerkhof – Korte Jansstraat, is de afgelopen maanden een opvallend modernistisch pand met veel staal en glas verrezen. Het onderste gedeelte is als kledingwinkel in gebruik en de bovenste verdiepingen worden tot appartementen verbouwd. Het project, dat dit voorjaar opgeleverd wordt, is onmiskenbaar het werk van architectuurbureau Sluijmer en Van Leeuwen.

Froukje van der Meulen

BINNENSTEDELIJKE PROJECTEN
Al vanaf de oprichting van het bureau in 1988 richten Hans Sluijmer en Michael van Leeuwen zich op binnenstedelijke projecten. Vaak zijn dat complexe opgaven, omdat de ruimte beperkt is en de omgeving gevoelig. Met een knap staaltje architectonische efficiëntie en de overtuiging dat moderne architectuur in de binnenstad past, zonder de historische omgeving aan te tasten, is het bureau al die jaren aan de slag gegaan. De ontwerpen kenmerken zich daarnaast door uitgesproken, eigenzinnnig materiaalgebruik. Hoogtepunt is het Sluijmerhuisje, het beroemde glasgeparelde metalen pand aan de Drift op een kavel van slechts vijftien vierkante meter. Ook met andere projecten, zoals de blauwbetegelde ‘sandwichwoningen’ op de Nobeldwarsstraat en de Havenpost (restaurant Divinatio) aan de Veilinghaven, leverde het bureau beeldbepalende verschijningen in Utrecht.

BEUKENBURG
Toch kijken Sluijmer en Van Leeuwen al jaren verder dan de grenzen van de Utrechtse binnenstad. In 2003 kregen zij de opdracht van de Stichting Utrechts Landschap om de mogelijkheden te onderzoeken voor het bouwen van een woonhuis op het landgoed Beukenburg, ten oosten van Groenekan. Het was nogal een uitdaging om een villa te bouwen midden in de beschermde natuur. Net als in de binnenstad moest hier rekening gehouden worden met een kwetsbare omgeving. Daarom is gekozen voor een ijle, lichte constructie in weinig opvallende en natuurlijke bouwmaterialen. Een ‘Sluijmer en Van Leeuwen’ laat zich vaak kenmerken door het door-en-door gebruik van één materiaalsoort, maar hier is gekozen voor een combinatie van hout, glas en koper. De opvallende materiaalexperimenten met het koperen dak aan de oostgevel en de glasstrips gevat tussen houten delen aan de westgevel, maken de villa toch weer tot een kenmerkend ontwerp voor dit bureau.

BEDRIJF STERK
Steven Sterk is een veel voorkomende naam in de portefeuille van Sluijmer en Van Leeuwen. De eigenaar van de boekengroothandel liet in de Servetstraat al eerder zijn winkel en bovenverdieping door hen ontwerpen. In 2008 volgde de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw in Gorredijk en een woonhuis in Tjalleberd. Zo kwamen Sluijmer en van Leeuwen opeens in Friesland terecht. Het bedrijfspand van Sterk in Gorredijk omvat verschillende functies, zoals een uitgeverij, een galerie, een groothandel in boeken en een winkel. Gelegen op een bedrijfsterrein maar grenzend aan een open weiland is er geprobeerd de relatie tussen het gebouw en het Friese landschap te benadrukken.

‘Wij hebben gekozen voor de metafoor van de jager in het veld’, meldt de website, ‘de jager ziet alles, maar wordt zelf niet opgemerkt’. Door de lichtspleten in de gevel is het inderdaad alsof je je achter een rietkraag verscholen houdt. En andersom gaat de roestbruine gevel mooi samen met het landschap. Door de concentratie op het landschap en de aandacht voor duurzaamheid en milieu is dit een goede tegenhanger van de vaak fantasieloze, platte dozen die de meeste bedrijventerreinen vullen. In 2008 werd Sterk Bedrijf genomineerd voor de Vredeman de Vries Prijs, een prijs die wordt uitgereikt als erkenning voor het resultaat van een geslaagde samenwerking tussen opdrachtgever en ontwerper. Het bedrijfsgebouw is bovendien genomineerd voor de BNA-prijs Gebouw van het Jaar 2009.

BORGO
Wanneer we het spoor volgen van Sluijmer en Van Leeuwen komen we zelfs in Italië terecht. Daar worden woningen in de eeuwenoude Borgo San Michele ontwikkeld, een verdedigbaar boerengehucht in Le Marche. De borgo is nooit eerder gerestaureerd geweest, is in feite nog een ruïne. Het project staat nog in de kinderschoenen, maar belooft een veelomvattend restauratie- en nieuwbouwproject te worden.

