Dag van de Architectuur 2008

Politiek en architectuur bepalen voor een groot deel het welzijn van de stedeling. Politici en architecten maken idealen tastbaar. Ze scheppen de condities voor de pleinen en gebouwen van de stad en geven er vorm aan. Politiek is een kwestie van kijken, luisteren en agenderen. Architectuur is een kwestie van kijken, luisteren en ontwerpen. Dit gebeurt niet altijd in even navolgbare processen. Post Planjer probeert hier de vinger op te leggen. Door de ogen van… is de Utrechtse vertaling van het landelijke thema voor de Dag van de Architectuur, over architectuur en politiek.

Door de ogen van… richt zich op de ambities en identiteit van de stad. Post Planjer vult het programma van de Dag van de Architectuur aan met achtergrondartikelen en sidelines. Verdichting staat hoog op de politieke agenda. Mascha van Damme laat haar licht schijnen op de manier waarop in Utrecht wordt omgegaan met nieuwbouw op vrijkomende terreinen in de stad. Catja Edens geeft een beeld van Utrecht hoe het had kunnen zijn. In een bloemlezing passeren projecten de revue die sneuvelden door omstandigheden – of plotseling inzicht. Post Planjer deed navraag bij enkele raadsleden. Zij bewegen zich voorzichtig tussen de eisen van de kiezer en de plannen van het college. Hoe haalbaar is dat en welke rol speelt kennis van architectuur daarbij?

Utrecht is een gevarieerde stad, met een veelzijdige bevolking. Utrechtse politici kiezen dan ook voor heel uiteenlopende projecten, wanneer hen wordt gevraagd naar de toekomstige identiteit van hun stad. Hiervan is een fotoserie gemaakt door CornbreadWorks (Christel Derksen). De diversiteit wordt niet gezien als de achilleshiel, maar als de kracht van Utrecht. Het is wat Utrecht tot een echte stad maakt. In de stedenbouw komen politiek en architectuur samen. De stedenbouwkundige samenhang van Utrecht is precair, met name in het stationsgebied. Marlies Rohmer waarschuwt dat de ambitie van Utrecht zich niet zou moeten richten op goede architectuur, maar op een goede stedenbouwkundige basis. Net als Bob van Reeth, Jord den Hollander en Maarten Kloos neemt zij op de Dag van de Architectuur deel aan een publiek debat waarin professionele buitenstaanders zullen zoeken naar een architectonisch antwoord op de ambities en identiteit van Utrecht. Van Reeth bepleit dat de identiteit van de stad allereerst wordt bepaald door de stedenbouwkundige footprint. Die is in Utrecht vooral herkenbaar in de oude kern. Den Hollander verlegt de schaal en vraagt zich af of Utrecht behalve een echte, diverse stad ook een wijk is in de Randstadmetropool. Kloos wil de stad versterken door het Domplein nadrukkelijker te waarderen als het middelpunt van het land. En hoe kan dat beter dan door de Dom af te breken en hier de Belle van Zuylen te bouwen? Het belooft een confronterend debat te worden.

Het schema op de pagina hiernaast omvat het precieze programma van de Dag van de Architectuur 2008. De redactie van Post Planjer hoopt met dit themanummer te inspireren tot een bezoek aan minstens één van de programmaonderdelen. En, zoals altijd, tot een vernieuwde kijk, door uw eigen ogen.

Martine Bakker

Nooit uitgevoerd in Utrecht

EEN BLOEMLEZING

In de advertenties voor de woningen in de wijken De Woerd en Vleuterweide in Leidsche Rijn tuimelen de woorden ‘gezellig’ en ‘knus’ over elkaar heen. De woonwijken worden aangeprezen als ‘ herkenbaar’, ‘met een eigen sfeer’ en dat in tegenstelling tot andere nieuwbouwwijken, die inwisselbaar zouden zijn. Hier ga je terug naar ‘de goede tijden van weleer’ en krijg je een ‘goed gevoel, een gevoel van thuiskomen en thuis zijn’. Kortom: het paradijs bestaat en ligt in Leidsche Rijn. De essentie van deze wijken is dat ze bestaan uit architectuur die sterk refereert aan traditionele stads- en dorpsbeelden. De traditionele architectuur is niet meer weg te denken uit Nederland en nu ook de jury van de Rietveldprijs 2007 het woningbouwplan De Woerd in haar selectie opneemt, wordt het tijd voor Post Planjer om op bezoek te gaan in beide buurten.

Bettina van santen

PLAN MOREELSE (1664)
Utrechtse ‘grachtengordel’ ten westen van de Catharijnesingel

In 1664 presenteerde oud-burgemeester Hendrick Moreelse een voorstel voor stadsuitbreiding in westelijke richting. Omdat de oude vaarroute over de Oudegracht steeds moeilijker begaanbaar werd, voeren veel schepen over de Catharijnesingel. Met het Plan Moreelse zou deze centraal in Utrecht komen te liggen. Ten westen van de singel moest een orthogonale stadsuitbreiding komen met drie grachten evenwijdig aan de Catharijnesingel en drie dwarsgrachten. Daaraan zouden – naar Amsterdams voorbeeld – voorname, classicistische herenhuizen verrijzen. Het Plan Moreelse zou de oppervlakte van de stad verdubbelen met maar liefst 351 nieuwe erven, een megaproject waarvoor een flinke investering nodig was. Met de economische impuls die uitging van een handelsroute door het centrum van de stad en de ruimte voor nieuwe bouwwerken, kon het geld echter ruimschoots worden terugverdiend. Het plan ging niet door. De pestepidemie van 1663-1668, de hoge afdrachten aan de Staten Generaal ten gevolge van de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) en de bezetting door de legers van Lodenwijk XIV van 1672 tot 1674, betekenden een financiële aderlating voor de stad. Alleen de grachten werden gegraven en zijn tot op de dag van vandaag herkenbaar in de Mineurslaan, een restant van de Kruisvaart en de kaarsrechte Croeselaan.

VLIEGVELD BERLAGE-HOLSBOER (1920-1924)
Vossegat Airport

Na zijn aanstelling liet burgemeester Fockema Andreae een grootschalig uitbreidingsplan voor Utrecht ontwikkelen door H.P. Berlage en L.N. Holsboer. Het was een indrukwekkende toekomstvisie die rekening hield met 450.000 inwoners. Behalve woonwijken, industrie­gebieden, parken en sportterreinen stelde dit plan ook een vliegveld voor op een terrein van 60 hectare bij Fort Vossegat.

In deze jaren stond de luchtvaart volop in de belangstelling van publiek en investeerders. De interesse voor binnenlandse luchtvaart groeide en er werden her en der vliegvelden voor nationaal verkeer aangelegd. Ook in Utrecht was daarvoor belangstelling, niet in de laatste plaats onder tuinbouwers die gespitst waren op snel vervoer van hun bederfelijke waar.

