Zo wil ik wonen

In de advertenties voor de woningen in de wijken De Woerd en Vleuterweide in Leidsche Rijn tuimelen de woorden ‘gezellig’ en ‘knus’ over elkaar heen. De woonwijken worden aangeprezen als ‘ herkenbaar’, ‘met een eigen sfeer’ en dat in tegenstelling tot andere nieuwbouwwijken, die inwisselbaar zouden zijn. Hier ga je terug naar ‘de goede tijden van weleer’ en krijg je een ‘goed gevoel, een gevoel van thuiskomen en thuis zijn’. Kortom: het paradijs bestaat en ligt in Leidsche Rijn. De essentie van deze wijken is dat ze bestaan uit architectuur die sterk refereert aan traditionele stads- en dorpsbeelden. De traditionele architectuur is niet meer weg te denken uit Nederland en nu ook de jury van de Rietveldprijs 2007 het woningbouwplan De Woerd in haar selectie opneemt, wordt het tijd voor Post Planjer om op bezoek te gaan in beide buurten.

Bettina van Santen

DE WOERD
De Woerd is een project van Bouwfonds-Fortis en omvat vijfhonderd woningen. Het ontwerp voor de woningen en de woonomgeving is van Mulleners en Mulleners Architecten, bekend van Brandevoort in Helmond. Fase 1 van De Woerd is afgelopen voorjaar afgerond en de woningen van de tweede fase zijn onlangs in de verkoop gegaan. In hun verantwoording verwijst het architectenbureau naar de tuinwijken van Berlage en Dudok. Ze noemen als kernbegrippen: herkenbaarheid, samenhang en oriëntatie. Als bewoner heb je eigenlijk geen adres nodig, je zou moeten kunnen zeggen ‘ik woon in het huis met die en die gevel’ of : ‘mijn huis staat aan het plein naast de grote linde’.

Die individuele herkenbaarheid van het eigen huis wordt letterlijk in architectuur en straatbeeld tot uitdrukking gebracht. Er wordt gewerkt met een verspringend gevelbeeld dat zich met name uit in wisselende goot- en dakhoogten, verschillende kapvormen en gevel-beëindigingen en door te variëren met erkers, luifels en dakkapellen. Natuurlijk varieert ook de kleur van het metselwerk. Tegelijkertijd mag de individualiteit niet ten koste gaan van de eenheid. Het door Berlage gehanteerde adagium ‘eenheid in veelheid’ zegt Mulleners en Mulleners dan ook toe te passen om toch een rustig en harmonieus straatbeeld te creëren. Belangrijk voor het rustige straatbeeld is zeker ook de parkeeroplossing: in de gesloten bouwblokken worden de binnenterreinen gebruikt om te parkeren, zodat de openbare ruimte vooral bedoeld is voor de voetganger en de bewoner. Op straat mag in principe alleen geparkeerd worden door bezoekers.

Belangrijk voor het rustige straatbeeld is zeker ook de parkeeroplossing: in de gesloten bouwblokken worden de binnenterreinen gebruikt om te parkeren, zodat de openbare ruimte vooral bedoeld is voor de voetganger en de bewoner. Op straat mag in principe alleen geparkeerd worden door bezoekers.

VLEUTERWEIDE
In Vleuterweide zullen zo’n zesduizend woningen worden gebouwd in zes buurten. Opdrachtgevers zijn onder andere AMVEST, Ballast-Nedam, Portaal en Bouwfonds-Fortis. Het hart van het plan wordt gevormd door Het Centrum & De Hoven met woningen en centrumvoorzieningen.

Het stedenbouwkundig plan is van het befaamde bureau van Krier en Kohl en ook hier wordt sterk gerefereerd aan wat men ‘oud-hollandse stedenbouw’ noemt. Zo is ook hier sprake van een bewust gecreëerd, gevarieerd gevelbeeld waarbij alle elementen zoals kaphoogtes, dakkapellen, voordeuren, gevelbeëindigingen enzovoorts worden ingezet om die diversiteit te bewerkstelligen. Straten hebben een licht gerend verloop, zodat een intieme ruimte ontstaat met verrassende doorkijkjes, maar er is ook een grote centrale pleinruimte met hogere bebouwing. In de straatwanden zijn grote en kleine poorten aanwezig die als toegang fungeren tot de binnenterreinen, die bestemd zijn voor het parkeren. Opvallend in de planvorming voor Vleuterweide is dat men zich in eerste instantie distantieerde van wijken als Brandevoort (van Mulleners en Mulleners), die men als te geregisseerd beschouwde, ‘te netjes’. Vleuterweide zou veel meer voldoen aan de wat terloopse individualiteit van een gegroeide bebouwing.

REGIE OF SPONTANITEIT?
Wie beide wijken doorloopt, kan zich toch niet aan de indruk onttrekken dat ongeacht de genoemde inspiratiebron – Berlage of oud-hollandse dorpen – er een grote overeenkomst bestaat in de elementen die in het traditionele bouwen worden toegepast. In beide wijken wordt op een vergelijkbare manier gespeeld met de verspringende daken, de variatie in toegepaste kleur van de baksteen, de hoogtes, de wel of niet aanwezige erkers en dakkapellen. Mulleners en Mulleners beroept zich erop te werken aan de hand van een ‘streepjescode’. Men maakt een uitgebreide analyse van de als ideaal voorgestelde wijken en dorpen en dat levert een soort DNA op dat de essentie van het dorpse bouwen zou moeten bevatten. Door toepassing van dit DNA kun je nieuwe wijken bouwen met een uitstraling alsof ze door de tijd heen gegroeid zijn. Krier en Kohl tekenen op de hun eigen wijze nieuwe wijken (c.q. complexen) die sterk ontleend zijn aan de traditionele opbouw van een middeleeuwse stad. Toch lijken beiden linksom of rechtsom ongeveer op hetzelfde uit te komen.

