Ondiep: na de sloophamer niks dan goeds?!

De hervormingsplannen voor Ondiep zijn al begin 2000 gemaakt en moeten de wijk na alle oproer in 2007 een betere toekomst geven. De rellen, het M.E.-optreden, de afsluiting van delen van de wijk en de negatieve media leverde Ondiep weinig goeds. Daarbij viel de wijk de twijfelachtige eer ten deel door minister Vogelaar geselecteerd te worden als één van de veertig Prachtwijken van Nederland. De in de afgelopen jaren opgestelde beleids- en actieplannen voor hervorming en herinrichting van de wijk Ondiep beloven verbetering op alle fronten. Maar wat staat er concreet op stapel? In oktober 2007 presenteerde de gemeente Utrecht de wijkactieplannen voor de vier ‘Vogelaarwijken’. Het wijkactieplan voor Ondiep is een samenballing van alle plannen die al eerder voor de wijk gemaakt zijn. Echter nu zijn de maatregelen integraal opgevat en het geld van Gemeente, woningbouwcorporatie en subsidiepotjes is bij elkaar gegooid; hopende dat Minister Vogelaar er financieel nog een schepje boven op doet. Voordat de sloophamer Ondiep helemaal van de kaart veegt een overzicht van de ontstaansgeschiedenis van de wijk, een uiteenzetting van de geschetste toekomst in het ‘wijkactieplan Ondiep’ en een blik op één van Utrechts meest controversiële en (bouw)historisch zwaar onderschatte volksbuurten.

Machteld Kors

Ondiep is één van de oudste wijken van Utrecht buiten de singels en bestrijkt grofweg het gebied tussen de Nijenoord en de Marnixlaan (noord-zuid) en de Amsterdamse Straatweg tot de Vecht (west-oost). In Ondiep wonen momenteel circa 10.000 mensen in 4.000 goedkope eengezinswoningen die grotendeels in bezit zijn van woningcorporatie Mitros. Symbolisch voor het imago van de wijk en typerend voor de onderschatte rijke historie van Ondiep, is dat hier de oudste vondst ooit werd gedaan in de stad Utrecht: een stenen strijdbijl van meer dan 3.000 jaar oud. Ondiep, ontleent haar naam aan het feit dat het gelegen is in het stroomgebied van de Vecht dat aan het begin van de jaartelling nog onbedijkt door het gebied stroomde en daar zogenaamde ‘ondieptes’ veroorzaakte.

ONTSTAANSGESCHIEDENIS WIJK ONDIEP
De ontstaansgeschiedenis van de wijk Ondiep begint bij de groei van het aantal inwoners van Utrecht in achttiende en negentiende eeuw. De omstandigheden in de middeleeuwse stad waren slecht waardoor de vraag naar nieuwe woningen steeds groter werd. Aan het begin van de twintigste eeuw werd, zonder duidelijk vooropgezet stedenbouwkundig plan, begonnen met uitbreiding aan de Noordwest zijde van de stad. De ruimtelijke structuur en architectuur van de afzonderlijke nieuwe wijken werden geïnspireerd op het tuinstedenconcept dat aan het eind van de negentiende eeuw door de engelsman Howard werd ontwikkeld. In dit sociaal-ruimtelijke model voor de opzet van nieuwe steden stond de menselijke maat centraal en was er binnen de wijk ruimte voor verschillende woningtypes, verschillende functies en veel groen. In de jaren ’10 van de twintigste eeuw raakte de ontwikkeling van Ondiep in een stroomversnelling. Het allereerste gebouw van Ondiep was het slachthuis dat in 1901 langs de Amsterdamse Straatweg werd gebouwd. Een paar jaar later werd de Openbare School (1906) neergezet aan de Ondiep.

De eerste wijk gebaseerd op het tuinstadconcept in Ondiep werd ontworpen door architect Verhagen en kon gerealiseerd -worden door de bezielende steun van wethouder openbare werken Fockema Andreae in de periode 1911-1913. De wijk kreeg de naam ‘Het Kleine Woningwijk’.¹ Van de tuindorpen in Noordwest Utrecht neemt ‘Het Kleine Woningwijk’ een bijzondere plaats in omdat het één van de oudste Utrechtse stadsuitbreidingen is sinds de Middeleeuwen. Deze uitbreiding was vrijwel volledig in handen van de stad Utrecht. Veel andere tuindorpen werden later gebouwd dankzij particulier initiatief (DEMKA) en kenden vaak ook een politieke of religieuze kleur (Sint Jozef). Bouwen was voor de bedrijven vaak bittere noodzaak om hun personeel te huisvesten. In ‘Het Kleine wijk’ werden echter vooral bewoners uit de binnenstad gehuisvest. Een deel van de wijk was bijvoorbeeld bestemd voor de ‘onmaatschappelijken’: mensen die onder curatele waren gesteld en onder toezicht moesten wonen.

Volgend op ‘Het Kleine Wijk’, werd ‘Het Witte Wijk’ gebouwd. Wegens de hoge kwaliteitseisen van de woningwet 1901 en de geringe interesse van ondernemers nam de Gemeente ook hier het grootste deel van de projectontwikkeling in eigen hand. In 1915 werd het 1000-woningenplan gelanceerd voor de rest van de wijk.² De bouwtekeningen van de Roëll- en Heringastraat en de Buitenring dateren uit 1919. De gemeente nam verder initiatieven om de wijk van scholen te voorzien waaronder de Rijks Winterlandbouwschool (1915) en de Rietendakschool (1923). De bouw van Ondiep geschiedde steeds in afgeronde complexen, vandaar dat Ondiep uit afzonderlijke ‘buurtjes’ bestaat. Tot 1922 werden zo negen wijkjes gebouwd, die in totaal 1251 woningen telden. Omdat de bouw duurder uitviel door het grote tekort aan bouwmaterialen werd er gekozen voor het bouwen in beton. Hierdoor werden in Ondiep de eerste gemeentelijke betonwoningen van Utrecht gebouwd, in totaal 242 woningen, het tiende en elfde complex van Ondiep. Naast de bouw van woningen werden in deze wijken ook winkelpanden, kerken, scholen en een groot sportterrein gebouwd. Pas in 1920 werd met het uitbreidingsplan van H.P. Berlage en N. Holsboer de definitieve zonering van de wijk Ondiep vastgelegd zodat de afzonderlijke wijkjes een samenhangende structuur kregen. Het stedenbouwkundig plan heeft als basis een ‘vorkstructuur’ van de twee belangrijkste statige ontsluitingswegen de laan van Chartroise en de Royaards van der Hamkade. Het plan maakt deel uit van de zogenaamde As van Berlage die Zuilen verbindt met het centrum van Utrecht. In de jaren dertig werd de bouw van Ondiep voltooid.

Hoewel er vanaf 1973 in Ondiep veel gerenoveerd is, is de monumentale stedenbouwkundige structuur tot op heden onaangetast. De grootste stedenbouwkundige en programmatische aanpassing in de bestaansgeschiedenis van Ondiep was de sluiting van het slachthuisterrein en herontwikkeling ervan in de jaren negentig tot de Plantage: een introvert centrum met woningbouw, een te groot winderig plein en winkels.