Het vliegveld bij Fort Vossegat was het eerste concrete plan. Het bevond zich echter in één van de Verboden Kringen, zones rondom de forten van de Hollandse Waterlinie waarvoor omwille van een vrij schootsveld strenge restricties golden. Het duurde nog tot 1963 voordat deze werden opgeheven. In een latere versie van het plan Berlage Holsboer kwam het vliegveld ten westen van het Merwedekanaal te liggen, maar dit en andere plannen liepen op niks uit door getouwtrek tussen verschillende gemeentes en belanghebbenden.

JAARBEURS WERELDBEURS, WIJDEVELD (1947)
Monumentaal wereldhandelscentrum in het open landschap.

Vanaf de introductie in 1917 was de Utrechtse Jaarbeurs een groot succes. Na verloop van tijd werden de onderkomens aan het Vredenburg dan ook te klein en moest de Jaarbeurs zich bezinnen op uitbreidingsmogelijkheden. In 1946 opende aan de Croeselaan een dependance. Een jaar later maakte H. Th. Wijdeveld zijn tekeningen van de ‘Jaarbeurs Wereldbeurs’, een handelssatelliet voor Utrecht in de buurt van Houten.

Dit jaarbeurspentagon is een schematisch getekende nederzetting met in het hart een omvangrijk ontvangst- en feestterrein. Dit wordt omgeven door vijf permanente kantoortorens, onderling gekoppeld door horizontale bouwdelen met overdekte galerijen ‘voor regendagen’. Langs de buitenrand liggen de beurzen voor landbouw, nijverheid, bouwtechniek, industrie en transport. Uiteraard is het complex voorzien van een parkeerterrein voor het autoverkeer dat via de ‘autosnelbaan’, omzoomd met woontorens, vanuit Utrecht de Wereldbeurs kon bereiken. Een spoorweg leidt naar een station met emplacement direct naast het vliegveld aan de zuidwestflank. Voorts zijn er ‘wegen voor voetgangers en wielrijders’ vanuit het oude Utrecht naar de wereldbeurs. Het geheel lag ingebed tussen bossen en landerijen.

Verder dan plannen zijn de ideeën voor deze satelliet nooit gekomen. De dependance aan de Croeselaan was de voorbode van een grootscheepse verhuizing van jaarbeursfuncties naar het gebied achter het station.

PLAN FEUCHTINGER/PLAN KUIPER (1956-1966)
Ingrijpend verkeersplan voor het centrum van Utrecht

In de jaren vijftig wordt duidelijk dat er maatregelen moeten worden getroffen om de groeiende verkeersstroom te accommoderen. Op uitnodiging van het gemeentebestuur maakt de Duitse verkeersdeskundige M. E. Feuchtinger een ingrijpend verkeersplan. Het voorziet in een rondweg over de gedempte singels met aftakkingen naar een grotere ring om de stad. Daarnaast zijn er grote verkeerswegen over de Lange Nieuwstraat en de Springweg gepland.

J.A. Kuiper verwerkt het verkeerskundige voorstel van Feuchtinger in een stedenbouwkundig plan. Hij stelde voor de singels gedeeltelijk te dempen maar neemt verder alle doorbraken en straatverbredingen van Feuchtinger over. Mede door verzet van Minister M. Klompé, blijft de demping van de singels beperkt. Als gevolg van fel burgerprotest worden uiteindelijk slechts enkele onderdelen uitgevoerd, waaronder de aanleg van de Catharijnebaan. De voorbereidingen voor de verbredingen zijn nog steeds af te lezen aan de stadsvernieuwingsprojecten langs de Springweg en Lange Nieuwstraat.

Door de weerstand die dit plan en later ook de realisatie van Hoog Catharijne teweeg bracht, ontstond een mentaliteitsverandering bij de bestuurders. Ze raakten meer gericht op renovatie, restauratie en stadsherstel. In 1976 werd de oude stad met singels aangewezen als beschermd stadsgezicht en in de jaren negentig werd het centrum zelfs autoluw gemaakt.

NIEUW STADHUIS VAN DER GAAST/PLANJER (1921)
Stadhuis in Dudokstijl aan de Oude Gracht

Toen J.P. Fockema Andreae in 1914 burgemeester van Utrecht werd, ging hij direct aan de slag met plannen voor een nieuw stadhuis. Het toenmalige stadhuis, overigens nog altijd de kern van het huidige, bestond uit acht Middeleeuwse panden. Het was te krap en de voorzieningen lieten te wensen over. Zo ontbrak het aan ‘liften, huistelefoon en al die verschillende gemakken, welke tijdsbesparing opleveren en op den duur onmisbaar zijn in een zoo grote administratie’. De gemeente kon zich een dergelijk nieuw gebouw echter niet veroorloven.

In de jaren twintig werden verschillende ontwerpen gemaakt voor een nieuw stadhuis in de stijl van de Amsterdamse School onder meer door architect Van der Gaast. Plan A had veel overeenkomsten met het hoofdpostkantoor aan de Neude, een massief blok waarin van het oude stadhuis de monumentale ingangspartij behouden zou blijven. Plan C was een haakvormig gebouw in een meer expressieve variant van de Amsterdamse School. Een derde – ongesigneerd – plan lijkt het werk van hoofdarchitect J.I. Planjer. Het toont een verfijnd gebouw met een monumentale toren in de stijl van Dudok. De plannen waren echter te ingrijpend en, zeker voor de crisisjaren, te kostbaar. Daarom werd gekozen voor aanpassing en uitbreiding van de bestaande bouw.

PLAN JAARBEURS DOOR OUD (1950)
Modernistisch ensemble op het Vredenburg

Na de Tweede Wereldoorlog groeide het ongenoegen over het Vredenburg. De Jaarbeurs barstte uit haar voegen en het ruimtegebrek werd opgevangen met allerlei houten keten op het plein. Ook de verkeersafwikkeling liet te wensen over. In 1949 werd J.J.P. Oud daarom gevraagd een plan te maken. Twee bestaande secretariaatsgebouwen vormden de westelijke pleinwand en aan de zuidrand stond de Beatrixhal. In de ruimte ertussen plande Oud een toren van vijftig meter die het plein een verticaal accent bood. Op de noordoostelijke hoek kwam het secretariaatsgebouw met een gestroomlijnde vorm die aansloot bij de nieuwe doorgangsroutes rondom het plein.

De gemeente keurde het plan goed en in de pers werd het lovend ontvangen. Wel was er vanuit bewoners kritiek op het secretariaatsgebouw dat het plein te veel af zou sluiten. Dit bracht de gemeente aan het twijfelen. Om meer controle te hebben, besloot ze uiteindelijk zelf als opdrachtgever op te treden voor een nieuw plan. Daarvoor ontwierp architect Elling een secretariaatsgebouw ter plaatse van de toren uit het oude ontwerp. Uiteindelijk verhuisde de Jaarbeurs naar de Croeselaan en het secretariaatsgebouw van Elling werd opgenomen in Hoog Catharijne.