Er is echter wel een verschil in beleving van beide wijken. De Woerd heeft en aantal prettige kenmerken. Het stratenverloop is bijna ongedwongen en de zorgvuldige detaillering van woningen en van de buitenruimte doet aangenaam aan. Jammer alleen van de binnenterreinen die als parkeerterrein dienst doen: dit blijven behoorlijk onaantrekkelijke ruimten. De Woerd scoort hoog als het gaat om zorgvuldigheid en doordachtheid. Toch is het juist dat nette karakter dat na verloop tijd wat op de zenuwen gaat werken. Alles is bedacht en geregisseerd, tot en met de bankjes waar de bewoner op mag gaan zitten om van zijn zorgvuldig ingerichte buitenruimte te genieten. Je snakt naar wat meer anarchie en rumoerige hangjongeren.

Opvallend is dat bij de opzet van Vleuterweide juist afstand genomen is van een te strak geregisseerd beeld. Maar zijn het woorden of is het ook gelukt? Voor De Hoven & het Centrum geldt in ieder geval dat ook hier het straatverloop vrij prettig overkomt met zijn knikken en beeldwisselingen. Toch is het architectuurbeeld ‘hard’. Net als in De Woerd wisselen de toegepaste elementen als kappen, hoogtes, materiaalgebruik enzovoorts steeds, maar wordt in de vorm veel herhaald. Zo lijkt in een aantal straten het gevelbeeld gedomineerd te worden door dakkapellen die niet alleen nadrukkelijk aanwezig zijn maar ook niet altijd even subtiel zijn vormgegeven. Hetzelfde geldt voor de raamopeningen, die dan per pand wel op een andere hoogte geplaatst zijn, maar verder bijna gelijkvormig lijken. En zo zijn er veel vormen die in hun herhaling dwingend worden en resulteren in een streng en hard gevelbeeld.

Hoewel beide bureaus een eigen techniek hebben ontwikkeld om nieuwe ‘oude’ stedelijkheid te suggereren, lijkt het bij De Woerd beter te werken om dat de vormgeving zorgvuldiger en liefdevoller oogt. Maar in beide gevallen kun je je afvragen of de herkenbaarheid voor de individuele bewoner nu echt aanwezig is, want de compositie bevat een variatie met een eindig aantal elementen. Wellicht wordt het beter als die individuele bewoner zijn huis gaat schilderen, of juist lekker laat verslonzen, een te grote dakkapel aanbrengt of de erker eens flink verbouwt – als dat mag. De bedachte individualiteit vraagt om echte individualiteit.

Café-Restaurant Vermeulen

REMY MEIJERS & DIDIER PRINCE: HIP ONTWERPERSDUO IN HORECALAND

Dichterswijk heeft er een stijlvol artistiek en culinair hoogtepunt bij. Op de hoek van de Croeselaan en de Heycopstraat is een voormalige tapijthal getransformeerd tot het hippe café-restaurant Vermeulen. Het is een aantrekkelijke nieuwe verschijning in dit deel van Utrecht. Het interieurontwerp van Remy Meijers & Didier Prince moet het beoogde publiek van zakenlieden en dynamische, jonge buurtbewoners aanspreken. het lijkt erop dat het concept werkt. De lunch wordt gedomineerd door zakenmensen, ’s avonds is het de ontmoetingsplek voor buurtbewoners en vrijdagmiddag is er een mix van beide.

Elke de Rooij

Het gebouw waarin Vermeulen zich heeft gevestigd, werd in 1929 in opdracht van de West-Indische Import Compagnie gebouwd als bananenpakhuis, kantoor, garage en woonhuis. Het ontwerp was van de hand van architectenbureau P. de Ruijter & Zn. Later werd het pand onder andere als sigarenwinkel en tapijthal gebruikt. Omdat het een historisch gebouw betreft hebben de interieurarchitecten in eerste instantie gezocht naar een mogelijkheid om iets van de geschiedenis terug te laten keren. Omdat binnen noch buiten oorspronkelijke details aanwezig waren, is van directe verwijzingen naar de geschiedenis van het pand geen sprake. Er is echter naar gestreefd bestaande vormen en lijnen te benadrukken. De karakteristieke ronding in de gevel wordt in het interieur geaccentueerd door een lange oranje bank. Het interieur van Vermeulen wordt vanaf de straat gekenmerkt door oranje elementen in het interieur.

De folie met een afbeelding van gezellig borrelende mensen op de ramen in de zijgevel werkt aanstekelijk. Een stijlverschil in het interieur onderscheidt het cafégedeelte van het restaurant. Het café ligt in de ronde ‘etalage’ van het gebouw. Hier domineren warme, rood-oranje stoelen en banken. Een diversiteit aan hip geklede benen en rompen, in dezelfde stijl als het folie op de zijruiten, maakt de lange wand tot een levendig schouwspel. In het restaurantgedeelte voeren zwart en wit de boventoon. De zwarte barwand biedt plaats aan zowel de barinventaris als een oranje bank. Een warmoranje spiegelwand maakt het geheel af. De open keuken versterkt het idee van moderniteit en transparantie, dat in de rest van Vermeulen wordt opgeroepen door de vele ramen en de rustige indeling.

