Wie zaait kan oogsten

HET BOEMERANG EFFECT

In Leidsche Rijn, in de wijk Terwijde ten noorden van de spoorlijn, is een nieuw wooncomplex verrezen. Bewoners nemen er nu langzaam aan hun intrek. Het hoofdgebouw van het complex grenst aan het strak vormgegeven Waterwinpark. Uitgangspunt voor het driehoekige plangebied Scherf 13 was een appartementencomplex van acht lagen aan de parkzijde met een groene, autoluwe woonbuurt erachter en een centrale parkeerplaats voor 100 auto’s. Door op een verantwoorde manier een deel van de eisen aan hun laars te lappen heeft SEARCH Architects een opvallend hoofdgebouw gemodelleerd met een vriendelijk buurtje erachter.

Mascha van Damme

Bij vergelijkbare, reeds gerealiseerde projecten in Leidsche Rijn vond SeARCH het contrast tussen hoogbouw en eengezinswoningen te groot. Het zou me niets verbazen als ze een kijkje hebben genomen bij de gebouwen aan de Melissekade, waar die kritiek zeker van toepassing is. Aan de parkzijde vormen deze appartementenblokken een mooie stedelijke wand, maar aan de achterzijde is een rijtje grondgebonden woningen wat merkwaardig tegen de gevraagde centrale parkeerruimte aangeplakt. Deze woningen komen aan de ene kant uit op een kale, holklinkende steeg en aan de andere kant op het parkeerterrein. Dat levert weinig sfeervolle woningen op.

Feitelijk gezien heeft SeARCH niet één, maar twee appartementenblokken ontworpen. Het gewenste pand van acht bouwlagen is diagonaal doorsneden en beide delen zijn achter elkaar op de brede basis van het driehoekige gebied geplaatst. De vleugels staan op een afstand van 18 meter van elkaar en omsluiten een binnenterrein, zodat het geheel de vorm heeft van twee ineen hakende boemerangs. Het dak van beide vleugels loopt schuin op van drie woonlagen aan de noordzijde tot zeven in de zuidwestelijke punt aan de kant van station Terwijde.

De opzet van het complex is ook bepaald door de opvatting van SeARCH dat een centrale parkeerplaats en een autoluwe buurt moeilijk met elkaar te verenigen zijn. Het binnenterrein van de Boemerang is een verdieping opgelicht zodat het parkeerterrein onder de appartementen geschoven kon worden. Door op deze vindingrijke manier met de opzet van het blok te puzzelen kreeg het complex in plaats van de gevraagde 100 parkeerplaatsen een parkeergarage met 273 plaatsen. Geen overbodige luxe gezien het gemiddelde autobezit van de Leidsche Rijnse huishoudens.

WUIVENDE BAMBOE
Het donkere, bakstenen hoofdgebouw met roestbruine raampartijen omvat naast 184 vrije sector huurappartementen rond het binnenterrein ook 1700 m2 commerciële ruimte. Deze is voornamelijk ondergebracht in de houten plint aan de hoge spoorzijde. Over twee lagen zijn grote glazen puien aangebracht waarin huurders hun diensten of goede waar kunnen aanprijzen. Een kapper heeft alvast het voortouw genomen. De aangrenzende entreepartij van het complex strekt zich uit over de gehele hoogte van het gebouw. Een wit betonnen, open constructie vormt een lichtdoorlatende gevel die zicht biedt op de galerijen en het hoger gelegen binnenterrein. Een steile trap en een hellingbaan leiden de weg naar boven. Hier zie je dat de twee vleugels van het gebouw op verschillende hoogtes met elkaar worden verbonden door betonnen loopbruggen, die net als de galerijen van donkere, houten balustrades zijn voorzien. Vanaf dit centrale plein hebben de bewoners toegang tot de appartementen, de parkeergarage en de fietsenstallingen.

In deze beschutte omgeving zijn kosten noch moeiten gespaard voor de inrichting. Toch is de eerste indruk van het Hofplein een beetje somber in de scherpe, laaghangende winterzon. Vooral de appartementen direct aan het plein ogen donker, wellicht door hun geringe hoogte en de uitstekende galerij van de verdieping erboven. Het plein zelf is evenwel levendig vormgegeven met volwassen bomen die van het parkeerniveau op de begane grond door uitgesneden gaten het Hofplein bereiken. Om de boomgroepen heen staan mooi vormgegeven bankjes, drinkfonteintjes, kunstobjecten en reusachtige potten met wuivend bamboe.

De steile hellingbaan is in principe rolstoeltoegankelijk en dat is voor sommige bewoners noodzakelijk. In het complex is namelijk een gezinsvervangend tehuis opgenomen voor mensen met een lichte lichamelijke handicap en mensen die door een ongeluk of een andere gebeurtenis hersenletsel hebben opgelopen. Vooral deze laatste groep heeft veel duidelijkheid, regelmaat en rust nodig. Zorginstelling Stichting Reinaerde huurt 22 wooneenheden in deze woonomgeving die volgens hun eigen zeggen sfeervol, prikkelarm en overzichtelijk is. De stichting heeft verschillende locaties in en om Utrecht waar (licht) verstandelijk of lichamelijk gehandicapten begeleid kunnen wonen en/of werken. Ze biedt op ongeveer locaties 350 locaties aan circa 2000 mensen onderdak. De bekendste daarvan is waarschijnlijk eetcafé en kopieerwinkel ZiZo aan de Oudegracht.