GRIFTPARK MET SPORTHAL EN 150 WONINGEN, IBU (1977)
‘Geen gezeik 100% voor de wijk’

In 1978 werd besloten het voormalige Vaalt- en Gasterrein een nieuwe functie te geven ten behoeve van de omliggende wijken. Hoewel de gemeente hier de hoofdpost van haar reinigings-, markt- en havendienst wilde vestigen, wisten omwonenden haar op andere gedachten te brengen. Met de leuze ‘geen gezeik, 100% voor de wijk’ eisten het actiecomité Votulast (Vogelenbuurt, Tuindorp, Lauwerecht en Staatsliedenkwartier) en het comité Wittevrouwen uiteindelijk het hele terrein op voor de buurt. En de gemeente ging akkoord.

Dit leidde tot het plan uit 1977 voor een park met langs de randen 150 woningen en een sporthal. Het spontane natuurgebied dat hier was ontstaan zou behouden blijven en een kinderboerderij, heemtuin, bouwspeeltuin, hondenwei en speelvelden zouden worden toegevoegd. Het plan ging echter niet door. Het waren de jaren van het Lekkerkerkschandaal en ongeruste buurtbewoners hadden onderzoek laten verrichten naar de grond van het toekomstige Griftpark. Hun zorg bleek terecht. De grond was ernstig vervuild met tolueen. Nadat een eerste schoonmaakactie was mislukt kon een tweede pas in 1992 van start gaan. De vervuilde grond werd geïsoleerd en erbovenop kon het huidige Griftpark worden aangelegd.

A27 VOLGENS HET OUDE TRACÉ (1971)
Rijksweg dwars door een prachtig bos

In 1954 werd het toekomstige tracé van de Rijksweg 27 langs de groene oostflank van Utrecht bepaald. Groen en recreatie waren toen nog nauwelijks publieke onderwerpen maar dat werd anders in de jaren zeventig. Bij bestudering van de bestemmingsplannen ontdekt bouwkundestudent Jaap Pontier dat de A27 dwars door het bos van Amelisweerd is gepland.

Drie weken voor de aanbesteding vormt Pontier razendsnel de actiegroep Vrienden van Amelisweerd. Zij komen met een alternatief tracé langs de rand van het bos en verzamelen daarvoor zoveel mogelijk handtekeningen. Als de kwestie wordt voorgelegd aan de gemeenteraad, die hiervoor beslissingsbevoegd is, kiest zij voor de oplossing van de actiegroep. Als daarna de strook van het te kappen bos breder blijkt dan gepland, laait de kwestie weer op. De taaie actievoerders voeren eindeloze beroepsprocedures en uiteindelijk besluit de Gemeente zelfs dat de weg er helemaal niet moet komen. Het parlement maakt dit besluit echter ongedaan. In een uiterste poging het bos te beschermen bouwen de ‘Vrienden en vriendinnen van Amelisweerd’ in 1982 een boomhuttendorp dat drie keer wordt ontruimd en weer opgebouwd. Terwijl het laatste kort geding dient, volgt de laatste ontruiming en wordt de strook bos gekapt. In 1986 wordt de A27 volgens het alternatieve tracé in gebruik genomen.

PARKEERGARAGE LEPELENBURG EN LUCASBOLWERK (1998-2006)
Parkeren onder het Zocherplantsoen

In de jaren negentig wordt het stadscentrum autoluw gemaakt. Er spelen tegenstrijdige belangen: een aangenaam klimaat in de binnenstad is aantrekkelijk voor bewoners en bezoekers, maar ze moeten er natuurlijk wel kunnen komen, ook met de auto. Daarom wordt naar geschikte plekken gezocht voor parkeervoorzieningen.

Vanaf 1994 wordt gewerkt aan plannen voor een parkeergarage onder het Lepelenburg. Deze is aanvankelijk bestemd voor omwonenden maar moet uiteindelijk toch een extra laag krijgen voor kortparkeerders. De mondige en vaak goed onderlegde buurtbewoners (advocatenkantoren) komen in het geweer. Zij vrezen schade aan het monumentale groen en overlast van automobilisten en de bijbehorende uitlaatgassen. In 2001 worden de plannen afgeblazen.

De Gemeente heeft dan inmiddels haar oog laten vallen op het Lucasbolwerk dat al sinds de nota Parkeren Binnenstad uit 1995 een omstreden locatie is vanwege de monumentale stadswallen en groene elementen. Hier moet een spiraalvormige parkeergarage komen met een diameter van 53 meter en een diepte van 25 meter. Het is de Vereniging Comité Behoud Lucasbolwerk die zich tegen de plannen verzet. De parkeergarage betekent onherstelbare schade voor de omgeving terwijl de parkeervraag niet is onderbouwd met onderzoek, zo stelt zij. Uiteindelijk wordt de garage inzet van de gemeenteraadsverkiezingen in 2006. De plannen worden afgeblazen.

Vooruitstrevend zonder de burgers te bruskeren

Architecten vinden dat ‘de politiek’ veel invloed heeft op hun werk. Regels en wetten over de bestemming van een locatie, de aanbesteding van een project of een advies van de Welstand bepalen inderdaad een deel van de procedure. Politici vinden dat daarbinnen nog alle ruimte is. Zij zien de grootste invloed op de totstandkoming van projecten bij de opdrachtgever. Zelf behartigen ze vooral de belangen van hun achterban: de kiezers. Post Planjer spreekt met twee vertegenwoordigers van de Utrechtse politiek en de secretaris van de welstandscommissie over hun rol in het proces.

Martine Bakker

Politiek en architectuur hebben raakvlakken in verschillende fases van het plan- en bouwproces. Wethouders stellen nota’s samen met visies voor de lange termijn, meestal gebaseerd op landelijke richtlijnen. Ambtenaren van de gemeentelijke stedenbouwkundige dienst zetten deze om in concrete plannen voor de stad. In Utrecht overlegt de Commissie Welstand en Monumenten (CWM) geregeld met de gemeentelijke stedenbouwkundigen over de manier waarop de langetermijnvisies worden ingevuld. De CWM is een onafhankelijke commissie van architecten, landschapsarchitecten, stedenbouwkundigen en architectuurhistorici, die bouwplannen toetst aan een welstandsnota. Zij adviseert het college van burgemeester en wethouders, dat uiteindelijk formeel de vergunningen verstrekt.

Het college neemt het welstandsadvies in principe over, behalve wanneer sociale of economische belangen prevaleren. Een andere manier waarop plannen kunnen worden tegengehouden, is middels moties van raadsleden. Daarom heeft de raadscommissie Stedelijke Ontwikkeling voordat het college een besluit neemt inzage in de plannen en het bijbehorende welstandsadvies. Zij bespreken de plannen, informeren hun fractie en spreken in de raad. De gemeenteraad beslist ook over de inhoud van de welstandsnota en de aanstelling van nieuwe CWM-leden.