EEN SUCCESVOL DUO
Het interieur is een ontwerp van de hand van Remy Meijers en Didier Prince, gezamenlijk ook verantwoordelijk voor onder andere de inrichting van het Polman’s Huis, restaurant Luce te Utrecht en restaurant Edel in de voormalige Vakschool voor Edelsmeden te Amsterdam. Het succesvolle Utrechtse restaurant Luce is het eerste project waar Didier en Remy hebben samengewerkt. Dat ontwerp kenmerkt zich door een mix van stijlen, resulterend in een locatie die diverse doelgroepen aanspreekt. De ruimte is opgedeeld in drie delen waarbij in ieder gebied een ander type tafel en stoel staat, om zo voor ieder wat wils te creëren. Net als in Vermeulen is er ook in Luce gebruikgemaakt van getinte spiegels, zodat de ruimte optisch vergroot wordt.

De ontwerpen van Meijers en Prince kenmerken zich door strakke lijnen en moderne materialen. Vermeulen is een karakteristiek voorbeeld van hun oeuvre. Hoewel beide ontwerpers een eigen bureau hebben, werken ze al jaren samen bij horecaprojecten. Didier Prince met een meer conceptuele inslag en concrete horeca ervaring, en Remy Meijers vanuit een meer architectonische benadering. Juist bij horecaprojecten zoeken Prince en Meijers elkaar op, zodat beide kwaliteiten elkaar aanvullen en het -resultaat meer kan zijn dan een som der delen. Daarnaast is Prince actief met het ontwerpen en bedenken van concepten voor diverse grote merken in de modewereld. Meijers ontwerpt interieurs voor particulieren, kantoren en winkels, waarbij complete bouwkundige structuren worden gewijzigd en verbouwingen onder nauw-keurige regie worden uitgevoerd.

Nieuwbouw OK Architecten versterkt karakter van de wijk

De akelige voetbalkooi, het teruggetrokken schoolgebouw en de vuile struiken op de hoek van de Merelstraat en de Draaiweg hebben plaatsgemaakt voor een groot bouwblok, brede stoepen en een knus binnenplein. Architect Wim Kristel heeft de kwaliteiten van de omgeving benoemd en herhaald. Het blok is zowel bescheiden als robuust en zowel open als gesloten. Het was een complexe puzzel, die acht jaar in beslag nam. Het vele schuiven en plannen resulteerde in wijkgerichte nieuwbouw, die het binnenrijdende verkeer op de Talmalaan het gezicht van de stad toont.

Martine Bakker

In 1999 vroeg ontwikkelaar Planoform aan OK Architecten om een stedenbouwkundig plan te maken. Het was een groot kavel, dat begrensd werd door de Merelstraat, het Zwarte Water, het Molenwerfhof en de Draaiweg. Door gemeente was toegezegd dat Planoform hier winkels en woningen mocht realiseren. Verder waren er nagenoeg geen eisen of bepalingen. De twee schoolgebouwen op het kavel konden in principe beide gesloopt worden. Het stond voor Wim Kristel (OK Architecten) echter van begin af aan vast dat de oude school aan de Draaiweg behouden diende te blijven. Deze was gezichtsbepalend en gaf de straat cachet. Achter de school stonden monumentale bomen. De nieuwbouw kon hier omheen gepast worden, nadrukkelijk maar toch zonder veel aandacht te trekken.

In de loop van de volgende jaren kwam de Gemeente Utrecht met meer voorwaarden. Het was een lange planfase met wisselingen in zowel het stadsbestuur en de raad als de verantwoordelijke stedenbouwkundige dienst. De winkelruimtes werden bestemd voor ondernemers uit de buurt. Belangengroepen en de gemeentelijke monumentendienst zetten zich in voor het behoud van het schoolgebouw. Reeds enige jaren functioneerde de school als atelierruimte. Deze functie bleef uiteindelijk behouden. Om de ateliers (relatief) betaalbaar te houden, werden appartementen gepland in de bovenste bouwlaag. De kunstenaarswoningen en ateliers werden in opdracht van Stichting SWK Huisvesting ontworpen door Kapriool architecten. De opdracht werd overgenomen door AIV Architecten en ingenieurs.

Een andere belangrijke beslissing betrof de hoek Merelstraat-Draaiweg. In eerste instantie werd vanuit de gemeente gepleit voor een torentje, waarmee de kop van de Talmalaan voor het binnenrijdende verkeer herkenbaar zou worden. Kristel vond het imago van de oude school en de wijkfunctie belangrijker. Hij streefde naar nieuwbouw die robuust was vanwege de prominente ligging, maar zich in hoogte naar de wijk en de school zou voegen.

KRUIP DOOR SLUIP DOOR
Het karakter van de wijk wordt volgens Kristel getypeerd door kruip door sluip door steegjes, binnenpleintjes en bouwblokken met een vrij grote schaal. Het is knap dat hij zich niet heeft laten ringeloren door de aftandse locatie, of de mengelmoes aan bouwstijlen rondom. Kristel concentreerde zich op het functioneren van de omgeving en zocht naar de aanwezige kwaliteiten. Het nieuwe blok voegt zich daarom niet alleen passief in de omgeving, maar benadrukt en activeert de bestaande kwaliteiten, zodat het hele gebied ervan opknapt.

Aan de brede Draaiweg en Merelstraat kwamen winkels, aan de smalle straten woningen. Boven de winkels en woningen liggen appartementen met een gezamenlijke daktuin. Achter de oude school zijn ateliers en atelierwoningen gelegen aan een plein. Inmiddels hebben de nieuwe bewoners op het plein al een eerste buurtfeest gehouden.