PLANNEN VOOR EEN VERNIEUWD ONDIEP, DE SLOOP IS BEGONNEN!
Uit de wijkenmonitor Utrecht (1996), een onderzoek naar de ruimtelijke en sociale structuur in de Utrechtse wijken, bleek Ondiep in de categorie openbare ruimte en op het gebied van veiligheid de slechtste Utrechtse wijk. Op sociaal gebied waren er bijvoorbeeld tussen de verschillende ‘wijkjes’ in Ondiep grote spanningen. Op het gebied van openbare ruimte, voorzieningen en huisvesting bleek verloedering en gebrek aan groen een veel gehoorde klacht. Om de sociale problemen en het verval in Ondiep tegen te gaan zijn aan het begin van 2000 vanuit verschillende partijen en met verschillende subsidiepotjes, vier projecten opgezet. Deze projecten zijn nu de pijlers onder het gepresenteerde wijkactieplan Ondiep (Prachtwijk Minister Vogelaar). Misschien is dit, zoals vanuit de politiek wel gehoord wordt, inderdaad oude wijn in nieuwe vaten, maar dat lijkt toch een betere optie dan deze plannen, die al acht jaar geleden werden opgestart, over boord te gooien. Ze zijn immers op basis van uitgebreid, democratisch wijkonderzoek geformuleerd en vormen de basis voor het doorbreken van de sociale problemen en het verbeteren van de ruimtelijke woonkwaliteit in de wijk. De titels van de vier plannen spreken voor zich: Levenslustig Ondiep (2003), DUO (De Utrechtse Opgave/ Utrecht vernieuwt) (2001- 2009), Wijkvisie Ondiep ‘Dorp in de stad’ (2004), Innovatie Programma Stedelijke Vernieuwing (2000). Alle plannen richten zich op een verbetering van de woningvoorraad en het versterken van de zwakke sociale structuur in de wijk. De cultuurhistorische waarde van de architectuur in de wijk blijft in de meeste plannen onderbelicht.

TWAALF JAAR RENOVATIE EN HERSTRUCTURERING
Het oude plan uit 1958 liet de nieuwe ontwikkelingen in de gemaakte plannen niet toe. Om de projecten toch doorgang te kunnen laten vinden, werd in oktober 2007 een nieuw bestemmingsplan gepresenteerd voor Ondiep. Daarin is een aantal uitgangspunten geformuleerd die een goede indruk geven van de ruimtelijke consequenties voor Ondiep. Zo wordt er gestreefd naar verdichting van de wijken en tegelijkertijd naar versterking van de historische structuur van Berlage en Holsboer. Daarnaast wordt gepleit voor het aanbrengen van dwarsverbindingen door de oude ‘wijkjes structuur’. Deze uitgangspunten lijken elkaar tegen te spreken. Er is een spanningsveld tussen de wens om enerzijds de zwakke sociale cultuur te versterken en anderzijds de architectonische en stedelijke structuur te verbeteren. Deze twee doelstellingen gaan niet hand in hand waardoor de opgave complex is en concessies vereist vanuit ruimtelijk, architectonisch en sociaal perspectief.

De uitgangspunten in het bestemmingsplan vormen het kader voor de vier belangrijkste deelprojecten van de herstructurering van Ondiep (zie beknopte toelichting), die nu opgenomen zijn in het wijkactieplan voor Prachtwijk Ondiep. Als alles gaat volgens plan zullen herstructurering en renovatie van de wijk uitgevoerd worden in een periode van twaalf jaar. De periode is opgedeeld in drie fases van elk vier jaar. In totaal zullen er 1.200 woningen worden gesloopt. Bedenkende dat dit meer dan een kwart van alle woningen in Ondiep is, kan de impact van deze herstructurering niet meer onderschat worden. Ondanks het behoud van de stedelijke structuur, en de historiserende nieuwbouw, wordt een gat geslagen in het Utrechtse woningbouw erfgoed. Er zullen daarvoor in de plaats 1.300 woningen terugkomen waarvan het type niet drastisch zal veranderen. Slechts 575 woningen worden gerenoveerd. Concreet komt het erop neer dat het Sportpark aan de Marnixlaan een multifunctioneel cluster wordt. De Fruitbuurt en Bomenbuurt wordt gerenoveerd waarbij de randen van de wijk gesloopt worden om plaats te maken voor hogere bebouwing waarmee het plan van Berlage en Holsboer wordt versterkt. Meest schokkend is dat ‘Het Kleine Wijk’ volledig gesloopt zal worden en plaats moet maken voor nieuwbouw. Het Witte Wijk wordt grotendeels gerenoveerd. In Nijenoord zal een verdichting plaatsvinden en worden alle woningen van Mitros gesloopt. De Plantage zal na aanpassingen uiteindelijk toch nog het sociale kloppende hart moeten worden van de wijk Ondiep.

Het zijn rigoureuze plannen en het lijkt erop dat in de deelwijkjes waar de sociale spanningen het hoogst waren de sloophamer het meest ter hand wordt genomen. Vanuit sociaal perspectief is dit misschien nog te verklaren, maar het verlies van bijzondere ‘tuinstadconcept woningen’ uit het begin van de 20ste eeuw is eeuwig zonde.

HUIDIGE STAND VAN ZAKEN EN OPGELEVERDE PROJECTEN
De eerste sloop en nieuwbouw is begin 2006 van start gegaan. Het appartementencomplex aan de Ahornstraat is ondertussen gerealiseerd en geeft een indruk van het aangekondigde, meer stedelijke karakter van Ondiep. Het complex telt 83 appartementen, aan de Ahornstraat verdeeld over vijf verdiepingen met een half verdiepte parkeergarage, en op de hoek van de Laan van Engelswier met zes bouwlagen (83 sociale huurwoningen). Het werd ontworpen door KOW Stedenbouw & architectuur en markeert de stemvork structuur in het ruimtelijke plan. De twee bouwblokken met 75 eengezinswoningen aan de Heringastraat en Joan Roelstraat zijn gesloopt en ondertussen is nieuwbouw naar ontwerp van Weeda en Van der Weijden Architecten gerealiseerd. De typische kleinschalige en eenduidige stedenbouwkundige én architectonische typologie met mansarde-kappen, hoekaccenten en gebouwde erfscheidingen zijn in de nieuwbouw zorgvuldig teruggebracht. Het is netjes gedaan, maar de bezieling is met deze standaard historiserende nieuwbouw uit de wijk gehaald. Alleen de bestaande melkwinkel zal in een later stadium worden gerestaureerd en een bijzondere functie krijgen.

Nu de twee fase van de herstructurering van Ondiep is begonnen is er in de wijk al veel veranderd. Wellicht ten goede van het leefklimaat, maar wel ten koste van het authentieke karakter van deze bijzondere wijk. In de tweede fase staat de sloop en nieuwbouw van Het Kleine Wijk op het programma. Deze wijk is hét voorbeeld van één van de eerste uitgevoerde tuindorpen buiten de middeleeuwse stad. Momenteel staat Het Kleine Wijk leeg te wachten op de sloophamer. 195 woningen en negen (voormalige) bedrijfsruimten worden gesloopt en vervolgens zullen 183 nieuwbouwwoningen terug worden gebouwd, waarvan 41 in de sociale huursector. In de voorlichting wordt benadrukt dat de nieuwbouw nadrukkelijk aansluiting zoekt bij de huidige sfeer en ruimtelijke opzet van Het Kleine Wijk. De plaatjes van de nieuwbouw laten een poging zien de oude stijlkenmerken van de architectuur te laten herleven in de nieuwbouw. Maar of dit ook gaat lukken, moeten we gaan zien. Vanuit sociaal perspectief wordt het mogelijke geboden: huidige bewoners krijgen voorrang op een nieuwbouwwoning aan de Heringastraat en Ahornstraat en hoeven de wijk desgewenst niet te verlaten. Mooie woorden, voor een mooie wijk.