Voor de aanbesteding van een bouwproject gelden landelijke en bij bepaalde overheidsgebouwen en budgetten zelfs Europese richtlijnen. Hierop heeft de gemeentepolitiek weinig invloed. Dergelijke aanbestedingen zijn bedoeld om objectiviteit, transparantie en eerlijke concurrentie te waarborgen bij het vergeven van opdrachten. Om een offerte op te stellen worstelen ontwerpers en aannemers zich bijgevolg door een woud van details. Een tijdrovend en onzeker traject, dat zich na de gunning kan manifesteren als een keurslijf, omdat alles al vastligt. Ook voor het afwijken van een bestemming moet een tijdrovende procedure gevolgd worden, al ligt het definitieve besluit dan bij de provincie. Hier komt verandering in met de nieuwe rijksnota voor ruimtelijke ordening.

DUIDELIJKE TAAKVERDELING, MAAR WEINIG KENNISUITWISSELING
Waar de gemeente wel beslist over de gebouwde omgeving, is de rolverdeling volgens Manon van der Wiel helder. Van der Wiel is sinds 2008 secretaris van de CWM. Ze benadrukt dat het een onafhankelijke commissie is die adviseert over bouw- en monumentenaanvragen. In de commissie wordt met architecten en opdrachtgevers zo open en collegiaal mogelijk gepraat over de ontwerpen – van nieuwbouwblokken tot dakkapellen. Volgens Van der Wiel wordt de commissie in Utrecht daarom niet ervaren als een regenteske club, al blijft een negatief advies altijd moeilijk om te verwerken.

De CWM heeft meer direct contact met de wethouders dan met de raadsleden. Van der Wiel streeft ernaar één keer per jaar te overleggen met de Commissie Stedelijke Ontwikkeling. Dit gezamenlijk overleg heeft een inhoudelijke en informatieve insteek. De raadsleden worden onder meer geïnformeerd over de werkwijze van CWM. Daarnaast wordt ingegaan op actuele architectonische thema’s. De commissies vinden elkaar in een gedeeld belang: de kwaliteit van de gebouwde omgeving, in feite de kwaliteit van de stad. De CWM redeneert daarbij vanuit de architectuur en de omgeving, de raadsleden vanuit de burgers die zij vertegenwoordigen. Van der Wiel vindt dit verschil heel goed werken. Ook in de plannenmakerij ziet zij het graag bruisen en borrelen: nieuwe architectuur moet architectuur zijn voor een levende stad.

Architectonische kennis is voor de raadsleden van de Commissie Stedelijk Ontwikkeling geen vereiste. Zij moeten vooral wijze besluiten nemen afgaande op de informatie die zij krijgen. Pepijn Zwanenberg (GroenLinks) is volgens Manon van der Wiel en ambtenaren van de sector Monumenten één van de raadsleden die actief naar informatie zoekt. In het algemeen vinden de raadsleden weinig tijd voor de excursies en themabijeenkomsten die zo nu en dan worden aangeboden.

COMMISSIEDAG EN NIMBY-GEDRAG
Na het zomerreces van 2008 zal voor de gemeenteraad en dus ook voor de nieuwe commissie Stad en Ruimte meer tijd worden gereserveerd. Dan kan de voorzitter van de welstand, een ambtenaar of een wethouder een plan toelichten. Een architect of deskundige kan een lezing houden – bijvoorbeeld over waterwoningen of waterberging als het gaat om woningbouw in de polder Rijnenburg. Maar er is ook ruimte voor afgezanten van buurtcomités of bewonerscommissies. Daarnaast wordt er zoals voorheen vergaderd over de bouwaanvragen.

Alice van Rooij (D66) is voorzitter van de raadscommissie Stedelijke Ontwikkeling. Zij hoopt met een dergelijke raadsinformatiedag de kennis en aandacht van de commissieleden te vergroten, de discussie te prikkelen en te voorkomen dat besluiten worden genomen op basis van eenzijdige informatie. Ook zou ze graag zien dat omwonenden vroeg in het proces worden gehoord, zodat hun mening nog meegenomen kan worden. Als een plan al voor goedkeuring bij het college van burgemeester en wethouders ligt, is de kans op een patstelling groot. Van Rooij begrijpt waarom burgers wantrouwend zijn tegenover de overheid, maar wil graag het tegendeel bewijzen.

Welke ambtenaren of politici precies naar de raadsinformatiedag zullen komen voor toelichtingen en hoe externe sprekers geselecteerd en uitgenodigd zullen worden is nog onduidelijk. Van Rooij legt haar oor graag te luisteren bij de bewoners, maar stelt zich wat afwachtend op als het gaat om de invulling van het architectuur-inhoudelijke gedeelte van de toekomstige commissiedag. Zij oppert dat er eventueel een rol is weggelegd voor Architectuurcentrum Aorta. Dergelijke organisaties mogen van haar nog wel wat dichter op de politiek gaan zitten. Ook hoopt ze dat de raadsleden het kunnen regelen met hun banen en andere verplichtingen, om voldoende tijd voor de raad vrij te maken.

Zwanenberg en Van Rooij voelen het als hun taak om bewoners te activeren en bewust te maken van hun rechten. Bovendien weten bewonersgroepen vaak meer van een onderwerp dan raadsleden, zodat de raadsleden er nog iets van kunnen opsteken. Maar soms is er sprake van NIMBY-gedrag: met het credo not in my backyard ageren bewoners dan tegen plannen, zonder goed te kijken naar de positieve gevolgen voor het grotere geheel. Alice van Rooij ziet hier ook een taak voor de nieuwe commissie Stad en Ruimte , vooral in de nieuwe vorm. Zij streeft naar vergaderingen waarin zoveel mogelijk standpunten worden uitgewisseld en de kern van het probleem op tafel komt in een zo vroeg mogelijk stadium.

ARCHITECTUUR EN AMBITIE
De welstandsnota verwoordt in zekere zin de ambitie van de stad. Voor de binnenstad geldt het beleidsniveau ‘behoud’, waardoor de welstandscommissie de mogelijkheid heeft zich tot op detailniveau te verdiepen in nieuwbouwplannen. In Leidsche Rijn wordt de ingezette ambitie ondersteund door het beleidsniveau ‘respect’ met de daaraan verbonden criteria. Zo is de hele stad in kaart gebracht en aan beleidsniveaus gekoppeld. Manon van der Wiel vindt veranderingen onlosmakelijk verbonden met de stad. De druk van de markt ervaart ze niet als negatief. Als de markt bijvoorbeeld om neostijlen vraagt, zoals in Vleuterweide, is het aan de CWM om de kwaliteit te bewaken en niet om zich uit te spreken over stijlkeuze.

Alice van Rooij en Pepijn Zwanenberg vinden het moeilijk om iets algemeens te zeggen over de identiteit en ambitie van Utrecht, al onderschrijven ze dat de architectuur het welzijn van de stedeling bepaalt. Het lijkt in Utrecht vooral om persoonlijk passie en voorkeuren te gaan, een eenduidige identiteit ontbreekt. Zwanenberg vindt Utrecht daarom een boeiende, gespleten stad. Als politicus koppelt hij de architectuur liever aan duurzaamheid dan aan identiteit. Ondermeer de bedrijventerreinen in de naoorlogse wijken schreeuwen volgens hem om duurzame herstructurering. De functie kan gevarieerder, de gebieden kunnen verdichten en er kunnen bouwlagen aan worden toegevoegd.