Met een mengeling van functies, een steegje, een pleintje en een daktuin werd de nieuwbouw een stadje opzich. Vaak hebben architecten moeite om een zonering van openbaar naar privé of van grote naar kleine schaal duidelijk uit te werken. Kristel hield het complex buitengewoon stenig en eenduidig. Alleen op het niveau van de gezamenlijke daktuin zocht hij zijn toevlucht tot groen. De vier grote bomen achter de oude school, de groenstrook aan de Talmalaan en het ruisende Zwarte Water bieden dan ook voldoende compensatie.

Het materiaalgebruik sluit aan bij de omgeving en markeert de verschillende zones. Aan de drukke Merelstraat en Draaiweg heeft het blok een strenge zwarte plint en grote, glazen etalages met donkergrijze, stalen profielen. Op het binnenplein is de plint lager en gaat deze over in smalle, gemetselde plantenbakken. Hier hebben de ramen een horizontale geleding met kozijnen van donkergrijs geschilderd houtwerk. De bovenste bouwlagen zijn bekleed met een gemêleerde, donkerrode baksteen. Zowel de plint als de rode steen zijn afgeleid van het tegenoverliggende ‘Femina’ blok in de Merelstraat. Aan de straten is de baksteen glad en smal. Aan het binnenplein krijgen de pleinwanden reliëf doordat de steen is gekanteld en de wrongels zichtbaar zijn. Het resulteert in een vriendelijke, aaibare structuur. Het binnengebied van de daktuin vormt een nog groter contrast met de straatwanden. Hier gebruikte Kristel donkergele Abetplaten, om een frisse, informele sfeer te creëren.

MET EEN GEBAAR DE HOEK OM
Aan de straat markeren de gele Abetplaten het privégebied. Ze zijn zichtbaar als losse bouwdelen op de bovenste bouwlaag. Ook met de opbouw van de façades situeert Kristel zijn nieuwbouw gedegen maar subtiel in de wijk. De rooilijn van het nieuwe blok is min of meer gelijk getrokken met de bestaande rooilijn in de Merelstraat. Deze stopte voorheen bij het Zwarte Water, waarna een vage ruimte van stoep, struikjes en schoolplein begon. Met dit nieuwe bouwblok krijgt de Merelstraat een nieuwe, tastbare hoek met de Draaiweg. De straat is voller, maar de hoek geeft veel duidelijker dan voorheen inzicht in de locatie.

Het nieuwbouwblok kreeg aan de kop van de Talmalaan de meest hoge, rechte en gesloten gevel. Richting de Merelstraat verspringen de bovenste verdiepingen. Halverwege de gevel gaat de baksteen over in schuin geplaatste, gele elementen. Aan de Merelstraat gebeurt dit nogmaals, maar dan een verdieping lager. Eén afgesloten portaal aan de Merelstraat ontsluit de appartementen. Aan het Zwarte Water zijn de woningen op maaiveldniveau met eigen voordeuren ontsloten en herkenbaar aan balkonnetjes – die tegelijk functioneren als luifel. De ramen op de verdiepingen zijn in alle façades horizontaal geleed en hebben opvallende, uitstekende kozijnen. Deze zijn in een ritmisch patroon geplaatst, dat niet stopt bij de hoeken. Zo kan het aanzicht van elke façade verschillen terwijl doorlopende lijnen de eenheid bewaren van het geheel.

Naast het nieuwbouwblok ligt een klein, nieuw blokje met ateliers aan een plein achter het schoolgebouw. Het plein staat in verbinding met de Molenwerfhof en het steegje naar de Lauwerecht. Tussen het nieuwe blok en het plein ligt een steegje voor langzaam verkeer, dat een nieuwe verbinding schept tussen de Draaiweg en het Zwarte Water. De schaal is hier veel kleiner dan aan de Draaiweg en de Merelstraat. Het plein is herkenbaar en intiem. De sfeer wordt bepaald door de stijlvolle school en de imposante bomen. Ook de gezamenlijke daktuin kreeg gedetailleerde aandacht op kleine schaal. De onaantrekkelijke ligging bovenop winkels werd gecompenseerd door hier een nieuwe buitenruimte te maken, in de vorm van een gezamenlijke daktuin ontworpen door Landschapsarchitecten van Copijn in Utrecht. Daarnaast hebben de appartementen balkons of privéterrassen.

EEN ONGEDWONGEN ONTMOETINGSPLEK
In een complex met zoveel kanten, is het opmerkelijk dat achterkanten ontbreken. Een groot aantal bewoners is van mening op ‘het mooiste plekje’ in het complex te wonen. De ateliers op het pleintje staan rug aan rug met de schuurtjes van de huizen aan het Zwarte Water en de Molenwerfhof. De achterkant van de school is opener dan voorheen. Twee nieuwe glazen bouwdelen dichten de voormalige inkepingen in die gevel. Eén daarvan fungeert als hal en ontsluit de woningen op de bovenste etage. Deze woningen zijn herkenbaar aan nieuwe kapellen, balkons in het schuine dak en houten opbouwen. Ook tegen de achterkanten van de winkels in het nieuwbouwblok zijn woningen gebouwd. Alleen de supermarkt kreeg een expeditie ingang aan het begin van de steeg.