De woningen van Reinaerde in de Boemerang liggen verspreid over drie etages in het lagere gedeelte van het gebouw en zijn via een binnentrap met elkaar verbonden. Wie met de lift wil, moet gebruik maken van één van de vier algemene liften in het gebouw. Elke laag heeft een gezamenlijke woonkamer en een gemeenschappelijke keuken. De kamers zelf variëren van 24 tot 35 m2 en hebben een eigen badkamer en een pantry waar de bewoners zelf een hapje kunnen klaarmaken of een kopje thee kunnen zetten. Reinaerde heeft een huurcontract gekregen voor twee keer tien jaar, een duurzaam contract in de optiek van de verhuurder en opdrachtgever van het complex, BPF Bouwinvest. Het Hofplein moet straks het hart en de ontmoetingsplaats worden van het complex van Reinaerde, maar ook voor de andere bewoners. De opzet en inrichting van het binnenterrein moet het buurtgevoel versterken en het eenvoudig maken om onderlinge contacten te leggen.

GROEN IN DE KIEM
Vanuit deze met zorg geregisseerde omgeving kan je afdalen naar het even zorgvuldig gedetailleerde parkeerniveau. Vierkante, betonnen kolommen met een boomschorsprofiel ondersteunen de vriendelijk lichtblauw geverfde parkeergarage. Eigenlijk is van een garage in de ware zins des woords geen sprake want de wanden zijn aan praktisch alle zijden open. Om kris kras in- en uitrijden te voorkomen zijn de parkeervakken gemarkeerd met de in Utrecht immer populaire zwerfkeien. Een voor autoverkeer toegankelijke weg slingert vanuit het hoofdgebouw met een lus door de achterliggende buurt met 74 tuinwoningen terug de garage in waar ook de bewoners van dit buurtje mogen parkeren. Opvallend is dat er inderdaad tussen de tuinwoningen geen parkeerruimte te ontdekken valt. De weinige bewoners die al een woning hebben betrokken zullen hun auto dus daadwerkelijk (moeten) parkeren in het overdekte parkeerniveau. Grote aandacht is er besteed aan een betere relatie tussen de twee verschillende woontypologieën. De over het Waterwinpark uitkijkende voorste rij van het hoofdgebouw is net een slag hoger dan de rij erachter. De aangepaste hoogte maakt een betere, zachtere overgang mogelijk naar woningen. Doordat de hoogte van het appartementencomplex deels is gehalveerd vormt het nauwelijks een zonbelemmerend obstakel voor het achterliggende buurtje. De overgang lijkt niet helemaal ideaal omdat de eerste tuinwoningen vanuit hun privé-buitenruimte direct op de ingang van de parkeergarage en de trap naar het Hofplein kijken, maar als de hagen wat hoger zijn zal deze overgang beslist worden gedempt. Wie een paar stappen het buurtje inloopt en terugblikt op het hoofdgebouw ziet dat de opzet van het hoofdgebouw wel degelijk werkt. De boemerang vormt een prettig solide decor voor het buurtje van lage woningen.

Het oogt allemaal nog wat verlaten, maar de groene intentie is overduidelijk. Overal zijn hagen, klimplanten en kleine boompjes aangeplant die de buurt na één zomerseizoen al een heel ander aanzien zullen geven. Ook valt op dat alle tuinen voorzien zijn van een weelderige grasmat en een robuust stenen plaatsje. De zorgvuldige detaillering is dus ook in dit deel van het complex doorgevoerd. De woonblokjes zijn uitgevoerd in verschillende kleuren en texturen baksteen en krijgen een zekere speelsheid door het verschil in hoogte en het verspringen van de rooilijn. Balkons worden gestut door dezelfde kolommen als het parkeerterrein en boven de straat hangt prachtige verlichting.

De tuinwoningen worden ommuurd door steenkorven waar de woningen in een zigzag doorheen breken. Deze muur geeft de erbinnen gelegen buurt een prettig beschut gevoel, maar levert tegelijkertijd een soort afscheiding van de omringende gebouwen en buurten. De verscheidenheid aan architectuur in de omgeving is soms zo groot dat dit ten koste gaat van de samenhang in de wijk. Het is bijna jammer dat Scherf 13 maar zo’n klein scherfje is. Deze comfortabele buurt had best een slag groter gekund zonder dat de sensatie van beschutting daaronder zou hebben geleden.

Hart van Hoograven

150 appartementen, 79 grondgebonden woningen, 3850 m2 commerciële ruimte

Opdrachtgever: AM Wonen, Bouwfonds ontwikkeling i.s.m. Dienst Stadsontwikkeling, Mitros
Architect: De Zwarte Hond
Oplevering: gefaseerd 2007-2010

Catja Edens

Vernieuwing in naoorlogse wijken is op dit moment een belangrijk vraagstuk en ook in Utrecht zijn gemeente, corporaties en projectontwikkelaars volop bezig passende oplossingen te vinden. Zo wordt in Hoograven gewerkt aan het Hart van Hoograven, een complex met winkels, grondgebonden woningen en appartementen. De ambitie is om (het zuidelijke deel van) Hoograven een krachtige impuls te geven in zowel ruimtelijk als programmatisch opzicht.

De Zwarte Hond stelt in haar plan de inpassing in de bestaande omgeving centraal. Op basis van de bestaande stedenbouwkundige structuur werd het plangebied tussen Oud Wulvenlaan, ’t Goylaan en Constant Erzeijstraat ingedeeld in twee zones: een zone met hoogbouw aan de drukke ’t Goylaan en een zone met lagere bebouwing in het rustige noordelijke deel. In zijn opzet bekrachtigt het plan de bestaande stedenbouwkundige assen evenals de aanwezige groenstructuur. Een noord–zuidas verbindt de beide plandelen met elkaar. De woningen en appartementen in het noordelijke deel staan rondom een langgerekt groen binnenterrein dat wordt aangesloten op de parkzone aan de Oud Wulvenlaan. De hoogbouw in het zuidelijke deel is eveneens voorzien van een groen binnenterrein, hier met een meer besloten karakter.