Politici moeten volgens Van Rooij niet alleen luisteren naar wat de burgers nu willen, maar ook ingaan op dieper liggende sentimenten. In de bouw van de nieuwe bibliotheek annex cultiplex-bioscoop ziet zij een uitdaging om vanuit de politiek iets goed te maken. Utrecht leeft al jaren met het trauma van Hoog Catharijne. Er is teveel vernield en er moet eigenlijk iets worden teruggegeven aan de stad. In het nieuwe multimediagebouw aan het Smakkelaarsveld zouden art deco-elementen verwerkt kunnen worden, als referentie aan het gebouw De Utrecht dat ooit aan de overzijde stond. Maar Van Rooij wil wel degelijk een toonaangevend nieuw gebouw en geen pastiche, zoals voormalig wethouder Van Zanen voorstelde.

De ambitie heeft dus twee kanten: vooruitstrevendheid uitstralen en tegemoet komen aan de gevoelens die leven onder de bevolking. De gespletenheid van Utrecht betreft het kostbare evenwicht tussen verleden en toekomst, trauma’s en hoop, oud en nieuw. Alice van Rooij ziet de architectonische ambitie weerspiegeld in dat evenwicht. Daarom is ze ook een voorstander van de bouw van de Belle van Zuylen: de Belle vormt tenslotte het perfecte evenwicht voor de Dom.

Utrecht in 2018 door de ogen van…

‘Het muziekpaleis verbindt de historie van de stad met de toekomst. Het gebouw wordt ruim, maar niemand verdwaalt er en iedereen vindt er zijn eigen plek. Als dat Utrecht niet is?’ Antwoordt burgemeester Wolfsen wanneer hem gevraagd wordt naar het meest Utrechtse gebouw dat hij kent. Om een beeld te krijgen van de identiteit van Utrecht en de ambities van de stad, is een soortgelijke vraag gesteld aan Utrechtse Tweede Kamerleden, wethouders en raadsleden van de commissie stedelijke ontwikkeling. Zij lieten zich portretteren voor het gebouw dat in hun ogen symbool staat voor hét Utrecht van de toekomst en beargumenteerden hun keuze. Dit resulteerde in een politiek getinte reeks, die desondanks verrassend divers is en de discussie rond mooi en lelijk ver achter zich laat. In 2018 is Utrecht wellicht culturele hoofdstad van Europa, maar ook een diverse en compacte stad – als het aan de politici ligt.

Inpassingen in de bestaande stad worden door de politici veel genoemd, evenals projecten in Leidsche Rijn. Duurzaamheid, lef en respect zijn daarbij toonaangevend. De Uithof, Utrechts architectonische paradepaardje, wordt slechts tweemaal aangehaald. De identiteit van Utrecht blijkt sterk verbonden met de historische stad. Dit wordt niet alleen duidelijk uit de waardering voor zorgvuldige inpassingen, maar ook door de keuze voor historisch erfgoed. Een keuze die overigens uiteenloopt van de Neudeflat tot het Paushuis aan de Pausdam.

Wethouders blijken de toekomst meer met hedendaagse architectuur te willen optimaliseren dan raadsleden. Van de zes wethouders kiest er maar één voor erfgoed tegen zeven van de veertien raadsleden. De omstreden nieuwbouw aan het Servaasbolwerk en de Belle van Zuylen worden meerdere malen genoemd, wat waarschijnlijk betekent dat controverse ook in de toekomst deel zal uitmaken van de identiteit van Utrecht.

In de hal van het stadhuis is een expositie ingericht met dertig portretten. De fotografie is van CornbreadWorks (Christel Derksen). Post Planjer toont een selectie en citeert uit de argumenten. De tentoonstelling is van 4 tot 26 juni te bezichtingen in de hal van het stadhuis. Het is een samenwerkingsverband tussen Post Planjer en Explorama in opdracht van de Stichting Dag van de Architectuur Utrecht.

ROBERT GIESBERTS, WETHOUDER VAN O.A. OPENBARE RUIMTE EN GROEN (GROENLINKS)
Boemerang, Terwijde, SeArch 2006

Leidsche Rijn staat voor groei, kwaliteit en economische ruimte. Boemerang is een gebouw dat spontane ontmoetingen organiseert door de oversteken en het binnenterrein. De ruimtelijke variatie in het gebouw is groot en de hoogte ervaar je, zeker op het binnenterrein, als een omarming. Bescheiden en chic wonen worden gecombineerd, evenals wonen en winkelen. De huisnummering is een grappig detail dat verwijst naar een motel. Door de parkeeroplossing onder het gebouw is het ook een goed voorbeeld van meervoudig grondgebruik. Samengevat scoort dit gebouw bij mij op sociale waarde, ruimtegebruik en de variatie die het bestendig maakt voor de toekomst.

BART BEERLAGE, RAADSLID PvdA
Belle van Zuylen, Leidsche Rijn Centrum, Cie. 2005 (ontwerp)

Architectuur staat niet stil. In 2018 ziet Utrecht er weer anders uit dan nu. Als er één gebouw is waarvoor dat geldt, is dat wel de Belle van Zuilen. Op het knooppunt van snelweg en spoor ontstaat een nieuw centrum met een bijzonder herkenningspunt. Tenminste, als we het lef hebben om het te bouwen. Utrecht moet laten zien dat ze haar kop boven het maaiveld durft uit te steken. Een statement van vernieuwing en moderne architectuur is nodig in een tijd waarin retro jaren dertig woonwijkjes de norm bepalen.

MARY MOSSEL, RAADSLID GROEP VOS
Neudeflat, Neude, Huig Maaskant 1961

Het nieuwe Rabokantoor is een gebouw dat past in 2018. Het is een mooi ontwerp en het geeft de fucntie aan: een geldpaleis. Helaas is het nog niet af en daarom kies ik voor de Neudeflat. In 2018 zijn de meeste gebouwen uit die tijd gepimpt of afgebroken. Het is dan tijd voor nostalgie naar de jaren zestig bouw. De plaats in de stad is geweldig en de geschiedenis is ook bijzonder. Tegen die tijd is op de bovenste verdieping een groot, non-stop eetcafé. Onderin en op de begane grond is sportruimte met uitzicht op passanten. De andere verdiepingen worden woningen. (Er moet dan wel wat aan de liften worden gedaan). Het gebouw is strak en sober en dat verveelt nooit.

PEPIJN ZWANENBERG, RAADSLID GROENLINKS
Van Sijpesteijnkade, Stationsgebied

Al voorzagen alle plannen voor het stationsgebied tot nog toe in sloop, de kade ligt nog steeds vriendelijk in het verlengde van de tunnel en vormt een scherp contrast met de omliggende betonkolossen. De bebouwing aan de Van Sijpestijnkade is gevarieerd en omvat zelfs een rijksmonument. Vroeger liep de kade tot aan de Leidseweg, maar door allerlei infrastructurele ingrepen is dit verband nauwelijks nog te zien. Een dergelijke, historische structuur, op deze plek, is een cadeautje. Meer dan de hoge hoteltorens eromheen is de Van Sijpesteijnkade een baken aan de westkant van de stad. Iets wat in het toekomstige stationsgebied gekoesterd zou moeten worden in plaats van uitgewist.