Al die vriendelijke voorkanten – zowel binnen als buiten het complex – zetten aan tot ontmoeting. De inrichting van de openbare ruimte is ontworpen door het Ingenieurs Bureau Utrecht (IBU). De stoepen zijn breed om de hoogte van het blok te compenseren en bij de kleine winkels te kunnen laden en lossen. De breedte blijkt echter vooral ruimte te bieden aan kletsende buurtgenoten. Kristel slaagde erin een stedelijk en ongedwongen complex te realiseren, precies goed voor een gemengde wijk aan de rand van het centrum. Hopelijk wordt over de toekomstige nieuwbouw aan de Talmalaan net zo zorgvuldig nagedacht.

Renovatie Fort aan de Klop

EEN PLEISTERPLAATS VOOR MENS EN DIER

Net voor de zomer is Fort aan de Klop bij de Vecht ter hoogte van Zuilen, na een gefaseerde renovatie in gebruik genomen als camping, herberg en theehuis. Nu de herfst inzet keren ook de zwermen vleermuizen terug die het gebouw al decennia lang als overwinterplaats gebruiken. Fort aan de Klop is na de recente ingrepen een perfecte pleisterplaats voor zowel mens als dier. Het theehuis blijft de hele winter in het weekend open.

Mascha van Damme

Fort aan de Klop behoort tot de oudste forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het werd in 1819-1821 opgericht ter verdediging en bescherming van de Vechtdijk en het verderop gelegen fort De Gagel. Elk fort werd aangepast aan de specifieke eisen van het omringende landschap en dat maakt ieder fort uniek. Fort aan de Klop werd opgericht aan het inundatiekanaal de Klopvaart en lag oorspronkelijk in een slagenlandschap, een veenweidenlandschap met lange, smalle kavels met veel sloten. De beplanting van het fort bestond vooral uit iepen die konden worden gebruikt als brandhout en meidoornhagen die fungeerden als natuurlijk prikkeldraad. De gracht rondom het fort stond via een sluisje in verbinding met de Vecht.

Bij de aanleg rond 1820 bestond Fort aan de Klop uit een eenvoudige rechthoekige aarden wal omringd door een natte gracht. In 1848-1849 werd het fort uitgebreid en het kreeg het de plattegrond van een onregelmatige veelhoek. Het bomvrije wachthuis werd in 1851 opgetrokken en zag er destijds zeer pittoresk uit. De kleine toren en het ronde dak van het oorspronkelijk in baksteen opgetrokken gebouw werden bekroond door een borstwering met schietgaten. Het wachthuis werd omgeven door een natte gracht en de ingang kon alleen door middel van een ophaalbrug worden bereikt. Pas in de twintigste eeuw is het wachthuis ingepakt met een betonnen schil die het huidige uiterlijk bepaalt. Het ronde wachthuis had aan alle kanten kazematten, met in het midden een extreem dikke pilaar die als afwateringstrechter fungeert voor het platte dak. Naast het wachthuis staan drie houten artillerieschuren, die respectievelijk in 1878,1898 en 1913 zijn gebouwd om de manschappen een minder vochtig onderkomen te bieden dan het wachthuis. De golfijzeren loods, met zijn karakteristieke halfronde vorm, werd oorspronkelijk vlak bij fort Lunet 1 gebouwd. In 1905 werd de loods door de militairen verplaatst naar Fort aan de Klop.

DE OPKNAPBEURT
De Nieuwe Hollandse Waterlinie werd in 1995 op de voorlopige Unesco Wereld erfgoedlijst geplaatst. In 1997 werd het fort eigendom van de gemeente Utrecht. Omdat er sprake was van achterstallig onderhoud, was een volledige cascorestauratie noodzakelijk. Vanaf 2004 kon de restauratie van het complex ter hand worden genomen, mede door financiering van het Europese project ‘Crossing the Lines’, het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie en Belvédère. De helft van de restauratiekosten werd opgebracht door de gemeente Utrecht samen met de gemeente Mortsel in België en de Country of Essex in Engeland. Om aansprak te kunnen maken op Europese subsidies, moest er snel een restauratieplan worden ingediend. Dit plan betrof voornamelijk de cascorestauratie van het wachthuis en de drie houten loodsen. Scheuren in de betonnen mantel werden gevuld, het houtwerk van de loodsen werd gerepareerd en zwart geschilderd, evenals de gietijzeren goten en originele toegangsdeuren van de loodsen werden teruggebracht. De populieren rond het wachthuis werden gekapt omdat ze ziek waren, dat gaf de gelegenheid om een droge gracht te graven op de plaats waar ooit de met water gevulde gracht het gebouw omgaf.

Nadat de nieuwe bestemming bekend was, kon het interieur worden aangepakt. Omdat de Europese en andere subsidies niet voldoende bleken om ook de golfijzeren loods te restaureren, besloot de provincie Utrecht uit het budget ‘Quick Wins Nieuwe Hollandse Waterlinie’ geld beschikbaar te stellen. Aangevuld met een Monumentensubsidie kon in maart 2006 met het werk begonnen worden. De loods werd volledige gedemonteerd en bij een gespecialiseerd bedrijf voorzichtig gezandstraald en voorzien van laag metaalverf in zinkkleur. Alleen de grote toegangsdeuren moesten opnieuw worden gemaakt. De gefaseerde restauratie van het fort leidde tot enige frustratie van de betrokkenen omdat plannen continu aan het (krappe) budget moesten worden aangepast. De versnipperde aanpak ten spijt oogt de restauratie van het fort, en de inrichting van de verschillende onderdelen, als een coherent geheel.