CRISIS
Hoewel in de architectenwereld zwaar weer voorspeld wordt, heeft de kredietcrisis nog niet toegeslagen in Architectuurbureau Sluijmer en Van Leeuwen. De verscheidenheid aan opdrachtgevers en de samenwerking met betrouwbare bedrijven zorgen ervoor dat het werk nog lang niet opdroogt. Diverse grote woningbouwprojecten verspreid over heel Nederland gaan gewoon door. Wel kunnen en durven opdrachtgevers weinig risico’s te nemen en kiezen daarom voor de veilige en efficiënte weg.
Architectuurbureau Sluijmer en van Leeuwen neemt echter geen genoegen met het opleuken van standaardplannen, maar blijft zoeken naar in de tijd passende concepten. Daar passen opdrachtgevers met visie en durf bij en die blijken er nog steeds te zijn. Zo heeft Van Bekkum Projectontwikkeling onlangs samen met het Architectuurbureau veertig kwadrantwoningen in Hooglanderveen (bij Amersfoort) gerealiseerd. De vijf woonblokken van strak wit prefab beton zijn heel anders dan de omringende retro-architectuur en laten goed zien dat Sluijmer en van Leeuwen het bijzondere verkiezen boven het gewone – óók in crisistijd.

UTRECHT ONTGROEID?
Van de postzegelarchitectuur in de Utrechtse binnenstad naar een Italiaanse borgo – Sluijmer en Van Leeuwen lijken hun grenzen flink te hebben verlegd. Toch lijken in feite alle genoemde projecten op elkaar. Het bewustzijn van de omgeving is belangrijk in zowel binnenstedelijke als landschappelijke, industriële en restauratieprojecten. Ook de voorkeur om steeds één materiaalsoort eruit te laten springen kenmerkt hun werk overal, en bezorgt ze vaak materiaalprijzen (de Staalprijs voor het Sluijmerhuisje) en nominaties (Trofee Thermisch Verzinken voor de Havenpost). Zou het met het hoekpand Oudkerkhof 48 ook weer prijs zijn? We wachten het af. In ieder geval lijkt het bureau met de aanstaande voltooiing van dit project haar wortels nog altijd stevig in de Utrechtse grond te hebben.

Met dank aan Hans Sluijmer.

Centrum Muziek XXI

Locatie: Loevenhoutsedijk
Architecten: Bar/Architecten Van Mourik
Opdrachtgever: SWK kunsthuisvesting
Oplevering: 1 juli 2009
Bouwsom: 1,8 miljoen euro
Oppervlakte: 1000 m2 bvo
Functie: muziekstudio’s en kantoren

Catja Edens

Eén van de punten waarop met de gemeentelijke cultuurvisie 2005-2008 werd ingezet, was goede culturele voorzieningen, zowel in de binnenstad als in de naoorlogse wijken en in Leidsche Rijn. Het centrum muziek XXI aan de Loevenhoutsedijk is een concrete uitkomst van dit beleid. Het project nadert zijn voltooiing en zal volgens plan op 1 juli worden opgeleverd.

Het ontwerp is van Bar architecten, een bureau dat al veel opdrachten in Utrecht verwierf. Behalve Centrum Muziek XXI, nam het in Utrecht ook de verbouwing van de Stefanuskerk en BAK (Basis voor Actuele Kunst) voor haar rekening en realiseerde het de nieuwbouw voor Plantijn Caspari, het junkiehotel aan de Maliebaan en een paviljoen voor Projectbureau Leidsche Rijn. Bar is bijzonder bedreven in het ontwikkelen van publieke gebouwen op de tussenschaal, in een stijl die in Utrecht erg aanslaat. Het zijn opgewekte, verzorgde gebouwen met veel aandacht voor materiaal en detaillering en nergens de schijn van een pasklare oplossing.

Het Centrum Muziek XXI zal worden gebruikt door Stichting Muziekhuis Utrecht voor ondersteuning, productiemanagement, pr en hulp bij educatieve activiteiten voor Utrechtse muziekensembles. Die vinden hier een grote try-outzaal, twee studio’s, eenvoudige horeca en kantoorruimte. De bedoeling is met het centrum het muzikale leven te stimuleren door een plek te bieden waar groepen aan hun producties kunnen werken en onderlinge banden aan kunnen gaan. Centrum Muziek XXI is dus geen podium met een vastgelegde programmering, ook al kunnen er wel sessies en try-outs worden bijgewoond.

Het gebouw staat in de Hoogstraatbuurt, tussen Ondiep en Overvecht, ten oosten van de Rodebrug. Daar zal langs de Loevenhoutsedijk een nieuw woningbouwcomplex verrijzen van Mei architecten. Het Centrum Muziek XXI komt op de kop te liggen tegenover het waterzuiveringsterrein. Opvallend: juist op de plek waar door geluidbelasting geen woningen kunnen komen, wordt het centrum voor muziek gebouwd.