NOTEN:
1 Fockema-Andreae werd in 1914 burgemeester van Utrecht. Architect Verhagen ging verder met ontwerpen, samen met Granpré-Molière als vertegenwoordigers van de Delftse School.
2 ‘Het Kleine Woningwijk’, werd later in de volksmond ‘Het Kleine Wijk’ genoemd’.
3 Het doel van de Woningwet was: bewoning van slechte woningen onmogelijk maken en de bouw van goede woningen bevorderen. Om dit te bereiken, gebruikte men een combinatie van strenge regels om slechte woningen tegen te gaan en het gebruiken van gemeenschapsgeld om de bouw van goede woningen te bevorderen.

BEKNOPTE OMSCHRIJVING VIER PLANNEN ONDIEP ALS BASIS VOOR WIJKACTIEPLAN PRACHTWIJKEN, MINISTER VOGELAAR

Levenslustig Ondiep – 2003
De doelstelling van het project luidt: Ondiep is een vitale wijk, geschikt voor mensen van verschillende leeftijden en leefstijlen, en ook een wijk met een duidelijke sociale samenhang. Een deel van Ondiep wordt geherstructureerd. Door de herstructurering moet de kwaliteit van de woningvoorraad en de sociale structuur van de buurt verbeteren. Naast het woningbouwprogramma vertaalt Levenlustig Ondiep zich concreet in drie nieuwe centra van voorzieningen: de Plantage, het Boerhaaveplein en het Trendpark.

DUO (De Utrechtse Opgave/ Utrecht vernieuwt) – 2001-2004 2005 – 2009
Dit zijn afspraken die de gemeente Utrecht heeft gemaakt met alle woningcorporaties en de koepel van bewonersorganisaties in Utrecht voor de aanpak van diverse wijken. In 2005 is DUO de tweede fase (2005-2009) ingegaan onder de noemer ‘Utrecht Vernieuwt’. In totaal pakt Mitros 2.100 sociale huurwoningen woningen aan. Bijna zeshonderd woningen worden ingrijpend gerenoveerd, circa 1.200 woningen worden gesloopt en iets minder dan driehonderd woningen worden verkocht. Er worden 1.300 woningen teruggebouwd, waarvan minimaal 450 koopwoningen.

Wijkvisie Ondiep ‘Dorp in de stad’ -2004
Begin 2004 is de wijkvisie voor Ondiep vastgesteld. De wijkvisie bevat een analyse, een toekomstvisie met fysieke en sociale doelstellingen en een uitvoeringsprogramma. Het project ‘Nieuw Wonen’ sluit aan bij de doelstelling van de wijkvisie Ondiep ‘Dorp in de stad’ uit 2004. De doelstelling van de Gemeente Utrecht, Mitros en de bewoners hierin is om van Ondiep weer een typisch Utrechtse volkswijk te maken, uitgerust met voldoende voorzieningen voor oud en jong, en gebaseerd op een hecht sociaal verband.

Innovatie Programma Stedelijke Vernieuwing
Het Ministerie van VROM heeft in het kader van het Innovatieprogramma Stedelijke Vernieuwing (IPSV) een subsidiebijdrage van Ä 256.000 verstrekt voor de planvormingfase. De daadwerkelijke vernieuwing van de sportaccomodaties wordt gefinancierd vanuit de opbrengsten van de woningen.

Outsider voor outsiders

VMX REALISEERT NIEUWBOUW WILLEM ARNTSZHUIS

Binnenkort zal de nieuwbouw van het Willem Arntszhuis aan de Lange Nieuwstraat worden opgeleverd. VMX architects, een outsider in de wereld van zorg- en ziekenhuisarchitectuur, realiseerde op het binnenterrein een kruisvormig complex met opvallende, gekleurde gevels. Daarmee markeert ‘het Willem Arntsz’ opnieuw de plek die zij al sinds 1461 inneemt in de Utrechtse binnenstad. Wat betreft de indeling en inrichting voegt het gebouw zich naar de behoeften en wensen van de cliënt. Met de stedenbouwkundige inpassing levert het een bijdrage aan het stelsel van openbare ruimtes in de binnenstad.

Catja Edens

In hun vorige jaar verschenen monografie VMX agenda geeft het bureau een gedetailleerd en persoonlijk verslag van het totale proces van de opdracht voor het Willem Arntszhuis. Het is een boeiend verhaal dat begint bij de eerste presentatie voor opdrachtgever Stichting Altrecht, instelling voor geestelijke gezondheidszorg, in de zomer van 2000. Na deze eerste ronde blijven VMX architects en EGM architecten als enige twee kandidaten over. Van hen kon EGM bogen op een jarenlange, specialistische ervaring in het bouwen voor de gezondheidszorg (onder meer het AZU en WKZ). VMX benadrukte vooral zijn kwaliteiten als gedreven outsider. Met een analyse van historische context en bestaande situatie en een visie op ontwikkelingen in de ziekenhuisarchitectuur, haalde VMX architects uiteindelijk de opdracht binnen.

Het relatief jonge bureau, dat toen nog slechts vier gerealiseerde projecten op zijn naam had staan, begon vol ambitie en optimisme aan de opdracht. De ontwerpers doken diep in de materie om inzicht te verkrijgen in de geschiedenis en ontwikkeling van de ziekenhuisbouw. Daarbij raakten ze er steeds sterker van overtuigd dat ze een humaan gebouw zouden kunnen ontwikkelen dat eenheid en samenhang in de bestaande situatie zou brengen. Daarbij wilde VMX bewust niet het woud van eisen en voorwaarden dat zo kenmerkend is voor de zorgsector, centraal stellen. In Utrecht moest niet de zoveelste ‘zorgmachine’ verrijzen.

Interesse en nieuwe inzichten op het gebied van zorgarchitectuur begonnen in die jaren overigens op meer plekken door te dringen. Zo publiceerde Noor Mens in 1999 het boek ‘De Architectuur van het ziekenhuis’ en vier jaar later ‘De Architectuur van het psychiatrisch ziekenhuis’, toonaangevende publicaties die een beeld geven van de ontwikkelingen in de zorgarchitectuur. Ook besteedde de Architect in het aprilnummer van 2005 volop aandacht aan dit onderwerp. Harm Tilman schreef: ‘De gebouwen moeten flexibel zijn en multi­disciplinaire eenheden rond patiëntengroepen huisvesten. Daarnaast moeten ziekenhuizen worden geïntegreerd in de samenleving en worden afgestemd op de schaal van de stad.’ Het zijn de doelen die ook VMX zich stelde bij het ontwerpen van de nieuwbouw voor het Willem Arntszhuis. Ze hadden ‘een haast ouderwets verlangen een gebouw te maken dat betekenis in iemands leven zou hebben’.

VMX agenda beschrijft daarna het verloop van het proces. Daarin besluit het bureau na verscheidene onderhandelingen om de opdracht voor een laag honorarium te accepteren omdat de architecten het als een bijzondere kans zien. Het is een optimisme dat VMX in de loop van het proces hard nodig blijkt te hebben. Een te weinig uitgesproken opdrachtgever, een te ver doorgevoerde democratie in de besluitvorming, tijdsdruk, veranderend beleid en een verschil in opvatting met de Commissie Welstand, zorgde voor een hele reeks van uitdagingen.

ENVIRONMENTAL HEALING
VMX begon met een ruimtelijke analyse van de situatie. Het Willem Arntsz-terrein, gelegen tussen Lange Nieuwstraat, Agnietenstraat, Vrouwe Juttenhof en Vrouw Juttenstraat was in de oude situatie al semi-openbaar gebied. Door de aard en opzet van het terrein was het echter een gebied dat de meeste Utrechters meden. Een duidelijker mix van publieke en private voorzieningen en een meer toegankelijke stedenbouwkundige situatie zou deze situatie echter kunnen keren.