Voor de architectuur werd inspiratie gezocht in de jaren dertig bebouwing in de directe omgeving. Het karakteristieke beeld wordt hier bepaald door bakstenen blokken van verschillende hoogtes die zijn voorzien van kappen en zowel evenwijdig als haaks op elkaar staan geplaatst. Voor de hoogbouw aan de ’t Goylaan wordt dit vertaald in een complex van vier grote volumes die op hun beurt weer geleed zijn in kleinere elementen met terugliggende en vooruitspringende geveldelen, kappen en verschillende typen baksteen. In het noordelijke deel kregen de gevels aan de buitenzijde van het plangebied (Oud Wulvenlaan en Constant Erzeijlaan) een stenig, enigszins formeel karakter dat aansluit bij de omgeving. De gevels aan het binnenterrein zijn opener en informeler. Hier bevinden zich ook de private buitenruimtes. Het parkeren werd binnen de blokken opgelost.

Met Hart van Hoograven wil De Zwarte Hond een ikoon voor Hoograven ontwerpen, een complex dat door zijn architectonische verschijningsvorm en zijn gemeenschappelijke binnenterreinen een gevoel van saamhorigheid en een gemeenschappelijke identiteit teweeg kan brengen. Een gevoel dat is -afgeleid van de naoorlogse wijkgedachte, waarmee Hoograven oorspronkelijk is vormgegeven.

Mondial

‘Stoel van de wereld’ opnieuw gemaakt

Ontwerp: Gerrit Rietveld, 1958
Productie: Gispen i.s.m. Rietveld by Rietveld
Verkoop: vanaf 2006
Prijs: € 450,- tot € 500,-

Catja Edens

Ter gelegenheid van het negentigjarig bestaan, nam kantoorinrichter Gispen in samenwerking met Rietveld by Rietveld (het bedrijf van de kleinzoon en achterkleinzoon van Rietveld) de Mondial opnieuw in productie. Gerrit Rietveld ontwierp deze stoel in 1958 samen met zijn zoom Wim die toen bij Gispen werkte. De Mondial was bestemd voor de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. De ranke stoel van gebogen plaatstaal zou daarvandaan de wereld veroveren.

Rietveld zag het als zijn missie om de mens te bevrijden van het overtollige om zo een verlicht en modern leven mogelijk te maken. Daarom waren ruimte en massaproductie twee belangrijke thema’s in zijn werk. In 1928 schreef hij: ‘We moeten helpen het leven te vereenvoudigen, te verlossen van overtolligheden. Het werk dat overblijft verlichten door overleg, mechanisme en machines en het bouwvak maken tot een goed georganiseerd industriebedrijf.’

Eind jaren vijftig zag Rietveld zijn kans schoon om dit ideaal te verwezenlijken. Via zoon Wim had hij toegang tot de firma Gispen die alle noodzakelijke technische en commerciële know-how bezat. Het bedrijf was bovendien groot geworden in de traditie van de Nieuwe Zakelijkheid. De Nederlandse inzending voor de Wereldtentoonstelling van 1958 waarbij Rietveld op verschillende onderdelen betrokken was, bood een unieke gelegenheid voor samenwerking. Rietveld ontwierp hiervoor de Mondial stoel. Helaas werd de samenwerking geen succes en was de Mondial maar kort in productie. De enige werkelijk industrieel geproduceerde stoel uit het oeuvre van Rietveld werd een geliefd verzamelaarsobject. De meeste exemplaren bevinden zich in collecties van musea en verzamelaars en het aluminium prototype leverde bij een veiling in 1998 zelfs ruim 16.000 euro op.

Nu heeft Gispen de Mondial dus opnieuw in productie genomen. Met wat kleine technische verbeteringen oogt het ragfijne stoeltje met K-profiel nog even actueel als vijftig jaar geleden. De feestelijke herintroductie werd kracht bijgezet door mensen als Richard Hutten ‘Gispen heeft de stoel van Rietveld gemaakt zoals Rietveld die ooit bedoeld heeft. (…)’ en Jurgen Beij ‘Wat fijn om te weten dat een stoel vijftig jaar geleden ontworpen nog steeds nieuw kan zijn’. Gispen directeur Peter Veer vindt dat Nederland trotser moet zijn op zijn eigen ontwerpers.

Het conserveren van spontane charme

DE TOEKOMST VAN DE VAARTSE RIJN

‘Vaart in de Vaartse Rijn’ is een gezamenlijk project van Architectuurcentrum Aorta en Erfgoedhuis Utrecht. Zij gaven twee ontwerpteams de opdracht om een ontwikkelingsplan voor de Vaartse Rijn te maken. Op 7 november jongstleden zijn deze onder leiding van landschapsarchitect Paul Rocken gepresenteerd aan een panel en publiek. Het benoemen van de kwaliteiten van de Vaartse Rijn bleek onmogelijk zonder een geheim prijs te geven.

Martine Bakker

Het geheim van de Vaartse Rijn is de vaart zelf. Hoewel het water de dichtbebouwde strook van Utrecht naar Nieuwegein-Zuid doorsnijdt, bleef het nagenoeg onopgemerkt. De oevers zijn gedeeltelijk ontoegankelijk en het water wordt amper gebruikt als infrastructurele richtinggever of voor recreatieve doeleinden. De Nieuwegeinse wijk Fokkesteeg ligt bijvoorbeeld ruggelings naar de vaart. Er loopt geen doorgaande fiets- of wandelroute langs de oever. De precieze waterloop is door de vele vertakkingen onduidelijk. De gebouwen en industriële objecten langs de kades zijn pluriform en van alle tijden. Het gebruik van de oevers is divers en, het belangrijkste, gedeelten ervan liggen al jaren braak. Waar vind je dat nog in Nederland, spontaan grondgebruik en onbekommerd wasteland?