Er is uitgegaan van een maximaal bouwvolume waarin een snede van 45 graden is gemaakt om daglichttoetreding in de aangrenzende woningen en tuinen te kunnen garanderen. In het gebouw zijn de zaal voor try-outs en de muziekstudio’s om geluidstechnische redenen gescheiden. De try-outzaal werd een langwerpig hoog volume met schuin dak, grenzend aan de tuin en garage van de naastgelegen woning. De studio’s zijn twee gestapelde driehoekige volume’s die los van de grond in de punt van het gebouw liggen. Tussen beide delen ligt een zone met allerlei facilitaire functies zoals entree, trappen en foyer. De kantoorruimtes aan de straat verbinden het gebouw direct en functioneel met zijn omgeving.

Het hele gebouw is uitgevoerd in groene kunststof recyclaat planken (kunstloods) met voor de tussenruimte vier tinten groengekleurd zonwerend glas. Het monochrome kleurgebruik maakt het stelsel van ruimtes tot een eenheid die zich opvallend in zijn omgeving zal manifesteren. Ook hier is cultuur en maken mensen mooie dingen, zegt dit gebouw.

Vrije kavels revisited

Enkele jaren geleden besteedde Post Planjer aandacht aan vrije kavelbouw in Utrecht. Het merendeel van de 550 vrije kavels is te vinden in Leidsche Rijn en werd de afgelopen jaren per project uitgegeven en bebouwd of gaat in de nabije toekomst in de verkoop. Voor elk project gelden eigen stedenbouwkundige randvoorwaarden en steeds wordt een andere regie gevoerd. Post Planjer zet twee vrije kavelwijken tegenover elkaar:

Mascha van Damme & Machteld Kors

De grote vrijheid om te bouwen wordt als belangrijkste uitgangspunt genoemd van de eiken. De verkoopbrochure daagt potentiële kopers uit met zinnen als: ‘wie durft zijn of haar eigen identiteit op het gebied van wonen eindelijk eens helemaal uit te drukken?’ om de kopers op weg te helpen hun identiteit architectonisch tot uitdrukking te brengen, hebben verschillende architectenbureaus belangeloos modern ogende voorbeeldontwerpen gemaakt. De oeverwal daarentegen is het meest geregisseerde vrije kavelproject in Leidsche Rijn, waar een romantisch en traditioneel beeld met veel water en hout de kopers over de streep moet trekken. Welke architectonische kwaliteit hebben de randvoorwaarden opgeleverd?

HÈ, GEZELLIG! DE OEVERWAL
In 2005 startte de verkoop van de vrije kavels in De Oeverwal, op de grens van de wijken Het Zand en Parkwijk-noord, even ten zuiden van de spoorlijn richting Rotterdam/Den Haag. Op de 29 vrije kavels kunnen vrijstaande of twee-onder-een kap woningen worden gerealiseerd. Niet alleen zijn de goot- en nokhoogte bepaald, ook het kleur- en materiaalgebruik zijn tot in detail beschreven. De buitenkant van de woning moet voor minstens de helft uit hout bestaan. De houten delen mogen alleen worden uitgevoerd in de pastelvarianten van grijs, blauw, groen of wit. Aanvankelijk was ook de kleur van de bewegende delen vastgelegd. Verder mag alleen baksteen, natuursteen of een ander gevelmateriaal gebruikt worden als dat aansluit bij de kleur van het hout.

De Eiken (foto John Verbruggen)

De Eiken

Van meet af aan was het de bedoeling dat De Oeverwal een eiland met houten woningen zou worden met een architectonische samenhang die aansluit bij de omringende Waterwijk en het aangrenzende Rijnsche Hout. Het gehanteerde referentiebeeld voor de Waterwijk en de vrije kavels is het historische ‘Broek in Waterland’, een dorp in Noord-Holland dat in de achttiende eeuw al bekend stond om zijn schoonheid, zowel wat architectuur als de poetsdrift van de bewoners betreft. Door de slappe grond van deze bij het IJsselmeer gelegen polder zijn de huizen in Broek in Waterland in hout opgetrokken. De in pasteltinten geschilderde huizen met houten sierwerk vormen een beschermd dorpsgezicht.

Waarom in een moderne Utrechtse VINEX-wijk door het stedenbouwkundige bureau voor dit beeld gekozen is, is wellicht gerelateerd aan de stedenbouwkundige insteek om in Het Zand zoveel mogelijk bestaande elementen te handhaven en integreren. Passend bij de kenmerkende ‘linten’, fruitbomengaarden, sloten, oude boerderijen en kassen is blijkbaar naar een romantisch architectonisch beeld gezocht.