ERIK VAN DER MAREL, RAADSLID VVD
De Wolvenhof, Wolvenplein, NVB Architecten 2005

Wolvenhof is een particuliere ontwikkeling in het kwetsbare centrum van de stad. Door de geringe hoogte, de materiaalkeuze, de puntdaken en de detaillering, is het bijzonder goed gelukt de nieuwbouw op deze historische omgeving te laten aansluiten. Verder is er natuurlijk de volledig ondergrondse garage die het blik uit zicht haalt. Met deze elementen weerspiegelt het plan wat mij betreft de architectonische identiteit van Utrecht in 2018. In Leidsche Rijn en straks in Rijnenburg kan het architectonisch niet wild genoeg zijn. Maar in de oude stad en de vroeg twintigste-eeuwse uitbreidingswijken, moet er wat mij betreft gebouwd worden met respect voor de bestaande omgeving.

MARJAN SCHURING, RAADSLID GROENLINKS
Vondelparc, Rivierenwijk, Mecanoo Architecten 2002

De nieuwe woningbouw achter de Vondellaan zou ik ‘de trots van de toekomst’ willen noemen. De nieuwbouw heeft zich gevoegd naar de bestaande bebouwing en omgeving. Beide passen prachtig bij elkaar, terwijl het toch geen tuttige, neo-woningen zijn geworden. Een dergelijke bescheidenheid, aansluiten bij wat er al is, vind ik een verademing tussen de ambities om landmarks en statements te maken. Bovendien heeft het hele gebied een open en groene uitstraling omdat er relatief veel openbaar groen is, aangevuld met kleine, intieme tuinen voor bewoners aan de binnenkant van de gebouwen. Ik vind dat een goede verhouding tussen publiek en privaat groen.

HARRIE BOSCH, WETHOUDER VAN O.A. RUIMTELIJKE ORDENING (GROENLINKS)
Prinses Irenepark, Zuilen, Gulikers Architecten 2006

Goede architectuur is meer dan een mooi gebouw en dat geldt zeker voor het Irenepark in Zuilen. Het gaat om een prachtig gebouw op een mooie plek, maar ook om ruim honderdzestig woningen, dichtbij de Vecht, met een grote diversiteit aan woningtypen en een verrassende buitenruimte. Belangrijkste vind ik dat de partijen het, binnen het Wijk­ontwikkelingsplan Zuilen, aangedurfd hebben om deze kwaliteit van wonen en leven op deze plek te realiseren. Deze ontwikkeling draagt bij aan een omslag van Zuilen naar een wijk met zichtbaar meer perspectief. Voor mij een duurzaam en lichtend voorbeeld voor de aanpak in de andere krachtwijken.

STAF DEPLA, TWEEDE KAMERLID PVDA
De Kersentuin, Parkwijk, Architecten en Ingenieursbureau Kristinsson 2003

De Kersentuin is een bewonersinitiatief dat in eigen beheer een duurzame woonwijk met 28 huur- en 66 koopwoningen heeft verwezenlijkt. Ik ga er vanuit dat het in het Utrecht van 2018 normaal is dat bewoners zelf de opdrachtgever of medeopdrachtgever zijn van hun woning. Bij het bouwen in eigen beheer betaal je voor dezelfde kwaliteit vaak minder. Dit is gezien de hoge huizenprijzen in Utrecht geen overbodige luxe, om de vele jonge starters in onze stad een kans te geven op een betaalbare woning. Bovendien is het een project dat laat zien dat natuur, milieu en kindvriendelijk bouwen in de praktijk goed mogelijk is. Iets wat in 2018 de standaard zal zijn in Utrecht.

WILLEM BUUNK, RAADSLID VVD
Faculteit Educatieve Opleidingen, De Uithof, Hoogstad Architecten 2007

Van een saai ogende campus verandert de Uithof in een kennispark met opvallende en kleurrijke gebouwen. De scherpe contrasten tussen het prachtige landschap en goede architectuur zijn de kracht van de Uithof. In 2018 is het hopelijk ook een aantrekkelijk science park voor ondernemende onderzoekers. Als bedrijven, vastgoedbeleggers en de gemeente goed samenwerken kunnen ook andere bedrijventerreinen en kantoorlocaties tot multifunctionele werk-, woon- en kennisparken zijn omgevormd. Door gezamenlijk goede opdrachten te geven aan stedenbouwkundigen en architecten wordt Utrecht een toplocatie voor nationale en internationale kenniswerkers.

CEES VAN EIJK, WETHOUDER VAN WELZIJN, CULTUUR, INTEGRATIE EN BINNENSTAD (GROENLINKS)
Het Bolwerk, Servaasbolwerk, AWG (Bob van Reeth) 2006

Ik bewonder de eigenzinnige manier waarop de nieuwbouw is geïntegreerd in de bestaande stad. Het sluit aan op datgene waar Utrecht voor staat: historisch, persoonlijk, vernieuwend en talentvol. Het introverte gebouw past bij ‘het geheim’ van het Servaas Bolwerk, de bunker die hier jaren gecamoufleerd stond. De maat houdt rekening met de schaal van de binnenstad. De vorm intrigeert, het is een monoliet met glazen wanden die het pand doorsnijden en uitzicht bieden op de Dom. En het gebouw kwam op onorthodoxe wijze tot stand. Het Bolwerk slaat een brug tussen het oude en nieuwe Utrecht en past bij het open en kosmopolitische karakter van Utrecht in 2018.

Compacte stad én blije mensen

DICHT OP ELKAAR VOOR HET GROTERE GOED

In ons kleine, maar overbevolkte land is natuur schaars. Om naast bebouwde grond ook open, onbebouwde ruimte en daarmee de (be)leefbaarheid van de omgeving te kunnen behouden, is het van belang om een groot deel van het woon- en bouwprogramma binnen bestaande steden te realiseren. De overheid is hier ook van overtuigd en de wens tot verdichten is nadrukkelijk in het beleid opgenomen. Een boottocht over de Vaartse Rijn op de Dag van de Architectuur laat zien hoe Utrecht met deze opgave omgaat.

Mascha van Damme

Hoewel de stad Utrecht haar ambitieuze bouwprogramma van 16.000 woningen in de periode 2005-2009 voor het overgrote deel kwijt kan in het nieuwe stadsdeel Leidsche Rijn, zal de gemeente zich ook over manieren van verdichting in de bestaande stad moeten buigen. De provincie Utrecht heeft immers onlangs aangegeven tussen 2015 tot 2030 minder woningen te bouwen in groene gebieden. De groeiende behoefte aan nieuwbouw en de noodzaak om oudere stadswijken te revitaliseren, waaronder de beruchte Vogelaarwijken, vergen dus oplossingen binnen de bestaande stedelijke structuren. Een aanzet tot de grote verdichtingopgave is in 2002 gegeven met de workshop ‘50.000 extra woningen in de stad Utrecht’ van Architectuurcentrum Aorta. Gelukkig is het niet bij plannen gebleven. De Gemeente Utrecht heeft vorig jaar ongeveer 2.600 nieuwe woningen gebouwd, waarvan 700 in de bestaande stad.