VMX ontwikkelde daartoe vier scenario’s. Het eerste scenario situeerde nieuwbouw aan de randen waarbij het binnenterrein door marktpartijen zou kunnen worden ontwikkeld. Het tweede scenario situeerde de nieuwbouw centraal op het terrein waarbij de randen voor andere functies beschikbaar kwamen. Het derde scenario trok twee bestaande stegen door over het terrein zodat drie deelgebieden zouden ontstaan. Het vierde scenario behelsde een haakvormige nieuwbouw in combinatie met een te ontwikkelen binnenterrein.

VMX wist de opdrachtgever te overtuigen van het tweede scenario dat een natuurlijke combinatie van publiek en privaat mogelijk zou maken. Daarbij bleef het grootste deel van de grond in eigen bezit zodat toekomstige uitbreidingen tot de mogelijkheden bleven behoren. Het gebouw zelf kwam tot stand als een logische resultante van zijn omgeving en werd de absolute tegenhanger van het betonnen massief dat hier jarenlang het beeld bepaalde.

Het kruisvormige complex introduceert een luchtige stedenbouwkundige structuur die in maatvoering en karakter aansluit bij zijn omgeving. Daarmee ontstaan vier semi-openbare pleinen die een bijdrage leveren aan het stelsel van openbare ruimtes in de binnenstad. Bij de architectonische uitwerking van het complex vormde de cliënt het uitgangspunt. De behandelaar moest er uiteraard goed kunnen werken, maar voorop stond dat de cliënt er goed moest kunnen verblijven en zich er beter moest gaan voelen. Dit uitgangspunt, dat VMX zelf aanduidt met environmental healing, is verwant aan het zogenaamde evidence based design dat gaat over de (gunstige) effecten van de meervoudige zintuiglijke ervaring die architectuur kan bieden. Een schone, lichte, royaal gedimensioneerde, overzichtelijke omgeving draagt bij aan het welbevinden van zijn bewoners. De referenties voor het nieuwe Willem Arntszhuis lagen dan ook in de sfeer van hotels en resorts waarbij naast veiligheid ook de privacy en het welbevinden van de cliënt centraal staan.

Dit alles resulteerde in een vriendelijk complex waarin de bovenste verdiepingen werden gereserveerd voor de cliëntenverblijven, voorzien van eigen sanitair, geclusterd in vijf units die elk beschikken over huiskamer, rookkamer, eetkamer, activiteitenruimte, pantry en daktuin. Op de eerste verdieping kwamen vervolgens de kantoren, dienstruimtes, een bibliotheek en drie activiteitenruimtes te liggen, terwijl de crisisdienst, deeltijdbehandeling en ambulante zorg een logische plek kregen op de begane grond.

IDEOLOGISCHE INRICHTING
In zijn geheel kan het gebouw worden opgevat als een structuur van binnenhoven en pleinen die als een passtuk in zijn omgeving is geplaatst. Daarbij kregen de vier pleinen die door het kruis ontstaan, elk een eigen karakter: een representatief entreeplein, een gesloten binnenplein, een informeel woonplein en een kantoorplein. Daarbij werd het budget voor de aangrenzende gevels zodanig verdeeld dat voor cliënten en publiek relatief dure gevels werden gerealiseerd. Het cliëntenverblijf kreeg een driedimensionale, gele kunststof gevel met individuele erkers en het representatieve entreeplein kreeg een wand van witte, gebolde prefab betonelementen. De gevel aan de gesloten binnenplaats op de parkeergarage werd bekleed met bruine vezelplaten met houtprint en de besloten groene binnentuin kreeg een met klimop begroeide groene gevel.

Wat nu vooral nog nieuwsgierig maakt is de inrichting van de verschillende pleinen. Voor het entreeplein bestaan al plannen die de ideologie van Stichting Altrecht kunnen ondersteunen. Doordat in de nieuwe situatie verschillende diensten en afdelingen bij elkaar zijn gehuisvest, ontstaan er goede mogelijkheden voor een multifunctioneel plein waar (ex)cliënten elkaar en hun medeburgers kunnen ontmoeten in een eetcafé, sportclub, werkplaats, kunstuitleen of cursuscentrum en waar zij terecht kunnen voor allerlei ondersteunende voorzieningen. Daarmee zal het Willem Arntszhuis zich nog beter in zijn omgeving kunnen nestelen en zowel in fysieke als sociale zin een bijdrage kunnen leveren aan de stad.

Met zijn kleurrijke gevels is de nieuwbouw van het Willem Arntszhuis een opmerkelijk frisse verschijning in de binnenstad. Het is natuurlijk de vraag hoe deze frisheid in de loop der jaren gaat standhouden, zowel wat betreft kleur als wat betreft het modieuze karakter van met name de kunststof erkers. De uitwerking getuigt in elk geval van het lef en optimisme waarmee de enthousiaste outsiders van VMX het gebouw hebben ontworpen en dat dwingt, zeker voor een project in de zorgsector, respect af.

Faculteit voor educatie

Opdrachtgever: College van Bestuur Hogeschool Utrecht
Locatie: Oxfordpad/Padualaan, De Uithof
Start bouw: 2005
Oplevering: 2007
Architect: Ector Hoogstad Architecten
Bouwkosten incl. install.: € 17.692.803,-
Bruto vloeroppervlak: 17.121 m2

Catja Edens

De faculteit voor educatie vormt de afsluiting van de zogenaamde kasbahzone op de Uithof en staat dwars op deze dichte strook bebouwing, met uitzicht op stad en snelweg. De nieuwbouw werd intern gekoppeld met de twee naast gelegen gebouwen die ook in gebruik zijn bij Hogeschool Utrecht. Grote uitdaging bij dit ontwerp was het vinden van een oplossing voor het behoud van enkele landschapselementen zoals een waterloop en fiets- en voetpaden, terwijl tegelijkertijd was voorgeschreven dat alle hoeken van het kavel moesten worden bebouwd. Hiertoe werd het gebouw grotendeels opgetild en geplaatst op een grid van kolommen, die soms ‘wijdbeens’ over de watergang en de paden zijn geplaatst. De open ruimte onder het gebouw biedt een entreezone voor langzaam verkeer met fietsparkeren en parkeren voor minder validen. Drie patio’ s die tot de eerste verdieping reiken, brengen er daglicht.

De Faculteit bestaat uit de Archimedes-lerarenopleiding, de Theo Thijssen academie en het Seminarium voor Orthopedagogiek die elk hun eigen sfeer moesten behouden. Daarnaast hechtte de Hogeschool ook veel waarde aan de flexibiliteit zodat het gebouw geschikt zou zijn voor veranderende vormen van gebruik. Ector Hoogstad architecten wilde niet dat deze flexibiliteit zou resulteren in anonieme ruimtes. Zij stelde zich ten doel flexibiliteit en duurzame bruikbaarheid te combineren met ruimte voor verschillende sferen en identiteiten. Omdat ook in de vorige behuizing en in andere gebouwen van de Hogeschool telkens weer blijkt dat de verkeersruimte bijzonder actief gebruikt wordt als ontmoetings- en activiteitenruimte werd deze hier ook als uitgangspunt genomen. Het gebouw werd verdeeld in twee boven elkaar gelegen zones. In de onderste drie lagen bevinden zich de algemene functies waarvan verwacht wordt dat ze in de toekomst weinig veranderingen behoeven. Dit zijn de instructie-lokalen, een auditorium, ruimtes voor bijeenkomsten en op de ‘bel-etage’ een restaurant met winkel. De entree voert op natuurlijke wijze naar het restaurant, de belangrijkste ontmoetingsplek van het gebouw. De ruimte is extra hoog en biedt met panoramische vensters uitzicht op de weilanden, de snelweg en het silhouet van de oude stad.