De Oeverwal

De Oeverwal

KINDEREN VAN BOLDERBUREN

Het doel van De Oeverwal is in zekere zin bereikt. De woningen vormen een duidelijke eenheid met een gezellige uitstraling. Bij eerste aanblik doen ze vooral denken aan villa’s op het Zweedse platteland, zoals het beeld dat je krijgt bij het lezen van ‘De kinderen van Bolderburen’, en minder aan een oud-Hollands buurtje. Dit komt deels door het ontbreken van het karakteristieke houten sierwerk bij de meeste huizen. Er werd vanuit de gemeente dan ook gemikt op een ‘eigentijdse’ variant van Broek in Waterland. De architectuur varieert van traditioneel retro tot voorzichtig modern. Van hellende daken met een stevige pannen dekking, of een rieten uitschieter, grote overstekken en degelijke ramen met neproeden hier en daar, tot een strakke glazen pui, een zinken uitbouw of een noeste schoorsteen. Maar het klassieke beeld overheerst. Het gros van de bewoners lijkt behalve door de ‘vrijheid’ van de kavel vooral aangetrokken tot het romantische beeld. Door sommige bewoners die met de bouw van hun huis dicht bij het referentiebeeld zijn gebleven, worden de meer moderne villa’s niet altijd gewaardeerd. Daarentegen spreiden de moderne huizenbezitters meer lef en creativiteit ten toon om zich aan een misschien wel al te sprekend referentiebeeld te ontworstelen.

De Eiken

De Eiken

OER-HOLLANDS
Het meest treffende aan De Oeverwal is de stedenbouwkundige opzet, de rustige ligging, de groene uitstraling en het vele water. De Oeverwal is een langgerekt eiland, omgeven door een brede singel gebaseerd op een historische meander van de Oude Rijn. Het wijkje is toegankelijk via vijf bruggen. Elk bruggetje leidt naar een kort, doodlopend straatje met een hand vol woningen er omheen. Het stedenbouwkundige plan voor De Oeverwal is net als de rest van Het Zand ontworpen door het stedenbouwkundige bureau Hans Ebberink (Jessica Hammarlund Bergmann) uit Amsterdam. Het verkavelingpatroon van De Waterwijk en De Oeverwal en Rijnsche Hout volgt de loop van bestaande sloten en heeft een open structuur door de hoven die naar de singel geopend zijn, maar geeft door de bruggen en de doorlopende staten toch een kleinschalige, besloten en kindvriendelijke indruk.

Het nagestreefde Hollandse tintje komt vooral van de achterliggende huizen in Rijnsche Hout die in opdracht van Bouwfonds MAB en Mitros ontworpen zijn door Lafour en Wijk architecten. Lafour en Wijk hebben zich bij het ontwerp voor deze 164 woningen laten inspireren door ‘puur Hollandse huizen’. Het hoofdmateriaal is eveneens geschilderd hout en de bouwstijl refereert vooral aan Zaanse woningen met steile kappen van 50 graden. De geschakelde woningen en garages hebben afzonderlijke kappen, afgewisseld parallel aan of dwars op de straat. Door de zwarte, doorlopende kaders rond de gevels hebben ze een eigenwijze uitstraling.

De Oeverwal

De Oeverwal

HET WRINGT
De stedenbouwkundige opzet en het romantische ogende architectonische referentiebeeld worden niet alleen hier toegepast. Ebberink heeft een soortgelijk plan gemaakt voor Wormer. Ook hier ligt de bebouwing gegroepeerd rond besloten hoven, omgeven door tuinen en brede sloten, Ook hier verwijst de architectuur naar de traditionele Noord-Hollandse houten gebouwen. Maar hier is het beter op zijn plaats, Wormer ligt immers op een steenworp afstand van de Zaanse Schans. In Utrecht laat de wijk een surrealistische indruk achter, een Stepford Wives-gevoel dat er iets niet klopt. De wijk botst met de moderniteit van verderop gelegen bouwprojecten, opgetrokken in hard, donker baksteen, met het hoge hoofdkantoor van de brandweer (Claus en Kaan Architecten) op de achtergrond, en met de stedelijkheid van de appartementengebouwen langs de Melissekade.

Hoe vriendelijk de buurt in Utrecht ook oogt, de vraag dringt zich op waarom er in aansluiting op de omringende boerderijen, kassen en schoorstenen niet gekozen is voor een modern gebruik van ruwe baksteen, metaal, veel glas en stevige schoorstenen, in plaats van een romantisch thema uit een andere provincie. Het nieuwe eclecticisme grijpt in Utrecht echter wild om zich heen: de middeleeuwse hoven van Krier en Kohl, de raadhuiswoningen van Mullener en Mullener. Je zou willen uitroepen: Doe nou eens gek, want we doen al normaal genoeg!