GEEN STRESS IN DE STAD
De noodzaak voor intensief en geconcentreerd ruimtegebruik wordt onderkend en tegelijkertijd met argusogen bekeken. Vaak wordt gedacht dat verdichting ten koste gaat van de (groene) openbare ruimte. Het beeld dat we hebben van compacte steden is vooral bepaald door metropolen in ontwikkelingslanden, zoals Shanghai, Hong Kong, Mumbai (Bombay) en New Delhi, waar armoede op het platteland een grote trek naar de steden teweeg heeft gebracht. Hierdoor is verdichting vaak synoniem aan gebrek aan ruimte, groen en privacy, en een teveel aan overlast en drukte. Daarbij wordt bouwen in een hoge dichtheid vaak verward met hoogbouw en is het daarom niet gewenst. In Nederland wordt de groei van steden allang niet meer bepaald door een ongeremde migratie van armen op zoek naar werk en kunnen compacte steden met zorg en meer geld worden vormgegeven.

Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat mensen graag in een hoogstedelijke omgeving wonen en er goed gedijen zo lang daar maar een goede openbare ruimte, recreatief groen in de buurt of een recreatieve buitenwoning tegenover staat. Rijkere mensen wonen hier zelfs minder vaak buiten de stad dan in andere landen het geval is. Daarbij moet opgemerkt worden dat zij vaak in grotere appartementen in de betere buurten bewonen.

Stress is de meest onaangename factor, die vooral toeneemt door onvoorspelbaar gedrag en niet zozeer door de aantallen mensen in de directe omgeving. Het voorkomen van stress vraagt om een doordachte inrichting van de openbare ruimte waarin mensen vloeiend kunnen bewegen en een zekere mate van privacy hebben. Bouwen in een hogere concentratie is dus een ontwerpvraagstuk waar met zorg mee omgegaan moet worden. Daarbij gaat het niet om de vraag hoe je maximaal kunt verdichten, maar hoe je verdichting zo acceptabel mogelijk kunt maken. De afzonderlijke projecten langs de Vaartse Rijn geven een goed beeld van de verschillende manieren waarop de compacte stad in Utrecht wordt vormgegeven.

PARKEREN UIT HET STRAATBEELD
Op het binnenterrein tussen de Oosterkade en de Wulpstraat, het voormalige Van der Linden terrein, wordt momenteel aan het Hof van Ravenna gebouwd met 14 appartementen en 45 ‘stadswoningen’. De architectuur en de stedenbouwkundige opzet is ontworpen door Wytze Patijn van Kuiper Compagnons. Vanuit de gemeente bestond de nadrukkelijke wens voor een dicht stedelijk weefsel met respect vóór en referenties aan de historie van de plek. In de nieuwe opzet is daarom verwezen naar het verkavelingspatroon van de oude voorstad die zich hier bevond. Een patroon van stegen verbindt autovrije binnenterreinen en besloten pleintjes. Het parkeerprobleem is opgelost door een privé-parkeergarage onder de woningen te maken.

Het gevaar bestaat dat het teruggrijpen op de oude stegenstructuur als excuus wordt gebruikt om een zeer stenig ontwerp te maken met een bestrating van plint tot plint. Het gebruik van smalle straten en een gebrek aan groen kan als historisch verantwoord worden uitgelegd. Het is dan van des te meer belang dat door middel van zorgvuldige detaillering en doordacht materiaalgebruik de hoge dichtheid als aangenaam ervaren kan worden, zoals het project van AGW architecten aan de Mariaplaats heeft bewezen. Zeker als de individuele panden met afzonderlijke detaillering, zoals in beide projecten het geval is, hebben plaats gemaakt voor een groter complex met een coherent uiterlijk. De weerstand tegen een compacte stad kreeg hier overigens zijn beslag; de plannen zijn lange tijd tegengehouden door bezwaren tegen de hoge bebouwingsdichtheid. Deze zijn ongegrond verklaard en de bouw is in volle gang. Wel zijn er aanpassingen doorgevoerd in het afwerkingmateriaal. Het betonskelet geeft alleen nog niet prijs of dit ook een acceptabele verdichting oplevert.

GLOOIEND GROEN
Het Vondelparc aan de Jutfaseweg is een ontwerp van Mecanoo. Omdat het beschikbare terrein veel ruimte bood was een ruime opgezet complex mogelijk met veel gemeenschappelijk buitenruimte, dat de woondichtheid in de stad toch aanmerkelijk vergroot. Het stedenbouwkundig plan voor de inrichting van 19.600 m² openbare ruimte en de bouw van 203 woningen werd in 2002 gerealiseerd. De voormalige bebouwing op dit terrein bestond voor een deel uit het Tandheelkundig Instituut en enkele andere universiteitsgebouwen. De beschermde monumenten aan de rand van het terrein zijn blijven staan en bepalen voor een deel het gezicht naar de omgeving. Waar de nieuwe bebouwing moet aansluiten op de omringende, hogere herbestemde universiteitsgebouwen zijn de woningenblokken enkele verdiepingen hoger. Daarachter is een aangename woonbuurt gerealiseerd met een relatief geringe bouwhoogte en een groene openbare ruimte. Alle auto’s zijn uit het straatbeeld verdwenen door ze onder een deels opgehoogd maaiveld onder te brengen. Vloeren van vlonders laten licht door in de verdiepte straten die dit niveau ontsluiten. Grote privé-tuinen zijn ingeleverd ten behoeve van een ruime, gemeenschappelijke groene ruimte, vormgegeven als een glooiend park dat vooral bedoeld is voor voetgangers en ook een meerwaarde geeft aan de aangrenzende woongebieden.

VEEL OP WEINIG
In het woningbouwcomplex MAX wordt voor de compacte stad een klassieke oplossing toegepast, een grootschalig project met een hoge dichtheid. Dat kan ook niet anders met de vraag naar 989 wooneenheden voor de onderkant van de woningmarkt. De Rabobank bouw met MAX studenten- en starterswoningen op een grondvlak van een ruime hectare (90 x 120 meter) aan een voormalige industriestrook langs het Europaplein, bij sommigen beter bekend als de voormalige ‘afwerkstrip’. Met een dergelijke dichtheid is het ontwerpen van de openbare ruimte van cruciaal belang. Daar lijkt Klunder Architecten uit Rotterdam, die eerder voor een studentencomplex in Den Haag tekende, zich terdege van bewust. De woningen zijn verdeeld over drie torens op een kavelvullende plint van vier bouwlagen. Op het dak van de laagbouw wordt een centraal binnenplein ingericht. Met studenten van de Hogeschool Utrecht wordt de inrichting van verschillende binnenpleinen en collectieve ruimten voor kleinere clusters ontworpen. Dankzij een vergaande rationalisatie van de standaardwoning en het bouwsysteem ontstond in het uitgeklede wooncomplex financiële ruimte voor een breed aanbod van voorzieningen in de plint, die aansluiten bij de beoogde bewonersdoelgroep, zoals kleine restaurants, copyshops, muziekwinkels, ruimte voor startende ondernemers, een sportcentrum en een berging voor 1750 fietsen. De opleveringsdatum is in het najaar 2008 voorzien. Het is jammer dat in dit prijzenswaardig project weinig aandacht is voor het balkon, een miskend onderdeel van de privé-buitenruimte zoals blijkt uit de recente manifestatie in de Zuiderkerk in Amsterdam en de gelijknamige publicatie Het Balkon, op zoek naar lucht en licht . De meeste woningen hebben naar binnen openslaande deuren en een Frans ‘balkon’, niet meer dan een hekje dus.