SUGGESTIES VOOR TOEKOMSTIGE VERBETERINGEN
Het geheim van de Vaartse Rijn is de vaart zelf. Hoewel het water de dichtbebouwde strook van Utrecht naar Nieuwegein-Zuid doorsnijdt, bleef het nagenoeg onopgemerkt. De oevers zijn gedeeltelijk ontoegankelijk en het water wordt amper gebruikt als infrastructurele richtinggever of voor recreatieve doeleinden. De Nieuwegeinse wijk Fokkesteeg ligt bijvoorbeeld ruggelings naar de vaart. Er loopt geen doorgaande fiets- of wandelroute langs de oever. De precieze waterloop is door de vele vertakkingen onduidelijk. De gebouwen en industriële objecten langs de kades zijn pluriform en van alle tijden. Het gebruik van de oevers is divers en, het belangrijkste, gedeelten ervan liggen al jaren braak. Waar vind je dat nog in Nederland, spontaan grondgebruik en onbekommerd wasteland?

De opdracht van Aorta en het Erfgoedhuis was echter om suggesties te geven hoe de inrichting de samenhang en ruimtelijke kwaliteit van het land en het water zou kunnen versterken. Het onbepaalde karakter van de vaart diende dus bepaald te worden.

Landschapsarchitect Marcel Eekhout en architect Jaco D. de Visser verkenden, ieder met een groep deskundigen, de oevers en het water en ontdekten de verrassende charme van het rommelige watertje. Voor De Visser was het genoeg ‘om verliefd op te worden’. Desalniettemin kwamen de teams met plannen. En deze analyses en visies werden verheugd ontvangen door de representanten van beide betrokken gemeentes, Nieuwegein en Utrecht. Maar de gemeentelijke beleidsmakers hielden zich op de vlakte over de rol die de gemeente kon spelen bij het opstellen van kaders of spelregels voor ontwikkeling en het aanzwengelen van initiatieven.

Anco Schut (gemeente Utrecht) roemde het vermogen om te dromen en de bijzondere gelegenheid die deze avond bood om mee te kunnen dromen: ‘Het leuke is dat jullie durven te dromen. Het is een voorrecht om in workshopverband over een gebied te mogen dromen, en dan nog wel met zo’n brede groep, met architectem, landschapsarchitecten, vastgoedontwikkleaars en gemeente-ambtenaren. Maar als je er dan over gaat praten, zijn de plannen ineens geen droom meer. Moet je een droom realiseren? Niet letterlijk, juist niet, want het is een droom. Wat duidelijk is geworden, is dat het hele gebied iets bijzonders is, en dat de Vaartse Rijn een erfenis is waar je iets mee kunt. Je kan er als gemeente iets mee omdat het inspireert.’ Wat betreft het katalyseren van de ontwikkeling, ziet hij de gemeente dat niet allemaal zelf doen: ‘De gemeente moet mogelijkheden scheppen maar ook grenzen stellen. Dat is ontwikkelen met behoud!’

John Wijnants (Gemeente Nieuwegein) was iets concreter. Zowel het ontsluiten van de verborgen delen als het behouden van het geborgen karakter spraken hem aan. Hij is van mening dat je als gemeente niet te snel kaders moet stellen. Liever zou hij maatschappelijke coalities vormen voor kleine onderdelen – en dan alleen enthousiaste coalities, die levensvatbaar zijn. Wijnants prefereert een integrale visie boven een integraal kader. De Vaartse Rijn wordt opgenomen in de nieuwe structuurvisie van Nieuwegein, waaraan momenteel wordt gewerkt. De conclusies en voorstellen van Eekhout en De Visser zijn daarom erg interessant. Wijnants noemt het Natuurkwartier wanneer over het aanstellen van katalysatoren wordt gepraat. Kortom, in Nieuwegein gebeurt al het één en ander. Dat geldt overigens ook voor de Rotsoordoever in Utrecht. Schut en Wijnants deden geen toezegging over samenwerking, maar zochten elkaar wel op na afloop van de discussie.

WIE EERST?
Marcel Eekhout zou de gemeente graag het goede voorbeeld zien geven voor de ontwikkelingen. Hij koos een aantal voorbeeldplekken waarvan de gemeente eigenaar is en waar de bestemmingsplannen ontwikkeling mogelijk maken, zoals Rotsoord, de kadeparken, de gemeentewerf en het Liesbospark. Als de gemeente het hier goed aanpakt, volgen de particuliere eigenaren en ontwikkelaars volgens hem vanzelf. Het team van Jaco de Visser daarentegen speelt in op het smaakvol presenteren van de mogelijkheden, waardoor gemeentelijke- en marktpartijen vanzelf toe zullen happen. Het maakte een landkaart met daarop een reeks bestaande projecten en losstaande ideeën die de aantrekkelijkheid van de Vaartse Rijn zullen vergroten. De aanpassingen lopen uiteen van het installeren van een drijvende zwemstrip, het graven van nog meer insteekhavens oftewel ‘een Giethoornachtige ontsluiting’ en ‘een applebeach met internetaansluiting’ tot een ‘botencamping’.

VERLAMMENDE PARADOXEN
De aanwezige bewoners en gebruikersgroepen waren minder enthousiast over het ontwikkelen van de vaart. Zij vroegen zich af wie de spelregels hiervoor zou gaan opstellen – gemeentes, architecten of grondeigenaren. Panellid Oetze Atzema (Universiteit Utrecht) benadrukte dat het juist omdat het verborgen kwaliteiten betrof, belangrijk was om de belanghebbenden in het gebied te benoemen, om te weten wie de spelers waren. Pas dan hadden spelregels of kaders zin.