VAN VENETIAANS PALEISJE TOT HUISJE-BOOMPJE
Villawijk De Eiken in Terwijde biedt wat dat betreft meer mogelijkheden. Het bestaat uit 42 vrije kavels en is hiermee, naast Leypark, de Rietvelden en Parkwijk Noord, een van de grootste vrije kavelprojecten in Leidsche Rijn. Kopers worden aangespoord buiten de gebaande wegen te denken en hun eigen identiteit te laten zien in de realisatie van hun woonhuis, om hun langgekoesterde woonwens te realiseren. In 2006 startte de verkoop en inmiddels worden de contouren zichtbaar van de als luxe en groene villawijk aangeprezen ‘De Eiken’.

De Oevelwal

De Oeverwal

STEDENBOUWKUNDIGE UITGANGSPUNTEN
De Eiken omvat een driehoekige locatie aan de rand van Terwijde direct bij de A2, opgedeeld in ruime kavels, in oppervlakte variërend van zeshonderd tot elfhonderd vierkante meter. De prijzen van de kavels beginnen bij € 310.000. Stedenbouwkundige en supervisor Stefan Bödecker heeft het stedenbouwkundig plan opgesteld en de architectonische uitgangspunten geformuleerd. Anders dan bij De Oeverwal was het hier juist de bedoeling om de natuurlijke omgeving door te zetten in de wijk. Het groen van het aangrenzende Leidsche Rijn Park gaat daarom over in een strook met drie bomen-rijen van eiken, met daarnaast een smalle rijbaan voor auto’s, geflankeerd door hagen. Deze weg omringt de buitenzijde van De Eiken. Aan de zuid- en westgrens liggen de grootste kavels, aan de twee binnenstraatjes de relatief kleinere kavels.

Om het groene karakter in de wijk te waarborgen zijn er voor de positionering van de woning op de kavel een aantal randvoorwaarden geformuleerd. Zo moesten de voor- en zijtuin minimaal zes meter diep zijn, werd er een maximale bebouwing per kavel vastgesteld en diende het parkeren op eigen grond te worden opgelost. Om een ontsierende wildgroei van schuttingen te voorkomen wordt er voorzien in hagen aan de voorzijde en krijgt elke kavelkoper een eikenboom, die in de voortuin geplaatst dient te worden.

De Eiken

De Eiken

ARCHITECTONSICHE UITGANGSPUNTEN
Net als in elke andere woonwijk is in De Eiken de architectonische vormentaal het belangrijkste middel om de buurt een identiteit te geven. De enige beperking, of uitdaging, die de toekomstige bewoners en hun architecten meekregen was een lijst met opgestelde architectonische uitgangspunten. Belangrijkste was hierin dat elk huis voorzien moest zijn van een zadeldak en een beeldbepalende voorgevel met een bijzonder, architectonisch element. Zowel de nok als de goothoogtes werden vastgesteld, om een gebalanceerde relatie tussen kap en gevel te garanderen. Om een rustig ruimtelijk beeld te krijgen, werd gevraagd niet alleen het hoofdvolume van de woning, maar ook de secundaire functies onder dit ene dak te ‘vatten’. Kortom, alle uitgangspunten moesten leiden tot een wijk gemarkeerd door grote hoge daken. Anders dan in andere vrije kavelwijken werden er zo min mogelijk beperkingen opgelegd met betrekking tot materiaalgebruik. Het materiaal en kleur van de gevels was vrij. Alleen riet, bitumen, zink, lood, koper werden uitgesloten wegens duurzaamheidoverwegingen.

De Eiken

De Eiken

RESULTAAT
Er zijn inmiddels negentien woningen bewoond en eenentwintig woningen in de ontwerpfase of in aanbouw. De dakvorm en de tuinen zorgen inderdaad voor een groen straatbeeld en samenhang tussen de woningen, hoewel er uitbundig is gevarieerd op het thema zadeldak. De diversiteit van de materialen in de gevels en het bijzondere architectonische element in de voorgevel versterken het individuele karakter van elke woning. De individuele woonwensen van de bewoners openbaren zich op een schaal van cataloguswoning, jaren dertigwoning of de eigentijdse variant op het Venetiaanse paleisje. Dit levert een bonte mix op met weinig vernieuwende architectuur. Zo is De Eiken een luxe groene villawijk geworden die amper verschilt van andere Vinex-villawijken.