EEN PUBLIEKE BESTEMMING
Het afgelopen jaar kreeg het bomvrije wachthuis een bestemming als theehuis en informatiecentrum over de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Een belangrijke voorwaarde daarbij was dat de vleermuizenpopulatie kon blijven overwinteren in de kelder. Om dat te kunnen bewerkstelligen is het bestaande klimaat gehandhaafd, dat losstaat van het klimaat in het theehuis erboven. In de kelder blijft de temperatuur maximaal 9 graden, terwijl die in het theehuis tot 20 graden kan worden opgestookt. De kelder is niet toegankelijk voor publiek om verstoring van de winterslaap te voorkomen. Slechts tweemaal per jaar mogen leden van de vleermuizenvereniging afdalen om het aantal vleermuizen te tellen. Voor de opslag van de voorraad van het theehuis moest dus een andere oplossingen worden bedacht. Eén van de kazematten werd ingericht als opbergruimte, een aangrenzende nis als keuken en de rest als gezellig onderkomen.

Een deel van het interieur is door Paulus van Vliet ontworpen. Voor de keuken en de opslagruimte is een houten bar geplaatst. In het toegangsportaal, een overwelfde ruimte die leidt naar de centrale ruimte met pilaar, zijn op een handige en subtiele manier toiletruimtes ingebouwd. De houten inbouwtjes lopen taps toe om inbreuk op het gewelf te voorkomen. Kleine, oorspronkelijk raampjes in de toiletten bieden uitzicht over de gracht.

De houten loodsen zijn verbouwd tot herberg. Deze nieuwe functie heeft deels een historische grond. Vroeger lag herberg De Klop vlak bij de plek waar de Klopvaart uitmondt in de Vecht. Twee van de loodsen zijn ingericht met kleine appartementen voor gezinnen en passanten, de andere kan worden gebruikt als groepsonderkomen voor overnachtingen of vergaderingen. Het complex is lowbudget, maar smaakvol en met passende eenvoud ingericht door de uitbaters. Zelf vervaardigd houten meubilair wordt afgewisseld met Kewlox kastsystemen tussen de bedden op de slaapzaal, maar ook in de verschillende keukentjes.

Om toezicht te kunnen houden op het terrein woont de uitbater van de camping in een bij het fort behorend huis net buiten de toegangsbrug tot het terrein. In de zomermaanden kunnen 25 tentjes op het terrein worden opgezet. Het theehuis en het ruime terras zijn dan de hele week open. Om de omringende bewoners ook te laten genieten van dit mooie, stille plekje aan de Vecht, is het fort openbaar toegankelijk als stadspark. Voor Utrechters is het misschien net iets te dichtbij om hier een tent op te slaan, maar het is ook een goede stop tijdens een fietstocht en eigenlijk een opperbeste feestlocatie, al zit de buurt daar misschien niet op te wachten.

Informatie: www.fortaandeklop.nl
Architect: Paulus van Vliet, ingenieursbureau Gemeente Utrecht
Bouwkosten: 2 miljoen

Met dank aan Paulus van Vliet

Station Utrecht Zuilen

Opdrachtgever: ProRail
Architect: Movares (Henk Woltjer)
Programma: nieuwe halte voor het Randstadspoor
Oplevering: 2007

Elke de Rooij

Sinds een aantal jaar wordt in en om Utrecht aan het Randstadspoor (RSS) gewerkt. Dit spoornetwerk moet gaan zorgen voor een snel en frequent vervoer over kortere afstanden binnen de regio. Het recent opgeleverde station Utrecht Zuilen vormt een herkenbaar onderdeel van het RSS. Bij de ontwerpen van de nieuwe stations wordt namelijk bewust gebruik gemaakt van dezelfde elementen. Zo krijgen nieuwe haltes langs de spoorlijn naar Woerden en het traject naar Amersfoort een vergelijkbare overkapping, lift en belettering.

Station Utrecht Zuilen bevindt zich op het spoorwegviaduct boven de Cartesiusweg, waar het als het ware tussen de sporen is gehangen. Het perron is via een lift en trappen aan beide kanten van de weg toegankelijk. Aan beide zijden zijn voorzieningen als kaartautomaten aanwezig, zodat reizigers de drukke weg niet over hoeven te steken. Verder bevinden zich op straatniveau kluizen en fietsenstallingen.

Op het perron is ter hoogte van de trappen een overkapping geplaatst. Deze is aan de buitenkant bekleed met staal, en aan de onderkant is hout toegepast in een warme bruine kleur. Deze elementen komen terug bij andere kleinere haltes langs de spoorlijn naar Amsterdam. De randen van de kap zijn omgevouwen en rond de lift is het kapniveau wat hoger. Op het lagere gedeelte van de kap is de naam van het station geplaatst. Het midden van de kap bestaat uit glas dat dient als bovenlicht voor de onderliggende trap. Hierbij staat het idee van transparantie en daglichttoetreding centraal, iets wat ook terugkomt in de glazen lift en balustrades. In het daklicht zijn zonnecellen opgenomen voor energiewinning.

Op het perron zelf is door middel van verschillend kleur- en materiaalgebruik onderscheid gemaakt tussen diverse zones. Langs de perronrand bevinden zich obstakelvrije zones van ongeveer drie meter breed, met daarin blindengeleide tegels en betontegels. Onder de overkapping is het perron afgewerkt met donkerrood gietasfalt en daarbuiten zijn in het middengedeelte klinkers gelegd.

Deze kleine halte vormt een fraaie toevoeging aan het infrastructuurnetwerk van Utrecht. Getuige het aantal reizigers blijkt het ook nog eens een zeer welkome aanvulling. De balustrades van het in 2004 opgeleverde viaduct zijn volledig bedekt met graffiti. Hopelijk blijft het nieuwe station dit lot bespaard.