Met de twee zorgvuldige, redelijk gedetailleerde onderzoeken ligt er in ieder geval genoeg om over te praten. Door het geheim van de vaart te benoemen is het bespreekbaar geworden en staat het op de agenda. De vaart heeft de potenties om te blijven uitgroeien tot iets bijzonders, maar de veelzijdigheid kan ook in een verwrongen geheel te ontaarden. Laten de beleidsmakers en ontwikkelaars goed kijken naar de vele verlammende paradoxen die Nederland reeds rijk is, zoals beleid voor spontane broedplaatsen of het plan om een bestaand historisch pand te slopen aan de kade van een neohistorische haven. Om met panellid Paul van der Voort (DAF architecten) te spreken: De charme van wat spontaan ontstond is één van de voornaamste kwaliteiten van het gebied. Het zou vreemd zijn om voor de ontwikkeling van die kwaliteit spelregels vast te stellen.

Het complete verslag van de avond en de beide plannen zijn op dvd verkrijgbaar bij Architectuurcentrum Aorta en Erfgoedhuis Utrecht. Team Jaco D. de Visser: Bastiaan van der Kraats, Nanna van der Zouw, Arda van Helsdingen, Erwin Bos, Wim Weijers, Esther Blaauw, Maarten Meijerink, Christiaan Ratering, Conny Hofstede, Jeroen Hoogstraten, Watze Houtstra (deelnemers), Rob Vrolijks, Jelle van der Zee, Roland Blijdenstein (adviseurs). Team Marcel Eekhout: Rien Le Clercq (Gemeente Nieuwegein), Peter Heideman (architect), Paul de Kort (beeldend kunstenaar), Monique van Loon (TCN Property Projects), Jolanda van Looij (landschapsarchitect).

Gouden piramide

INTERVIEW MET EDWIN OOSTMEIJER, WINNAAR VAN DE GOUDEN PIRAMIDE 2006, DE PRIJS VOOR DE BESTE PROJECTONTWIKKELAAR VAN HET JAAR.

Catja Edens

Gefeliciteerd! Hoe is het om deze prijs te winnen.
Geweldig. In het voorjaar kreeg ik te horen dat ik bij de vijf genomineerden zat. Ik heb toen samen met Nora Hügenholz van de gemeente (ook genomineerd voor de Geluidswal) het initiatief genomen om met alle genomineerden bij elkaar op bezoek te gaan om de projecten te bekijken. Ik vond ze alle vijf zeer verschillend en erg goed. Elk van de genomineerden had kunnen winnen. Ik had twintig procent kans.

De jury beschreef de totstandkoming van Het Bolwerk als een ‘spannend jongensboek’.
Dat was het ook. Ik heb mij uit het niets op dit project gestort en wist ook niet waaraan ik begon. Toen ik erachter kwam dat de locatie van de voormalige bunker aan het Servaasbolwerk voor woningbouw mocht worden gebruikt, besloot ik het zelf te gaan doen. Ik was journalist en wist niets af van projectontwikkeling, maar ik vond die plek onwaarschijnlijk mooi en wilde daar graag woningbouw realiseren. Een belangrijk punt in het hele proces was de status van de bunker. Eerst zou het een gemeentelijk monument worden, daarna droeg de Stichting Militair Erfgoed het gebouw zelfs voor als rijksmonument. De argumenten die zij daarvoor aanvoerde waren echter niet steekhoudend zoals blijkt uit de contra-expertise die ik door de VU liet uitvoeren. Het gebouw werd geen rijksmonument en werd uiteindelijk ook van de lijst van gemeentelijke monumenten afgevoerd. Toen volgde nog een actie van bekende Nederlanders die de bunker voor sloop wilden behoeden. Maar uiteindelijk had ik, acht jaar later, in januari 2004 de benodigde vergunningen in huis.

Hoe kwam je bij Bob van Reeth?
Die had ik in 1995 al eens geïnterviewd over zijn project aan de Mariaplaats. Zijn benadering sprak me aan en persoonlijk klikte het ook erg goed.

Hoe gaat het met je project Reykjavik in Vleuterweide?
Dat is net een paar weken geleden opgeleverd. De locatie is natuurlijk een veel minder heet hangijzer dan bij dit project. Maar het was toch ook weer een bijzonder proces omdat we hier moderne architectuur in een retro context hebben kunnen realiseren. De woningen maken deel uit van De Rietvelden.

Geloof je dat de Nederlandse architectuur en stedenbouw gebaat zijn bij meer projectontwikkelaars zoals jij?

Zeker. Als je niet uit de wereld van vastgoed en financiering komt ben je onbevangener, naar mijn idee. Zelf was ik heel erg gericht op die opgave en ik liet me niet van de wijs brengen door afwegingen van financiële of strategische aard. Ik wilde iets moois maken voor die prachtige plek.

Wat ga je doen met de € 50.000,- prijzengeld?
Die heb ik nog niet binnen, ha ha. Maar ik wil dat geld misschien gaan gebruiken voor een boek over de totstandkoming van Het Bolwerk. Ik ga er in elk geval iets moois mee doen.

Het gebouw, de straat, de stad, de stedelingen

De Stichting Rietveldprijs bestaat 15 jaar en viert dit met een overzichtstentoonstelling in Architectuurcentrum Aorta. De tentoonstellingspanelen geven niet alleen een beeld van de architectuurontwikkeling van de laatste 15 jaar, maar tonen ook de manieren waarop architectuur vastgelegd kan worden op foto. Stichting Rietveldprijs koos voor de beeldessays van haar tweejaarlijkse publicaties steeds bewust een beginnende, en daarmee vaak progressieve fotograaf. Het resulteert in een spraakmakend rijtje van inmiddels min of meer gerenommeerde namen.