In de wijk staat één blikvanger, die de architectonische mogelijkheden die de randvoorwaarden bieden daadwerkelijk benut. Deze villa – in de volkmond ‘het moderne huis’ – is ontworpen door Rocha Tombal Architecten voor een gezin met twee kinderen en heeft archetypische contouren. Het is een huis zoals een kind dat tekent, met een puntdak en een schoorsteen. Het huis heeft een doorlopende huid van houten stroken, die de expliciete contouren van het huis versterkt. De uitgesproken archetypische vorm steekt af naast de traditionele ontwerpen van de omringende woningen. De zuileik in de voortuin maakt het huisje-boompjeconcept compleet. De sinds de kindertijd gekoesterde woonvorm van de bewoners is gerealiseerd. Gek doen gaat in De Eiken niet verder dan hypernormaal.

Fotografie: John Verbruggen

Winkelcentrum Overkapel

Opdrachtgever: Redema Groep BV en AM wonen BV
Ontwerp: Cita Architecten, Utrecht
Programma: Winkelcentrum met 84 woningen
Locatie: Euterpedreef, Wolgadreef, Fortunadreef, Cleopatradreef
Start project: 2005
Oplevering: Maart 2009

Mascha van Damme

In Overvecht heeft een eenlaags winkelcentrum uit de begintijd van deze wederopbouwwijk plaatsgemaakt voor een nieuw winkelcomplex met daarboven een appartementenblok. Ontwikkelaar Redema onderzocht vanaf 2004 de mogelijkheden voor een nieuw winkelcentrum op een footprint die samen met de afdeling stedenbouw van de gemeente werd bepaald. AM Wonen werd voor het woongedeelte ingeschakeld, die op zijn beurt Cita architecten bij het project betrok. Het stevige bouwblok heeft volgens Cita een brutalistische, Overvechtse uitstraling zodat het kan opboksen tegen de hoogbouw in de omgeving, terwijl er aan de zijde van het Fortunadreef eveneens aansluiting is gezocht bij de achterliggende woonwijk met laagbouw. De sloop van het bestaande centrum stuitte op verrassend weinig verzet. De introverte opzet ervan nodigde uit tot jongerenoverlast en verloedering aan de buitenzijde. Om dit met de nieuwbouw te voorkomen, is nadrukkelijk gekozen voor een nieuwe architectonische en stedenbouwkundige opzet, zonder achterkanten en blinde gevels.

Het eenlaagse U-vormige winkelcomplex is uitgevoerd in donkerpaarse baksteen en opzettelijk los gehouden van het langgerekte woonblok dat er boven en deels ondergeschoven is. De winkelstrip bevindt zich over de hele lengte van de gevel langs de Euterpedreef en loopt aan beide zijde door de hoek om. De bevoorrading is inpandig opgelost zodat het laden en lossen aan het zicht is onttrokken. Om de verrommeling verder tegen te gaan zijn de reclamebakken onder de doorlopende glazen luifel meeontworpen. De gevel van het vijf bouwlagen tellende woonblok heeft aan deze zijde een duidelijk roestbruin bakstenen kader waardoor het gebouw goed zichtbaar is vanaf de lange aanrijroute over de Oderdreef. De woningen worden aan deze zijde ontsloten door een galerij.

Aan de zijde van het Fortunadreef zijn in de plint grondgebonden woningen met een eigen ingang vanaf de straat opgenomen, die een meter boven het maaiveld liggen en eveneens opgetilde terrassen hebben. Het ligt in de bedoeling om hiermee de sociale controle en het woonkarakter van de aangrenzende wijk te versterken. In het midden van de plint zijn fietsenkelders ingericht en links en rechts op de begane grond geven trappenhuizen toegang tot de bovenliggende woonlagen met portiekwoningen. Ook hier is de plint uitgevoerd in donkerpaarse baksteen met deuren en kozijnen van hout. Het aanzicht van de gevel is aan deze zijde verder grotendeels transparant gehouden. De woningen hebben inpandige balkons, loggia’s eigenlijk, van bijna twee meter diep voorzien van glazen balustraden en melkglazen afscheidingen met de straat en de buren. Ook de kopse kanten zijn helder vormgegeven, maar door hun kleinere afmetingen wordt hier noodzakelijker wijs architectonisch wat meer gewicht in de schaal gelegd.