DICHTERSWIJK
Een hoge stedelijkheid was ook een van de uitgangspunten bij de ontwikkeling van het stedenbouwkundige plan van Quadrat voor het woongebied Parkwijk op het voormalige Veilingterrein achter de Croeselaan en het defensieterrein, aan de westzijde van het Merwedekanaal. Aansluitend op de jaren dertig woningen van de Dichterswijk bestaat de bebouwing uit reguliere eengezinswoningen. De nieuwbouw langs het Merwedekanaal en aan de kant van de Jaarbeurs is net een laag of twee hoger dan gebruikelijk in Utrecht. De vrijstaande, geschakelde en gesloten bouwblokken worden van een afwisselend uiterlijk voorzien door verschillende architectenbureaus. De stedelijke openbare ruimte moet voor een groot deel nog worden ingericht. Nochtans valt op dat vooral gebruik wordt gemaakt van de bestaande ruimtescheppende elementen zoals het Merwedekanaal waarlangs de hoogste dichtheid voorkomt. Geen betere ruimtewerking dan die door water, ook al biedt het weinig gebruiksruimte.

De vernieuwde veilinghaven voegt daar nog het nodige water aan toe. Sluijmer en Van Leeuwen hebben samen met Metname architecten een integraal plan ontwikkeld voor de veilinghaven, nu de Parkhaven. Het plan is geadopteerd door Bouwfonds Fortis als onderdeel van de inrichting van de openbare ruimte voor Dichterswijk West. Feitelijk gezien biedt de veilinghaven een prachtige combinatie van industrie en romantiek, het kersje op de taart van de hele Dichterswijk. Een prachtig klein voorbeeld van intensief ruimtegebruik op zeer kleine schaal is de nieuwe Havenloods, waarin meerdere gebruikers door goed puzzelen en een krachtig ontwerp op een minimaal oppervlak kunnen worden gebundeld. Daar kan men in grootschaliger projecten nog wat van leren.

Gebruikte literatuur: Ma-sa van Tangram.
Met dank aan Charlotte ten Dijke (Tangram architekten).

Inspraak moet zinvol zijn

INTERVIEW MET HANS VENHUIZEN

In ruimtelijke veranderingsprocedures bevinden de betrokken, private partijen en politici zich nogal eens in een patstelling. Hans Venhuizen ontwikkelde een spel om dergelijke procedures meer lucht te geven en de betrokkenen op basis van gelijkwaardigheid te laten deelnemen. Zo wordt het eindresultaat geen ontevreden stellend gevolg van een democratisch recht, maar een geïnspireerde uitkomst van een open samenwerking.

MB: Wat wilde je bereiken?
HV: Het spel ontstond als simulatiemodel voor de omgang met de complexe ruimtelijke ordeningspraktijk. Het maakt de situatie die op het punt staat te veranderen inzichtelijk op een manier dat ook niet-professionals ermee uit de voeten kunnen. Ik wilde bereiken dat iedereen een veranderende situatie kan overzien en daardoor uit de eigen achtertuin, of uit de eigen sector wordt gelokt. Zo wil ik voorkomen dat inspraak wordt uitgevoerd die zinloos is omdat mensen de noodzakelijke kennis niet hebben om mee te praten, of enkel bevestigd en vervolgens gesust worden in hun emotionele kijk op de situatie. Zo kan een andere procesvorm ontstaan, die het ruimtelijke veranderingsproces kan opschudden voor alle betrokken partijen.

MB: Wat is je ervaring met inspraak?
HV: Inspraak in ruimtelijke veranderingsprocessen is vaak onbevredigend en gebeurt vaak te vroeg of te laat. Een open planproces betekent dat je iedereen de kennis geeft om mee te praten, zodat ze deelgenoot worden van de beslissingen. Niet dat je op voorhand beslissingen neemt en deze daarna voorlegt. Een planproces wordt niet open door er ‘open’ voor te zetten.

MB: Je bepleit een herziening van de bestaande inspraakprocedure, waarom is Nederland daar nu aan toe?
HV: De ruimtelijke ordening is een buitengewoon complex bedrijf geworden met vele technische, politieke, economische en sociale spelers. Op landelijk niveau zien we op velerlei gebieden een terugtrekkende overheid en toenemende inmenging van private partijen. Deze spelers hebben over het algemeen sterke posities aan de onderhandelingstafels verworven, maar het is niet altijd duidelijk wie de regie heeft en verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het eindresultaat. Het gaat daarbij ook om de gave om van een plan meer te maken dan de som der individuele belangen.

MB: Het spel oogt als een heuse televisiequiz, met teams, oplopende spanning en een heuse quizmaster. Vanwaar je voorliefde voor spelletjes?
HV: Net zoals ik vind dat je in veranderingsprocessen bepaalde fenomenen, ook al lijken ze er niet toe te doen, zo lang mogelijk mee moet nemen, omdat ze uiteindelijk essentieel kunnen zijn, zo neem ik zelf ook allerlei voorliefdes mee die soms opduiken en essentieel blijken te zijn. Wie hield er als kind niet van spelen, en deed zo veel kennis op over samenwerken, afspraken maken, structuren, regels, et cetera. Die manier van leren mogen we niet verleren, spelen is een serieuze zaak. Ik studeerde planologie en kunst in de openbare ruimte, maar zag altijd het spel van het ontstaan van ruimte. Dat spel heb ik nu voor iedereen speelbaar gemaakt.

MB: Hoe sluit het spel aan bij je werk als beeldend kunstenaar?
HV: Dit is wat ik doe, mijn achtergrond is de beeldende kunst, maar mijn loyaliteit ligt in en mijn werkterrein is de gebouwde omgeving. Ik maak geen kunst maar hou me bezig met ruimtelijke ordening vanuit een cultureel perspectief.

MB: Dicht jij de politiek veel invloed toe?
HV: De overheid moet haar regisserende rol beter oppakken en zich niet verder terugtrekken. Maar regie vereist inhoud en het maken van keuzes. De cultuur waar ik het vooral over heb, is niet de cultuursector of de cultuur van het vestigen (zoals architectuur), maar de cultuur van de planvorming.