Martine Bakker

De fotografen worden in de tentoonstelling stuk voor stuk gepresenteerd met een zelfportret en een korte biografie. Hiermee onderstreept Stichting Rietveldprijs het belang van de persoonlijke achtergrond en de daarmee samenhangende eigenheid van de architectuurfoto’s. Het gaat om de genomineerde en prijswinnende projecten én om de manier waarop de fotograaf deze in de stad aantrof. In sommige reportages lijkt de manier waarop de fotograaf de stad in het algemeen wil laten zien zelfs hoofdzaak. Het project staat in het donker, achter verkeersborden of in de verte.

Deze aanpak sluit aan bij de doelstelling van de Stichting Rietveldprijs die, in navolging van het gedachtengoed van Gerrit Rietveld, de gebouwen beoordeelt als onderdeel van hun omgeving. Eenmaal is hiervan afgeweken, toen het woonhuis van Mart van Schijndel de eerste prijs won. Dit project was een parel op een binnenterrein, van de straat af niet te zien. Net als de fotografen interpreteren de jury’s ‘de rol van het gebouw in de gebouwde omgeving’ op een eigen wijze. Soms lijken uitwerking van stedenbouwkundige thema’s, materiaalgebruik of innovatieve oplossingen van belang. Soms is de vooruitstrevendheid van een ontwerp eenvoudigweg te overdonderend, ook al valt er eigenlijk van alles aan te merken op het gebouw. Het laatste merkte Michelle Provoost namens de jury in 1999 op over de prijswinnaar van dat jaar, het Educatorium.

Fotografie kan een extra dimensie toevoegen aan de architectuur, door te laten zien hoe het functioneert en in de omgeving past. Dit gebeurt lang niet altijd. In haar beginjaren was fotografie vanwege de prille techniek vaak wel verbonden met de stad. Een stilstaande camera en een stilstaand object boden nu eenmaal het beste resultaat. Aan het einde van de negentiende eeuw is de kunstschilder George Breitner één van de eersten die fotografie gebruikt voor het vastleggen van een stedelijke sfeer. Om stadse dynamiek en veranderlijkheid te registreren gebruikt hij vaak een snapshot-enscenering, waarin mensen half buiten het kader vallen.

Het avantgardistisch kunsttijdschrift Wend-ingen besteedt in de jaren twintig veel aandacht aan fotografie. Wendingen ziet samenhang tussen alle kunstdisciplines, een foto van een bergkristal is tegelijkertijd een architectonische vormstudie. Iets later zetten de modernisten van het Nieuwe Bouwen fotografie vooral in om het ideaal van hun architectuur in beeld te brengen: de repeterende bouw, de transparantie, de gezonde leefomgeving, de materialen beton, glas en staal. De architectuurfoto’s van Eva Besnyö vallen op door de concentratie op details die de essentie van het ontwerp in zich dragen. Besnyö is aangesloten bij de kunstenaarsgroep De 8 en Opbouw, die in 1936 per manifest laat weten dat fotografie functioneel, mechanisch en objectief dient te zijn – overeenkomstig haar karakter.

POSTMODERN SUBJECTIEF
Objectiviteit blijft lange tijd een dogma voor architectuurfotografen. Fotografen stellen zich sec en dienstbaar op jegens de architectenbureaus, corporaties of gemeentelijke beeldarchieven die opdrachten verstrekken. Architectuurfotografie geldt als een vrij statische combinatie. Opdrachtgevers willen met de foto’s dan ook niet meer vertellen dan hoe het gebouw eruit ziet. Fotograaf Cas Oorthuys is de uitzondering op de regel. In zijn reportages van bijvoorbeeld wederopbouwwijken zijn altijd mensen in beeld. Van het gebouw krijg je niet het precieze ontwerp mee, maar wel de sfeer die het oplevert in de straat.

Sinds het postmodernisme bestaat objectiviteit echter niet meer en komt de stad als fenomeen ook bij architecten onder de aandacht, een reden voor de opkomst van de meer persoonlijke architectuurfotografie in de loop van de jaren tachtig. Rem Koolhaas (OMA) is één van de eersten in Nederland die stedelijkheid als fenomeen onder de aandacht brengt. Zijn bureau is ook één van de eersten die een fotograaf (Hans Werlemann) betrekt in het ontwerpproces. Koolhaas schrijft in zijn reeks onnavolgbare woordverklaringen in S,M,L, XL dat de ware, totale fotografie misschien een stapel fragmenten van persoonlijke beelden is – met een naar, verkreukeld wereldbeeld in de achtergrond.

De persoonlijke invalshoek van de fotograaf wordt de laatste jaren veelvuldig betrokken bij architectuur. Niet alleen in het ontwerpproces, maar ook in studies over mobiliteit of identiteit, of door tentoonstellingsmakers. Zelfs in de meer rechttoe rechtaan architectuurbladen en op projectfoto’s ten behoeve van acquisitie verschijnen mensen – waar voorheen nog iedere vinger of teen zou worden weggeretoucheerd.

VOORBODE VAN EEN NIEUWE WERELD
Het Nederlands Foto Instituut maakt in 1998 de tentoonstelling Suburban Options, waarin nationale en internationale fotografen, zoals Ad van Denderen, Siebe Swart, Theo Baart en Gabriele Basilico, de verstedelijking van het landschap onderzoeken. Een bijbehorend symposium neemt de rol van de opdrachtfotografie hierin onder de loep. De tentoonstelling De Spectaculaire Stad, die momenteel is ingericht in het NAi, lijkt de rol van de opdrachtfotografie inmiddels evident te vinden. Tentoonstellingsmaker en scheidend NAi-directeur Aaron Betsky ziet de beelden van de fotografen als een voorbode van een nieuwe wereld. Fotografen zijn volgens hem bij uitstek in staat om grip te krijgen op het schemergebied tussen de lelijke dagelijksheid en het utopische gehalte van architectuur.