Het complex omvat louter koopwoningen, variërend van starterswoningen vanaf 60 m2 tot ruime flats en enkele penthouses van circa 100 m2. Omdat het een project betreft met een precair evenwicht in een buurt die over het algemeen negatief in het nieuws komt, bestond twijfel over de verkoopbaarheid van de grotere woningen. Daarom zijn enkele grote appartementen in de loop van het proces opgedeeld tot iets kleine woningen. Toch zijn alle woningen vlot verkocht en kon er een kwalitatief goed project worden gerealiseerd dat zorgvuldig is vormgegeven, tot aan het dakplan toe. De technische installaties zijn in twee dozen midden op het dak ondergebracht, onzichtbaar vanaf de straat maar onvermijdelijk te zien vanaf de galerijen van het woonblok. Ze worden omgeven door een patroon van rood en grijs grint. Ook naar de inrichting van de openbare ruimte is de nodige aandacht uitgegaan. Het voetgangersgebied loopt aan drie zijden door en voor de winkels is een bescheiden, maar intiem pleintje ingericht.
Desondanks valt het niet mee om het nette beeld overeind te houden. Zo hebben al enkele winkeliers net achter de belettering van het winkelcentrum afzuiginstallaties aangebracht. Nazorg is dus zeker geboden.

De ontwikkeling van winkelcentra

Van 20 mei tot 21 juni is in architectuurcentrum Aorta de tentoonstelling Winkelland te bezichtigen, over de ontwikkeling van nieuwe winkelgebieden in en om Utrecht. Post Planjer neemt alvast een voorproefje op het openingsdebat en legt drie vragen voor aan Roel Graven (AMA Group) en Marc van Driest (VVKH architecten), de ontwerpers van respectievelijk De Vredenburg en The Wall.

Martine Bakker

Het bureau van Roel Graven, AMA Group, heeft veel ervaring met winkelcentrumontwerpen, waarvan verschillende in opdracht van Corio. Marc van Driest ontwierp samen met Fons Verheijen The Wall langs de A2, een futuristische samensmelting van geluidswal en winkelruimte. Zij gaan in op het ideale winkelcentrumontwerp, de eigen verantwoordelijkheid tegenover die van de opdrachtgever en de rol van het winkelcentrum als deel van de stad. Zij lijken op één lijn te zitten met de opdrachtgevers. Of dat ook zo is, zal blijken uit het openingsdebat bij de tentoonstelling Winkelland, waar ontwikkelaars en markt- onderzoekers vanuit een panel op soortgelijke thema’s reageren. Het debat is op 20 mei om 20.00 uur in het Mirlitontheater. Dit theater begon als succesvol familiepodium van Herman Berkien, maar is inmiddels een verborgen jaren zeventigicoon, waar alleen nog besloten bijeenkomsten worden gehouden. Een plek dus waar de veel geprezen functiemenging uiteindelijk niet werd volgehouden.

HET IDEALE WINKELCENTRUM
RG: ‘Het ‘ideale’ winkelcentrum moet logisch ingepast zijn in het omringende stedelijk weefsel, er moeten geen ‘trucs’ nodig zijn om de entrees te laten opvallen. Het winkelcentrum moet een heldere en duidelijke interne routing en structuur hebben, passages moeten een duidelijk begin en eindpunt hebben. Er moet iets te ‘ontdekken’ zijn, de consument moet geprikkeld worden de volledige interne routing te doorlopen. De commerciële uitstraling moet zich niet alleen beperken tot het interieur en de entrees. Een winkelcentrum moet rondom een goede uitstraling hebben, zonder achterkanten. Een goede uitstraling is overigens niet per definitie een commerciële uitstraling. En een winkelcentrum moet ook na winkelsluitingstijd leven. Daarom is het wenselijk om naast de commerciële functies, horeca en wonen aan het programma toe te voegen.’

MD: ‘Het ideale winkelcentrum kan naadloos in een binnenstedelijke situatie passen, maar ook een perifeer gelegen shoppingmall zijn. Voor het optimaal functioneren van een winkelcentrum zijn een goede functiemenging, een juiste atmosfeer en uitgekiende logistiek van belang. Winkelen wordt meer en meer een dagje uit waarbij de kernfunctie shoppen wordt geflankeerd door het consumeren in de sectoren horeca en leisure. De diversiteit van het winkelaanbod van verschillende productcategorieën – of juist binnen één productcategorie, waarbij de retailers elkaar versterken – bepaalt in grote mate het succes. Je kunt er alles krijgen is een van de belangrijkste graadmeters. Verlichting en orkestrering van de reclamevoering zijn van groot belang voor de beleving: aanwezig maar ingetogen en chique. Een goede interne en externe logistiek waarbij de expeditie nooit de routing van de klanten in de weg staat, is de basis van een optimale beleving van het winkelen. Een perifeer gelegen mall kan, indien stedenbouwkundig goed ontworpen, evolueren tot een stadscentrum. Zie bijvoorbeeld winkelcentrum Alexandrium in Rotterdam.’