Schizofreen

Donderdag 13 september nam Jan Koning officieel afscheid als secretaris van de Commissie Welstand en Monumenten (CWM), waar hij ruim twintig jaar de koers bepaalde. Hij gaat vroegtijdig met pensioen. Onder zijn leiding werden de welstandsvergaderingen openbaar en kwamen er jaarlijkse architectuuruitjes voor gemeenteraadsleden. De CWM kreeg een open loket, waar geen nee werd verkocht en iedereen recht had op uitleg. Ook op zijn afscheidsreceptie bleek deze liefde voor openheid en uitleg – en daarmee voor controverse. De receptie begon in de raadzaal van het stadhuis met een debat over de Belle van Zuylen, de toren van 262 meter die gepland is in het noorden van het toekomstige centrum van Leidsche Rijn, naast de verdiepte A2 en het toekomstige treinstation.

Martine Bakker

Over de Belle is tot dan toe nog weinig gezegd. De discussie in de zaal wordt voornamelijk gevoerd met architecten en architectuurhistorici, die de nodige vraagtekens plaatsen bij de bouw van de toren. Ze zijn benieuwd naar het culturele argument voor het programma, de vorm en de hoogte – op die plek. Kort daarop komen de rijksbouwmeester en de minister met een negatief advies. Bewoners en architecten geven hun mening via allerlei media. Daarbij gaat het over verschil in smaak. Over het bruskeren van de horizontale, natural beauty van het Hollandse landschap. Over zeuren versus je kop boven het maaiveld uitsteken. Het gaat over het belang van de domtoren. Over de schaal van Leidsche Rijn. En over de vergissingen die het Utrechtse gemeentebestuur in het verleden heeft begaan, door grootschalige projecten in handen te geven van private ontwikkelaars en te focussen op bereikbaarheid en economische spin off.

Pi de Bruijn (Architectencie), de ontwerper van de Belle van Zuylen, ziet een duidelijke rol weggelegd voor Utrecht, en daarmee voor de Belle. De toren staat namelijk op twee grenslijnen: die van het Romeinse Rijk en die van de nul-meter waterlijn. Het wereldgebeuren kruist hier de oerhollandse delta. De Bruijn ageert tegen de ultra-lokaalheid van de steden in de randstad – die volgens hem alleen in het telefoonboek nog bestaan en in feite allang deel uitmaken van één grote netwerkstad. Hij ziet de Belle daarom niet alleen als een markerend, maar ook als een verbindend element, met een vriendelijk gebaar naar de hemel en een voorzichtig gebaar naar de grond.

De reacties van bewoners en architecten schetsen steeds een andere beeld van de stad. Maakt Utrecht deel uit van de deltametropool of is het een kleine stad in het groen? Speelt het in economische zin een passieve rol of worden hier dingen in gang gezet? Rij je er pardoes voorbij als er niks hoogs langs de snelweg zou staan of zou dat eigenlijk juist wel goed zijn? Is het een stad waar arrogante studenten niks begrijpen van wantrouwige arbeiders? Hebben referenda er zin of valt er niks te kiezen? Vieren de bewoners samen het einde van de ramadan of verloederen de winkelcentra in de wederopbouwwijken? Is het een creatieve stad of wordt er strak vastgehouden aan programma’s? De Uithof daargelaten, zijn er weinig moderne, architectonische antwoorden op deze identiteitsvragen.

In alle betogen voor en tegen de Belle keert het punt van het baken terug. De Belle wordt een herkenningspunt, een icoon. Maar van welk Utrecht? Wat wil Utrecht nu precies markeren? Waar is het trots op? Wat wil het bewerkstelligen? Wat wil het vertellen? De Belle van Zuylen probeert een beetje van alles te zijn, commercieel en publiek, hoog en vriendelijk, wonen en werken, congrescentrum en dienstverlening, sportschool en uitkijkrestaurant, hotel en museum. Dit sluit dus eigenlijk wel aan bij Utrecht. Jan Koning gaat ervan uit dat debat leidt tot weloverwogen standpunten. Maar het is moeilijk om een standpunt in te nemen over een nieuwe toren voor een schizofrene stad. Hopelijk maken de gemeenteraadsleden vóór het definitieve bouwbesluit wordt genomen nog een leuke excursie en neemt de CWM voordien een weloverwogen positie in. Zodat de toren een creatief, architectonisch antwoord kan worden op de Utrechtse identiteitsvraag. En Koning met een gerust hart kan flaneren in zijn eigen stad.

Genomineerden Rietveldprijs

Bettina van Santen

Zondag 30 september kwam de jury van de Rietveldprijs 2007 bijeen in de aula van de Universiteit van Utrecht. De architecten van de elf geselecteerde projecten kregen nog eenmaal de mogelijkheid hun project toe te lichten en jury en belangstellenden te overtuigen. Alle architecten hadden de moeite genomen naar Utrecht te komen: van Bob van Reeth tot Liesbeth van der Pol en van Erick van Egeraat tot Pim Kother. Alleen Fons Verheijen van VVKH Architecten de ontwerper van The Wall moest onverwacht verstek laten gaan, omdat VVKH moest opdraven in een Oost-Europees land. Het feit dat Erick van Egeraat na zijn presentatie ook direct richting het voormalige Oostblok vertrok voor een afspraak met Poetin, geeft maar weer eens aan dat onze architecten echt meetellen in de wereld.