Betsky beweert dat wij behoefte hebben aan dergelijke beeldverhalen, dergelijke mythes. Een mythe herschrijft een realiteit die er ooit was, ooit komt, of nu al is en alleen nog hoeft te worden blootgelegd. Het is deze mythe waar ook de acht Rietveldprijsfotografen zich in de afgelopen 15 jaar ieder op hun eigen wijze op hebben gericht, binnen het keurslijf van de verplichte reeks locaties (de genomineerde projecten). Dit is een verdienste van de Stichting Rietveldprijs voor de stad Utrecht. Want om goed te kunnen bouwen, moet je goed kunnen kijken. Naar het hele, wilde scala van menselijk grondgebruik.

Utrecht NOW

In november werd Utrecht NOW gepresenteerd. De sector Monumenten gaf opdracht tot deze cultuurhistorische en morfologische studie die ondersteuning moet bieden bij de aanpak van naoorlogse wijken in Utrecht. Onderzoekers Marinke Steenhuis en Paul Meurs zijn zeer positief over de grote stedenbouwkundige diversiteit en het vele groen in deze wijken. Hun onderzoek biedt de basis voor een zorgvuldige aanpak.

Bettina van Santen

In opdracht van de afdeling Stedenbouw & Monumenten hebben Marinke Steenhuis en Paul Meurs de afgelopen twee jaar uitgebreid onderzoek gedaan naar de naoorlogse wijken van Utrecht. Dit onderzoek, getiteld Utrecht NOW (Na Oorlogse Wijken) omvat 10 wijken, te beginnen met Pijlsweerd uit 1947 en eindigend met Overvecht dat afgerond werd in 1970. Het doel van de studie is een bijdrage te leveren aan de te ontwikkelen toekomstvisie voor deze wijken. In overleg met de sector Monumenten is voor een aanpak gekozen met de nadruk op kaartmateriaal en beelden om niet het zoveelste dikke boekwerk te maken, dat vervolgens ongelezen in een kast zou verdwijnen.

Steenhuis en Meurs hebben bijzonder veel materiaal over de ruimtelijke ontstaansgeschiedenis van de wijken boven water weten te halen. Een archief van voormalig stedenbouwkundige Hanekroot bij diens weduwe op zolder was niet de enige onverwachte bron, ook de provincie bleek in het bezit van een rijk archief aan bestemmingsplannen en stedenbouwkundige plannen. Het geheel leverde veel nieuwe inzichten op over de opzet en de karakteristiek van de wijken. Zo bleek dat Kromme Rijn bedoeld was als een ‘verbeterd Wilhelminapark’, dat het naoorlogse deel van Tuinwijk (Lauwerecht) ontworpen was met een ‘parkway’ (de Talmalaan) en dat aan Overvecht een fundamentele discussie over stempels en bouwvlekken ten grondslag lag.

In de studie wordt per wijk een inleiding over het planproces en de gerealiseerde bouw gegeven, gevolgd door een serie kaarten waarin de wijk letterlijk in al zijn ruimtelijke aspecten in beeld wordt gebracht. Deze kaarten zijn in terugkerend stramien gerangschikt en behandelen de stedenbouwkundige opzet, de bebouwing en de groene contramal, de belangrijke compositorische elementen, de hoofd- en de secundaire structuren, de stedenbouwkundige detaillering en tenslotte de wijzigingen c.q. verstoringen. Het geheel wordt afgesloten met een tekstdeel met karakteristieken, sterke en zwakke punten en waardering.

FAMILIEVERBANDEN
Naast deze schat aan informatie, schreven Meurs en Steenhuis een samenvattend essay, waarin zij de naoorlogse wijken van Utrecht als geheel in beschouwing nemen en de familieverbanden van de wijken onderling schetsen. Deze laatste exercitie biedt een verhelderend inzicht in het eigene van de Utrechtse naoorlogse wijken. Men kan de wijken in chronologische volgorde van ontstaan beschouwen en de daarmee samenhangende evoluerende stedenbouwkundige visies, maar er liggen ook hele andere interessante verbanden tussen de diverse wijken.

Zo zijn zes wijken bewust ontworpen in combinatie met stadswegen die de entree tot Utrecht markeren. Dat geldt bijvoorbeeld voor Tuindorp-Oost met de Eykmanlaan en de Kardinaal de Jongweg, maar ook voor de wijk Kromme Rijn met de Stadionlaan en de Rubenslaan en voor Lauwerecht met de Talmalaan. Infrastructuur en bebouwing zijn daarbij destijds bewust in compositie met elkaar ontworpen.

Een ander type familieverbanden is te vinden in het karakter van de wijken. Wijken als Pijlsweerd, Halve Maan, Nieuw Zuilen en Kromme Rijn zijn mengvormen van voor- en naoorlogse stedenbouwkundige ideeën. Deze wijken waren al voor Wereldoorlog II uitgedacht, maar zijn na 1945 uitgevoerd in een aangepast, in het licht van de tijd verbeterd concept met veel meer open stedenbouw, ruime groenstructuren en andere woningtypen.

En dan is bijvoorbeeld Lauwerecht ook nog te kenschetsen als een parkway met stadsblokken uit de jaren vijftig en Tolsteeg-Hoograven als een buurtconcept van miniwerelden. Marinke Steenhuis en Paul Meurs komen dan ook tot de conclusie dat Utrecht vergeleken met andere steden een bijzondere verzameling van naoorlogse wijken heeft, waarbij zij met name de rijke variatie aan stedenbouwkundige concepten prijzen en tevens het ruim toebedeelde groen.