EEN SOCIAAL-MAATSCHAPPELIJKE OPGAVE
RG: ‘Het winkelen is de laatste jaren een steeds grotere sociale activiteit geworden, die varieert van ‘funshoppen’ bij de jeugd tot een belangrijke ontmoetingsplek voor veel ouderen. Om het winkelcentrum niet alleen als commercieel centrum maar ook als sociale ontmoetingsplek te laten functioneren, is het van belang dat het een mix van functies in zich herbergt en dat er ruimte wordt gecreëerd voor ontmoeting. Het moet daadwerkelijk een centrum zijn dat bruist van het leven. Er moet niet alleen worden gewinkeld, maar ook gewoond en gerecreëerd. Niets is zo dodelijk voor de beleving van de directe omgeving van een winkelcentrum als een winkelcentrum dat er na winkelsluitingstijd dood en verlaten bij ligt. Een weloverwogen mix van winkelen, wonen, werken en horeca zorgt ook na winkelsluitingstijd voor een levend (winkel)centrum. Dit betekent dat een eigenaar-opdrachtgever, maar zeker ook een ontwikkelaar bereidt moet zijn te investeren in al deze functies. Dit betekent dat hij of zij niet alleen oog moet hebben voor korte termijnrendement maar zeker ook moet willen investeren in de toekomst.’

MD: Elk ontwerp voor een gebouw of openbare ruimte is een sociaal-maatschappelijke opgave. De architect heeft de verantwoordelijkheid de opgave te analyseren en een visie te ontwikkelen. Zodat de architect in het ontwerpproces een sturende en scheppende rol kan spelen samen met overheden en opdrachtgevers. De ontwikkeling van perifeer gelegen winkelcentra beweegt zich de laatste jaren richting het Amerikaanse model van de grootschalige shoppingmall: gericht op autogebruik en groot van schaal. De sociaal-maatschappelijke acceptatie van deze winkelreuzen vraagt om een goede stedenbouwkundige inpassing, met zachte en heldere in- en overgangen. In die zin draagt de architect in hoge mate bij aan de beeldvorming en waardering. De kleinere details moeten vervolgens met eenzelfde precisie worden aangepakt, opdat een aangenaam verblijfsgebied ontstaat met chic uitstraling. Opdrachtgevers moeten bereidt zijn hierin te investeren. Het gaat niet om gebouwen, maar om openbare ruimte waarin de gebouwen ondergeschikt en ondersteunend zijn. De verantwoordelijkheid van opdrachtgevers en gemeente ligt mede in het nastreven van een voor de markt en het publiek aantrekkelijke en dynamische functiemening. Dit bepaalt de duurzaamheid en leefbaarheid van het gebouw in sociaal-maatschappelijk opzicht.’

HET IMAGO VAN DE STAD
RG: ‘Bij het ontwerpen van een winkelcentrum gaat AMA Group altijd uit van de specifieke locatie. We letten op de aanwezige stedelijke structuur, voetgangersstromen, bereikbaarheid voor autoverkeer en toeleveranciers, oriëntatie enzovoorts. Waar nodig wordt de stedelijke structuur gerepareerd of verbeterd: het winkelcentrum wordt op een logische, vanzelfsprekende manier ingepast. Wanneer dit op een goede en verantwoorde wijze gebeurt, en ook de branchering op een evenwichtige manier is afgestemd op het reeds aanwezige aanbod van de stad, kan het winkelcentrum zeker positief bijdragen aan het imago van een stad. In feite bepaalt dus in eerste instantie de stad het imago van het winkelcentrum, maar bijna gelijktijdig heeft het nieuwe winkelcentrum weer invloed op de stedelijke structuur en de beleving van de stad.’

MD: ‘Een winkelcentrum of winkelgebied kan in zekere mate het imago van de stad bepalen. Maar andersom geldt dit natuurlijk ook. Utrecht kent een goed voorbeeld met Hoog Catharijne. Een winkelcentrum met een perfecte ligging, een functionele invulling en hoge bezoekersaantallen. Het heeft echter een verouderde uitstraling. Hoog Catharijne geldt wel als entree naar de binnenstad voor wie met openbaar vervoer komt. Het is voor de stad van algemeen belang dat er een goede en aangename verbinding is tussen station en stad, een verbinding met allure. Dat is nu niet het geval. Het gebouw The Wall ligt perifeer en is op andere wijze een entree naar de stad. Het heeft een meer regionaal karakter. Met de uitbreiding van Leidsche Rijn aan de westzijde van de A2, ligt het gebouw centraal en is goed bereikbaar. Het gebouw heeft een markante uitstraling en draagt in die zin bij aan de herkenbaarheid en exposure van de Utrechtse regio. De gemeente Utrecht ambieerde nadrukkelijk dergelijke architectuur op deze plek.’