De overige verdiepingen zijn zogenaamde ‘standaardverdiepingen’ waarin flexibiliteit centraal staat. Elke verdieping heeft een drieledige opbouw met diepe gevelzones aan de oost- en westkant met daartussen een brede zone voor voorzieningen als trappen, toiletten, pantry’s en ruimte voor infobalies, studie- en vergaderplekken. Kleine vides zorgen voor contact tussen de verdiepingen zodat geen geïsoleerde koninkrijkjes kunnen ontstaan. De middenzone is bij uitstek de plek waar de verschillende gebruikers hun eigen stempel op het gebouw kunnen drukken. De kleurige westgevel kan worden gezien als een metafoor voor de uiteenlopende gebruikers van het gebouw en hun activiteiten. Wat betreft esthetiek komt het patroon ook tegemoet aan de esthetische beleving van het voortrazende verkeer op de snelweg.

Met de buren langs de Vecht

DUBBELVILLA VAN MONK

Op de veel gebruikte route langs de Vecht richting Oud-Zuilen is een nieuwe villa verrezen. Wie even de tijd neemt om stil te staan, en dat zijn er velen, ziet als snel dat het hier om een bijzondere twee-onder-een-kapwoning gaat. Een opvallende verschijning in deze in visueel opzicht zeer rumoerige omgeving. In dit precaire gebied langs de Vechtoever wordt de historische bebouwing afgewisseld met een bonte stoet aan woonboten en de bijhorende versnipperde inrichting van de waterkant. Het decor wordt gevormd door enkele hoge verzorgingsflats aan de rand van Overvecht. In deze afwisselende omgeving houdt de villa zich stevig staande.

Mascha van Damme

De geschakelde woningen zijn het resultaat van de dadendrang van twee stellen, die het realiseren van hun woning in eigen hand hebben genomen. Beide opdrachtgevers woonden al geruime tijd naast elkaar in Utrecht, in de buurt van Croeselaan. Na een gezamenlijke vakantie op een boerderij waren ze onder de indruk van de hoeveelheid ruimte. Aanvankelijk grapten ze over het bouwen van een eigen huis op een ruimer terrein, maar al snel begon dat serieuzere vormen aan te nemen. Na een kijkje te hebben genomen bij vrije kavels in Leidsche Rijn werd het beide buren duidelijk dat het bouwen in een nieuwbouwwijk hen niet voor ogen stond. Ze wilden meer ruimte, en zo mogelijk ook een groter huis.

ONGEBONDEN RISICO
Samen besloten ze op zoek te gaan naar een geschikt stuk bouwgrond, zonder al te hoog gespannen verwachtingen en met een lange zoektocht in het vooruitzicht. Toch lukte het via internet binnen een dag om een te koop aangeboden kavel op het spoor te komen. Opmerkelijk genoeg kwamen beide mannelijke buren, geboren en getogen Utrechters en opgegroeid rond Overvecht, uit in hun oude, vertrouwde buurt. De grond behoorde bij het klassieke witte pand dat hier staat, het ouderlijk huis van drie zusters, die het door overerving in bezit hadden gekregen. De kavel was alleen bebouwd met een schuur en het grote probleem was het ontbreken van een woonbestemming die in het verleden wel aangevraagd én goedgekeurd, maar inmiddels was verlopen en dus opnieuw moest worden aangevraagd. Verkoop vond daarom plaats onder voorbehoud van het verkrijgen van de nieuwe bestemming. Hier begon de risicovolle onderneming voor beide buren, want een woonbestemming wordt alleen afgegeven op basis van uitgewerkte en onderbouwde plannen. Ze namen daarom een architect in de arm, een investering waarvan een positieve uitkomst niet bij voorbaat vaststond. Op basis van goed (financieel) vertrouwen stapten ze in een langdurig avontuur.

ALLES-ONDER-EEN-KAP
Toen de opdrachtgevers bij MONK terecht kwamen, hadden ze al een uitgebreid en helder eisenpakket op papier staan, het resultaat van intensieve gesprekken met een eerdere architect. Ze hadden niet de nadrukkelijke wens om een architectonisch statement neer te zetten, hoewel ook een historiserende boerderette niet de bedoeling was. Wel wilden ze graag op een moderne manier aansluiten bij de typologie van de woonboerderijen uit de omgeving. De kavel heeft een oppervlak van 1200 m2, ruimte genoeg dus om twee vrijstaande woonhuizen te kunnen realiseren. Toch is gekozen voor geschakelde woningen die ogen als één langgerekt bouwblok. De vorm is puur bepaald door het kavel. Het enigszins schuin op de rooilijn geplaatste, langgerekt perceel heeft een breedte van vijfenvijftig meter en loopt naar achteren taps toe. Het kavel werd precies in tweeën gedeeld, zodat de woningen ook niet loodrecht op de Vechtdijk kwamen te staan. Om genoeg ruimte rondom de huizen vrij te houden, werd het concept alles-onder-een-kap gehanteerd. De woningen werden geschakeld maar staan ten opzichte van elkaar iets verschoven, zodat duidelijk wordt dat het om twee aparte woningen gaat.

EERSTE KLAP = EEN DAALDER WAARD
De eerste schetsmaquette en tekeningen van MONK werden direct enthousiast door de toekomstige bewoners omarmd. Ook de Welstandscommissie ging verrassend snel met het ontwerp akkoord. In januari 2006 werd het plan als principeaanvraag aan de commissie voorgelegd. De commissie was onder de indruk hoewel beide partijen wel enkele kanttekeningen plaatsten. De opdrachtgevers stonden wat huiverig tegenover de houten gevelafwerking en de mogelijke gelijkenis die dat zou opleveren met de woonboten in de omgeving. De toevoeging van metalen strips zorgt nu voor de horizontale detaillering, ook omdat van een afstand de afzonderlijk planken nauwelijks zichtbaar zijn. De opmerkingen van de Welstandscommissie betroffen vooral de beoogde balkons en schuren, hoewel ze mee zijn ontworpen en eveneens met hout zijn bekleed.

In verband met de woonvergunning moest bij de gemeentelijke afdeling Stedenbouw een uitgewerkt plan worden ingeleverd, inclusief maquette en omgevingsstudies. Aan de achterzijde grenst het perceel aan het openbaar toegankelijke park De Vechtzoom waarin een theekoepel en een toegangshek (restanten van de voormalige buitenplaats Roosendaal) evenals enkele boerderijen werden geïntegreerd. Het park strekt zich uit van de sportvelden nabij het Zandpad tot aan het water langs de Klopdijk. Het is een druk bezocht stukje groen waar veel mensen hun hond uitlaten en waar een trapveldje te vinden is. Om de zichtlijnen vanuit het park op de Vecht niet te verstoren, moesten de schuren achter de woningen worden geplaatst, terwijl de opdrachtgevers deze vrij op het terrein wilden plaatsen.