De korte presentaties werden becommentarieerd door de juryleden Ton Schaap, Marieke Hillen, Wilfried van Winden en André Kempe. Samen met het met vlagen humoristische commentaar van de juryleden gaven de presentaties een goed beeld van de gevarieerde selectie voor de Rietveldprijs 2007. Ton Schaap verwoorde het als volgt: ‘de jury heeft een luxe probleem, want er worden mooie dingen gebouwd in Utrecht.’ De jury slaagde er na enig beraad uiteindelijk in vier projecten te selecteren waaruit de uiteindelijke winnaar zal worden gekozen.

De genomineerden zijn:
1. Het Bolwerk op het Servaasbolwerk van AWG architecten. Volgens de jury het meest mondaine en lichtvoetige gebouw tot nu toe in het oeuvre van Bob van Reeth.
2. Het Hijmans van den Berghgebouw op de Uithof van Erick van Egeraat Associated Architects, waarvan de jury opmerkte dat dit duizelingwekkende gebouw de Uithof ‘doet dansen’.
3. Het Cockpitgebouw en geluidsscherm langs de A2 van ONL architects. Volgens de jury was het een spektakel om in dit gebouw te zijn, hoewel men de constructie wat zwaarder vond dan gedacht.
4. Forumschool ’t Zand in Leidsche Rijn van VenhoevenCS Architecten. De jury vond het een vreemd, fascinerend mooi gebouw, maar vroeg zich ook af of een gebouw een ruimteschip kon zijn?

De uiteindelijke winnaar zal in december bekend gemaakt worden en de feestelijke prijsuitreiking volgt eind januari. Tot en met december kan het Utrechtse publiek ook een eigen keuze maken via de AD/ Utrechts Nieuwsblad Publieksprijs. Daaraan doen alle elf geselecteerden mee. Die winnaar wordt pas bekend gemaakt tijdens de uitreiking van de Rietveldprijs. Post Planjer roept iedereen op om hier aan mee te doen, kijk in het AD/ Utrechts Nieuwsblad voor de bon, ga naar Aorta waar de geselecteerden te zien zijn of stem via de website www.rietveldprijs.nl.

Ensemble Westraven

VAN ‘SICK BUILDING’ TOT ‘HEALING ENVIRONMENT’

Opdrachtgever: Rijksgebouwendienst
Architectenbureau: Cepezed, Delft
Oppervlakte nieuwbouw: 24.000m2
Oppervlakte renovatie: 28.000m2
Instal. kosten: 21.000.000 EURO
Toekomstige gebruikers: Rijkswaterstaat Bouwdienst, Dienst Utrecht, V&W/HK

Machteld Kors

Sinds mei van dit jaar hebben automobilisten op de A12 al de nieuwe jas van de voormalige kantoortoren van de Rijkswaterstaat bij het Amsterdam-Rijnkanaal kunnen bewonderen. Begin oktober wordt ook de aangrenzende uitbreiding van 27.000m2 met kantoren, serres en binnentuinen opgeleverd.

De oude, 23 verdiepingen tellende, betonkolos van Rijkswaterstaat was een ‘sick building’. De kantoortoren uit 1973 had veel problemen, zoals een slecht binnenklimaat, weinig direct daglicht op de werkplek, een lekkende gevel, matige brandveiligheid en een entree waar het altijd waaide.

Het gebouw werd na jaren ongemak en ziektegevallen bij werknemers zelfs voorgedragen voor sloop.

Ware het niet dat de Rijksgebouwendienst als opdrachtgever een voorbeeldfunctie moest vervullen op het gebied van duurzame bouw- en huisvestingsoplossingen. Vanuit een duurzaam-bouwenbenadering heeft de opdrachtgever met architectenbureau Cepezed gezocht naar een oplossing voor behoud van het gebouw. Sloop en nieuwbouw of renovatie bleek even duur. Een verantwoorde keuze was daarom snel gemaakt.

Uitgangspunt bij de verbouw en nieuwbouw was het realiseren van een intelligent gebouw dat zich zou aanpassen aan de verschillende vormen van gebruik en weerstand zou bieden aan de klimatologische omstandigheden, of beter nog deze om zou zetten tot duurzame energie ten gunste van het gebouw. Zonder in te veel technische terminologie te vervallen zijn er forse ingrepen toegepast en innovatieve technieken ingezet om het gebouw te transformeren tot een prettige en duurzame werkomgeving.

De gehele toren is voorzien van een zogenaamde tweedehuidgevel van glas en gaasdoek die dient als wind-, geluid en zonwering. Met deze ingreep is natuurlijke ventilatie op elke verdieping mogelijk omdat men zelf de ramen open kan doen.

Een tweede forse ingreep in de toren was het aanbrengen van verschillende zich over vier verdiepingen uitstrekkende, vides. Hiermee is daglichttoetreding in de kern van het gebouw mogelijk gemaakt en wordt de eenvormige interne structuur van rondlopende gangen doorbroken. Met deze ingreep is tevens het sterke horizontale gevelbeeld van de oude toren doorbroken.

Als klap op de vuurpijl is in dit gebouw als eerste op grote schaal zogenaamde biodynamische verlichting toegepast: licht dat het dagelijkse en seizoensafhankelijke bioritme van de mens bevordert. Het lichtniveau en de lichtwarmte wordt afhankelijk van het tijdstip van de dag aangepast om zo stemming en productiviteit van de werknemers te verhogen. De Rijksgebouwendienst doet met dit project een serieuze gooi naar de meest groene opdrachtgever van Nederland.