TRANSPARANTIE
De zichtlijnen zijn door de ontwerpers niet alleen voor gebruikers van het park gehandhaafd, maar ook voor de bewoners zelf. De huizen hebben een doorkijk van voor naar achter met zicht op de achtertuin en het park en vice versa. De transparante voor- en achtergevel bieden een maximaal uitzicht over de Vecht en het park, dat nu alleen wordt doorbroken door beide schuren. De transparantie van de gevels is mogelijk gemaakt door een dragend frame van stalen H-profiel balken rondom de glazen gevels. Om het krachtige uiterlijk en de zichtlijnen intact te laten en deze draagconstructie niet te veel te belasten, is het balkon gereduceerd tot een strakke veranda zonder balustrade. De twintig meter lange zijgevels daarentegen zijn als praktische gesloten vlakken behandeld waar alleen de entreedoosjes tegenaan zijn geplaatst. De zijgevels worden hier en daar onderbroken door een dik opgelegd raamkozijn met een verzonken ruit, of een in de gevelwand geplaatst raam met een dun profieltje. De ogenschijnlijke ad random rammritmiek, die in de beide zijgevels verschilt, wordt bepaald door het uitzicht of de beoogde functie van de ruimte. Boven een bureaublad of een badkuip is bijvoorbeeld een smal horizontaal raam aangebracht en bij de voordeur een smal raam van de grond tot het plafond om de ouders én kinderen goed uitzicht te geven op de voordeur.

VERSCHILLENDE LEEFPATRONEN
Begin oktober werden beide huizen casco opgeleverd. In de lange, ononderbroken ruimte met een hoogte van 3.10 meter gaat het woongedeelte via een tussenruimte over in een semi-open keuken. De lange, smalle trap naar boven ontvangt licht door een langgerekt daklicht. Boven is gekozen voor pandbrede ruimtes voor en achter met daartussen de overloop die enkele kleinere kamers en de badkamer(s) ontsluit. De opdrachtgevers hebben het interieur in eigen beheer te laten uitvoeren, waarbij MONK over de schouders heeft meegekeken. Het interieur weerspiegelt duidelijk het verschil in leefwijzen van beide gezinnen. Links demonstreren de bewoners hun voorliefde voor koken met een imposant kookeiland in de ruime woonkeuken. Een ander typerend verschijnsel zijn de verzonken greepjes die in het hele huis de deurklinken vervangen. De bewoners van het rechter huis hebben de keuken en de bijkomende rommeligheid het liefst uit het zicht. En zo zijn er nog meer verschillen die er voor zorgen dat je in beide woningen nooit het gevoel krijgt bij de ander binnen te zijn. Sterker nog, je hebt eigenlijk nauwelijks het gevoel dat er buren zijn. In zekere mate heeft dit verschil tussen beide gezinnen ook zijn invloed gehad op het uiterlijk van de woningen. Beide huizen hebben een diepe dakoverstek, waarvan het rechter deel net iets meer omhoog steekt. Het linker huis ligt aan de voorzijde 50 cm. hoger boven het maaiveld dan het rechter omdat deze bewoners een gevoelsmatige scheiding wensten tussen de verschillende ruimtes. Zo wordt het onderscheid tussen het woongedeelte en de achterliggende ruimte met enkele traptreden onderstreept.

ALL’S WELL THAT ENDS WELL
Eind november 2007 zijn de huizen opgeleverd. Het hele proces, vanaf de planvorming tot het kunnen betrekken van het huis, heeft bij elkaar ruim drie jaar geduurd. En het heeft een bijzonder project opgeleverd waarvoor maar weinig precedenten zijn. Vooral in de tuinen moet nog wel het een en ander gebeuren, maar binnen zitten de bewoners er warmpjes bij en daar kunnen ze vol trots over vertellen. Het lange proces heeft ze niet minder enthousiast gemaakt en bewonderenswaardig genoeg is ook de burenrelatie intact gehouden. Vooral dat is bijzonder want er zijn verbouwingsverhalen te over die een heel andere uitkomst hebben gehad.

Met dank aan MONK architecten (Casper Schuuring en Kim Brok) en bewoners Freek Blom en Frans Rensen voor hun medewerking en gastvrij onthaal.

Groen Zuilen

Opdrachtgever: Mitros Ontwikkeling, Johan Matser projectontwikkeling
Locatie: Pedagogenbuurt, Utrecht Zuilen
Oplevering: 2007-2010
Architect nieuwbouw: Duinker Van der Torre, Amsterdam
Architect oudbouw: W.C. van Hoorn
Opgave: 396 woningen
Type project: herstructurering, nieuwbouw na sloop

Elke de Rooij

De Pedagogenbuurt in het Utrechtse Zuilen was een typisch voorbeeld van een Wederopbouwwijk. Na de oorlog werd een twaalftal bouwblokken van flink formaat gebouwd in goedkoop materiaal. De gebouwen hadden vier bouwlagen en voor die tijd typische stijlkenmerken als galerijen, een charmant trappenhuis met grote ronde vensters en een zadeldak. Het was een fraai en modern geheel, maar zoals de meeste Wederopbouwbuurten verpauperde het in de loop der jaren, werden de woningen naar huidige standaarden te klein en was de kwaliteit ondermaats. Er werd dus besloten tot sloop van het gehele blok. Onder het vaandel van het WOP1 (Wijkontwikkelingsplan) werd door de gemeente en woningcorporatie Mitros in samenspraak met de bewoners een nieuwbouwplan opgesteld. Bureau Palmboom & Van den Bout werd gevraagd een stedenbouwkundig plan te maken, met zowel groen als een flink aantal woningen in diverse typologieën (appartementen en eengezinswoningen, huur en koop). Er werd gekozen voor acht gesloten blokken woningen, geplaatst tussen brede groenstroken en groene pleintjes. Een belangrijk uitgangspunt was dat de groene ruimten autovrij dienden te zijn. Ook de bestaande bomen moesten in het plan worden geïntegreerd.

Aan meerdere architectenbureaus werd gevraagd een plan voor de buurt uit te werken. Duinker Van der Torre kwam met het beste ontwerp en kreeg zodoende de opdracht. Het meest opvallende aan het plan is dat alle parkeerplaatsen zich binnen de woonblokken bevinden, zodat alle auto’s vanaf de buitenkant aan het zicht onttrokken zijn. De helft van de woningen heeft geen achtertuin, maar een houten terras op de eerste verdieping, zodat hieronder parkeerplaatsen konden worden gecreëerd. Koop- en huurwoningen zijn door elkaar geplaatst, echter de appartementen en eengezinswoningen werden wel in aparte blokken gebouwd.

Het landschapsontwerp voor de gehele buurt is van bureau West 8. Op dit moment zijn de twee U-vormige appartementenblokken al gerealiseerd, net als twee van de zes blokken met eengezinswoningen. De rest volgt tussen nu en 2010. Vooral de eengezinswoningen vallen op door de golvende daklijn. Hoewel het terrein nog voor een groot deel braak ligt, lijkt de opzet te gaan slagen.

In Zuilen wordt de laatste jaren veel gedaan aan wijkontwikkeling. Hoewel de nieuwe Pedagogenbuurt een schril contrast vormt met de omliggende bebouwing, is een verschijning als deze in Zuilen geen uitzondering meer. Dat het in dit geval een gesloten blok betreft, maakt het contrast veel minder storend. Waar het de woonkwaliteit aangaat zal het in ieder geval een aangename verbetering zijn.

Geschiedenis van de toekomst

In Overvecht zijn recent meerdere kunstprojecten gestart die alle nadrukkelijk de context opzoeken van een wijk in transformatie. Kunstenaars hebben er een tijdelijke woning gekregen en werken aan een eigen kunstproject onder het motto ‘ in Overvecht’. In de voormalige Stefanuskerk is een cultuurhuis gevestigd, waar regelmatig voorstellingen en exposities gehouden worden. Wie de moeite neemt om deze en andere cultuurprojecten in Overvecht te volgen, ontdekt een tweede werkelijkheid in de wijk. Waar de media alleen interesse tonen voor probleemjongeren, leggen kunstenaars vast hoe bruisend en borrelend een ‘prachtwijk’ is, juist omdat er zoveel leeft. Kunstenares Renée Kool is één van hen.

Bettina van Santen

De artist-in-residence is een initiatief van de Adviescommissie Beeldende Kunst en Vormgeving en van Culturele Zaken van de Gemeente Utrecht. Vijf kunstenaars zijn uitgenodigd om een korte tijd in Overvecht te wonen en te werken in een tienhoogflat die door Mitros ter beschikking is gesteld. Een werkperiode duurt gemiddeld vier maanden, waarvan minstens twee in de wijk worden doorgebracht. De kunstenaars wisselen elkaar in een soort estafette af en kunnen ook profiteren van elkaars ervaringen. Op 15 januari j.l. presenteerden enkele kunstenaars hun werk van de afgelopen periode in de bibliotheek onder de titel ‘Intussen in Overvecht’. Ook werden de kunstenaars geïntroduceerd die nu in 2008 aan het werk gaan.

DE BLIK VAN DESTIJDS VOORUIT
Eén van de artists in residence is Renée Kool. Zij heeft zich de opgave gesteld om de essentie van de naoorlogse wijk te distilleren en deze opnieuw te herscheppen in een virtueel 3D-model. Hiermee gaat Renée Kool veel verder dan de tot nu toe gebruikelijke analyses van naoorlogse wijken. In vele – overigens prima – studies wordt tot nu toe in tekst, kaartmateriaal en foto’s uiteengezet hoe de stedenbouwkundigen en planologen van die tijd de nieuw samenleving inrichtten en op welke manier dat ruimtelijk-funtioneel werd vormgegeven. Voor Utrecht zijn alle naoorlogse wijken ook zo geanalyseerd en in een tiental rapporten vastgelegd. Maar in het kunstproject van Renée Kool wordt een andere dimensie toegevoegd aan deze kennis: namelijk die van de beleving van de eerste bewoners die hier een nieuwe toekomst tegemoet gingen. De wijken zijn de gebouwde neerslag van een stedenbouwkundige en maatschappelijke utopie, maar werden betrokken door mensen van vlees en bloed. Hoe hebben zij destijds die woonwijk van de toekomst ervaren en leren gebruiken. Het gaat Renee niet om nostalgische verhalen en de blik terug, maar om de blik van destijds vooruit. Ze noemt het zelf archeologie bedrijven, de Geschiedenis van de Toekomst van de wijk blootleggen.

Om die afdaling in de tijd mogelijk te maken, heeft ze veel gesprekken gevoerd met (oud)bewoners. Renée Kool heeft een indringende manier van vragen stellen, waardoor de geïnterviewden los kwamen van het ‘toen was alles beter’ en gedwongen werden hun eigen alledaagse leven en verwachtingen in de toen nog nieuwe woonomgeving opnieuw te beleven. Het geheugen aan het werk zetten leverde bijzondere momenten op, maar ook onverwachte lacunes. Het bleek maar weer hoe moeilijk het soms is om je eigen ruimtelijke omgeving van veertig jaar terug te reconstrueren.

EEN TIJDMACHINE MAKEN
Voor Renee is het van belang om die reconstructie zo goed mogelijk uit te voeren. Ze wil immers de werkelijkheid van destijds in het kunstwerk vastleggen. Het kunstwerk zelf is een virtueel 3-D model. Met behulp van enkele medewerkers van MOVARES (Ingenieursbureau van de Spoorwegen) bouwt ze delen van Overvecht opnieuw op. Er wordt een virtuele maquette gemaakt met als ondergrond de Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN). Aangevuld met allerlei origineel documentatiemateriaal, waaronder foto’s van oud bewoners, wordt het beeld van de wijk op dat moment in de tijd nagebouwd. Een recente presentatie (15 januari j.l.) van de eerste resultaten lieten een reeks bewegende beelden zien waarin de gebouwde – fysieke – omgeving van de nieuwbouwwijk gecombineerd wordt met het beeldmateriaal dat aangeleverd is door enkele oud bewoners. Zo beschreven lijkt het misschien niet zo bijzonder, maar in werkelijkheid levert het een fascinerende, virtuele ruimtelijke reis op.

Bij het zien van deze eerste proeve werd me duidelijk wat hier tot stand wordt gebracht. Wat Renée Kool doet is een tijdmachine maken. Als je in deze tijdmachine stapt, word je verplaatst naar de wereld van de eerste bewoners van Overvecht. Je stapt uit de machine en kijkt om je heen met de ogen van de bewoners van toen. Je ziet de straten, de nieuwbouwblokken, de ramen en deuren van de gebouwen. Opeens ben je achter de voordeur en in de woonkamer. Je kijkt uit het raam en ziet het zand van de nog onbebouwde stukken grond. En je beweegt je grotendeels in de kleuren van die tijd (soms echter ook in zwart-wit): de typische kleuren van de toen nog nieuwe gebouwen, maar ook beleef je de kleuren en het materiaal van de kleren die mensen om je heen dragen en de textuur van de meubels in de huiskamer waar je op bezoek bent. Je ruikt nog net niet de geur van het nieuwe huis.

De virtuele maquette is nog niet af. Renee heeft nog veel meer materiaal in te voegen om de ‘destijdse’ beleving van de nieuwe wijk gestalte te geven. Het bouwen van de maquette blijkt technisch een lastige klus en vergt veel tijd. In principe was haar tijd in Overvecht voorbij, maar gelukkig mag ze van de opdrachtgever het kunstwerk afmaken. Het Utrechts Archief heeft reeds belangstelling getoond voor het kunstwerk in haar nieuwe onderkomen aan de Hamburgerstraat, waar ook een state of the art multi-mediaruimte komt. Maar Renee heeft ook zo haar eigen gedachten over waar dit werk straks te zien moet kunnen zijn.

Het is verfrissend dat een kunstenaar met een historisch-ruimtelijk-functionele reconstructie van een naoorlogse wijk aan de slag gaat en het tot een unieke beleving weet te maken. Dit project is iets totaal anders dan een publicatie over een naoorlogse wijk terwijl toch alle documentatie er in zit. Ook is het heel iets anders dan tentoonstellingen zoals het Noord-Brabants Museum die creëerde over de jaren vijftig en de jaren zeventig. Met haar unieke benadering van de materie wil Renée Kool een nieuw soort monument oprichten voor de naoorlogse wijk en het lijkt erop dat zij daarin gaat slagen.

Compromis is niet de beste oplossing

Tussen het Merwedekanaal en de Vleutenseweg ligt een smalle strook voormalig industriegebied, langs een doodlopende tak van de Oude Rijn. In het noorden van de strook ligt op het voormalige Jaffaterrein de nieuwbouw van Inbo en Pouw en Dillen uit 2001. Het midden is één van de weinige plekken in Utrecht die gewoon heeft kunnen ontstaan, zonder truttig geschuif met functies en stoeptegels. De zuidpunt van de industriestrook trof een minder anarchistisch lot. Na tien jaar gesteggel kan de woonbebouwing hier nu bijna worden opgeleverd.

Martine Bakker

PLANNEN VOOR DE ZUIDPUNT
Voor de Zuidpunt zijn in tien jaar tijd vier plannen gemaakt, waarvan drie door UNO Architecten & Ingenieurs uit Rotterdam. Omdat de allereerste ideeën direct op kritiek stuitten van omwonenden, stelde het college indertijd de voorwaarde dat er alleen gebouwd mocht worden als de omwonenden en de ontwikkelaar het eens waren. Naast deze inspraak werd het ontwerp beïnvloed door de ambities en verlangens van de Dienst Stedenbouw en de Welstandscommissie.

Het eerste plan van UNO (85 woningen) is ruim opgezet, met veel aandacht voor de openbare ruimte. Een loopbrug naar de tegenoverliggende Billitonkade creëert een doorlopende route langs de noordoever van het Merwedekanaal. De buurt valt echter over de brug, uit angst voor rondhangende types. Ook is er commentaar op de acht bouwlagen van het hoekblok en de dichte ligging op de bestaande bebouwing.

In een tweede plan wordt het hoekblok verlaagd. Om de openbare ruimte aantrekkelijk, ruim en toegankelijk te houden, daalt het aantal woningen naar 63. De afdeling Stedenbouw vindt het hoekblok nu echter te laag en de ontwikkelaar durft in de veranderende markt met dit aantal woningen het financiële risico niet aan. Dus wordt er gewerkt aan een derde plan.

Het derde plan bestaat uit 108 woningen, verdeeld over verschillende blokken, onder meer rond een halfondergrondse parkeergarage. Het hoekblok is weer hoog en staat geïsoleerd van de overige nieuwbouw. Ook in materialisatie wijkt het af – volgens de architect een nadrukkelijke wens van de Commissie voor Welstand en Monumenten. Voor het hoekblok wordt een smalle, gele ‘Dudoksteen’ gebruikt, in de andere blokken een rode, gemêleerde baksteen.

Omdat de buurtbewoners ook op dit plan negatief reageren, wordt uiteindelijk een variant op het derde plan uitgevoerd, met 98 woningen. In deze variant zijn de pleintjes uit de vorige plannen verkleind en is het hoekblok verlaagd. Om het verlies aan hoogte te compenseren is het verbreed in de richting van de andere blokken. Daarbij wordt vastgehouden aan een afwijkende materialisatie, terwijl de reden daarvoor minder logisch is geworden.

WEINIG SAMENHANG
In het meest westelijke blok van het plan Zuidpunt wordt momenteel al gewoond. Dit blok bestaat uit drive-in woningen van drie bouwlagen, die de kromming van de achter­liggende, bestaande bebouwing volgen. Het woongedeelte ligt op de eerste verdieping boven de inpandige garage. Hoge portieken kenmerken de voorgevel, met daarin een brede, afgeronde kolom die steeds twee voordeuren scheidt. De wanden van de portieken zijn bekleed met zeegroene platen. De overwegend grijze voeg en de verticale geleding geven het blok een vinexachtige cachet, die in deze wijk niet op zijn plaats is. De drive-in woningen liggen aan een pleintje, waar in eerste instantie ook de ingang van de parkeergarage was gepland – met het oog op de sociale functie van zo’n plein werd deze verplaatst.

De zeegroene platen en grijze voegen zijn ook bij de overige blokken toegepast. Maar hier is het plaatmateriaal zonder aanwijsbare reden smaller en wordt de grijze voeg veelvuldig afgewisseld met een witte. De detaillering draagt daardoor niet bij aan een overtuigend geheel. Naast de uiteenlopende materialen, komen er verschillende daklijsten, trapjes, pilaren en daken voor.

De parkeergarage is middenin het plan gesitueerd. Het dak van de garage functioneert op standaardwijze als gemeenschappelijke buitenruimte voor de omliggende woningen. Langs het Merwedekanaal, aan de zuidzijde, liggen appartementen aan galerijen. Aan de oostkant van het plan, langs de Oude Rijn, zijn boven- en benedenwoningen gebouwd en in de nieuwe straatjes zijn eengezinswoningen opgeleverd. De laatste twee types hebben authentieke trapjes naar de voordeuren.

WAT MOET NIEUWBOUW DOEN?
Alleen de woningen aan de voormalige industriekade van de Oude Rijn leveren een positieve bijdrage aan de bestaande wijk. Zij doen zowel recht aan het stenige volksimago van de buurt als aan de nieuwe luxe van openheid en water. Bovendien benadrukt de doorlopende gevel de bestaande structuur van de stad. De overige blokken doen geen afbreuk aan de locatie en zullen vanwege de ligging en het uitzicht tevreden bewoners trekken. Maar de detaillering, de verhouding tussen de blokken en de aansluiting op de openbare ruimte en tuinen missen de vanzelfsprekende finesse van bijvoorbeeld de nieuwbouw in Dichterswijk-West.

Uit de reeks stedenbouwkundige studies van UNO Architecten blijkt dat er in de loop van het proces onverschilligheid in het ontwerp is geslopen. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in een compromis: nieuwbouw die de kwaliteiten van de locatie niet goed benut en de wijk in stedenbouwkundig en architectonisch opzicht niet versterkt. Alle bemoeienis van de gemeente, de Welstandscommissie en de omwonenden ten spijt.

Transformatie Stefanuskerk

Locatie: São Paolodreef 1, Overvecht-Noord
Architecten: BAR
Opdrachtgever: Culturele zaken gemeente Utrecht en SWK atelierbeheer
Oplevering: medio 2009
Gebruikers: ZIMIHC, Uceestation, Rosa ensemble en Bonte Koe Records, STUT theater

Bettina van Santen

In 2007 is in een voormalig kerkgebouw in Overvecht-Noord een cultuurhuis van start gegaan. De kerkgemeenschap was in het voorafgaande jaar gefuseerd met de Johanneskerk in Overvecht-Zuid en de kerk was leeg komen te staan in afwachting van verkoop, sloop en nieuwbouw van woningen – althans dat was de verwachting bij de voormalige gemeenteleden en de meeste Overvechters.

Iets geheel anders gebeurde: de Gemeente Utrecht nam het kloeke besluit de kerk over te nemen en er een cultureel centrum in onder te brengen. Behoud is waardevol omdat kerkgebouwen in hun omgeving veelal herkenbare iconen zijn en dat geldt zeker in een naoorlogse wijk met wat anonieme architectuur. Nog belangrijker is dat dit gebouw de gelegenheid bood Overvecht een cultuurimpuls te geven en een positieve bijdrage te leveren aan de leefbaarheid. Sindsdien zindert het in en rond het gebouw regelmatig van de activiteiten.

De kerk is midden jaren zestig gebouwd en behoorde tot de laatste generatie protestantse kerkgebouwen. In architectuur is het gebouw vrij sober, maar wel functioneel. Architect Linssen was een leerling van Dom Van der Laan en dat is bijvoorbeeld herkenbaar in de opzet met een besloten binnenplaats, waar kerkzaal en nevenruimten op uit kijken of komen.

BAR Architecten kreeg de opdracht het kerkgebouw zijn definitieve transformatie tot cultuurhuis te geven. Het programma dat nu in de voormalige kerk een plek heeft gevonden wordt flink uitgebreid met een theater- en muziekzaal, extra kantoorruimten en andere voorzieningen. BAR heeft ervoor gekozen om het toegevoegde programma te concentreren in een losstaande ‘toren’ op de binnenplaats, een bijzondere oplossing die het kerkgebouw enerzijds herkenbaar houdt en anderzijds een duidelijk nieuw statement geeft. De onderste lagen van de toren worden transparant gehouden, daarboven bepaalt een bekleding met cortenstaal het beeld. Al met al lijkt het een zeer geslaagde oplossing en voor alle transformaties die de wijk te wachten staan, zou deze – wat mij betreft – het ijkpunt mogen zijn: iets spannends en nieuws maken en toch niet net doen alsof de jaren zestig nooit bestaan hebben.