De lof van de onderzoekers voor de Utrechtse naoorlogse wijken lijkt in contrast met de manier waarop over het algemeen over deze naoorlogse wijken gesproken wordt als eentonig en uniform. In de inleiding staat dat het primaire doel van deze cultuurhistorische studie niet is om tot behoud en bescherming van het bestaande over te gaan. De klassieke middelen van de monumentenzorg kunnen niet toegepast worden op deze wijken, gezien de omvang, het ruimtelijk karakter en de dynamiek van de wijken.

Maar ook de wens tot ingrijpen in deze wijken leeft sterk, gezien de sociale opgave die er ligt. Steenhuis en Meurs leggen de prioriteit bij de continuïteit van de wijken en pleiten voor nieuwe toevoegingen die een verrijking opleveren voor de reeds bestaande kwaliteiten.

DE VLAM IN DE PAN?
De grote vraag is echter hoe dit‘ verrijkend toevoegen’ van een nieuwe laag aan het bestaande in de praktijk zou moeten gebeuren. Als de nieuwe opgave ingevuld wordt met de wens om iets geheel anders te gaan maken, wordt het toch lastig om rekening te houden met het bestaande. Vooral als de mening is, dat het bestaande niet (meer) deugt.

Want dan veranderen open stedenbouwkundige verkavelingen in gesloten bouwblokken en worden (portiek)flats vervangen door grondgebonden woningen. Zo wordt tot nu toe in ieder geval veelal ingegrepen in naoorlogse wijken. Mengen en differentiatie van de woningmarkt is het toverwoord en dat kan blijkbaar alleen door het bestaande te vervangen door iets geheel anders. Andere huizen en andere mensen, want anders ‘slaat de vlam in de pan’ zoals minister Pieter Winsemius op 1 november in de media naar buiten bracht. Hij voorspelde ‘rampspoed’ als maatregelen uitblijven.

De wijken waar hij met name op doelde waren ‘de naoorlogse wijken met veel galerijflats en portiekwoningen met relatief veel inwoners zonder werk, crimineel gedrag en een laag inkomen’ (bron: Volkskrant en NOVA). Diezelfde uitspraken riepen op hun beurt een heftige reactie op van Esther Agricola, de scheidend directeur van KEI, het Kennis Instituut voor Stedelijke Vernieuwing.

Zij kon het in haar afscheidsrede op 6 november jl. niet nalaten om het gebruik van dergelijke in haar ogen stigmatiserende woorden te bekritiseren. Toch zullen de woorden van Winsemius door velen met instemming ontvangen worden. Natuurlijk, de sociale problematiek kan op vele manieren aangepakt worden in de wijken – en dat gebeurt ook al – maar sloop en nieuwbouw is toch het meest adequate middel, zoals Winsemius ook al aangaf.

Over dit aspect houdt prof. Ir. Andre Thomsen een paar dagen later (10 november j.l.) een opvallend verhaal, in zijn afscheidsrede als hoogleraar aan de faculteit Bouwkunde van de TU Delft.

Hij stelde dat Nederland veel te veel huizen sloopt, met name in de sociale huursector. Deze woningen hebben een twaalfmaal grotere sloopkans dan een koopwoning en dat zal in de plannen van de woningbouwcorporaties alleen nog maar flink toenemen de komende jaren. Met name naoorlogse flats staan op de nominatie voor sloop en dan vooral in de randstad, terwijl daar juist ook sprake is van toenemende woningtekorten. Dat laatste ziet hij dan ook als een groot probleem: we slopen te veel terwijl we de woningen hard nodig hebben. En is het nodig?

Volgens Thomsen staat het meest genoemde sloopmotief, de bouwtechnische kwaliteit van de flats, op gespannen voet met de uit onderzoeken gebleken redelijke kwaliteit van de sociale huurwoningen. Het sloopmotief blijkt bij doorvragen meestal de sociale problematiek te zijn en niet de bouwtechnische kwaliteit. Al met al is dit laatste niet zo’n verbazingwekkende conclusie voor wie al langer bezig is met stedelijke vernieuwing.

Interessant in het licht van de studie van Steenhuis en Meurs zijn de kritische opmerkingen die Thomsen maakt over sloop en de aspecten als duurzaamheid, cultuurhistorische waarden en de positieve kanten van renovatie en hergebruik. Van het laatste stelt hij, mede op basis van publicaties van Jo Coenen en Jaap Huisman, dat al langer bekend is dat renovatie en hergebruik niet alleen beter, maar ook goedkoper is dan nieuwbouw.

Het gaat bij sloop – aldus Thomsen – vaak om de verborgen agenda’s. Hoewel je zou kunnen stellen dat de spreiding van kansarme bewoners al lang geen verborgen agenda meer is. Het gebruiken van sloop om de grondwaarde van interessante locaties beter te benutten is overigens ook een van de verborgen agenda’s die Thomsen noemt. Dit laatste geldt overigens ook voor vooroorlogse wijken, die vaak aantrekkelijk gelegen zijn in een stad.

In het kader van de toenemende milieuproblematiek en de vraag naar duurzaam handelen is hergebruik van het bestaande een belangrijk aspect. Cultuurhistorie noemt Thomson ook als reden tot spaarzaam omgaan met sloop, maar hij besteedt er verder weinig woorden aan.

Interessant is echter ook een ander kwaliteitsaspect, dat hij benoemt in een radio-interview. Thomsen stelt dat het hem aangenaam trof toen hij ontdekte dat de woning en de omgeving waar hij was opgegroeid nog steeds aanwezig was. Mensen hebben behoefte aan continuïteit en herkenbaarheid van hun eigen verleden en achtergrond. Hij stelt dat het een gemis is voor een samenleving als deze mogelijkheid voor grote groepen mensen ontbreekt omdat de wijken uit een bepaalde periode onherkenbaar veranderd zijn. Wellicht lijkt dit sommigen vooral een sentimenteel argument, maar is ook dat niet een behartenswaardig aspect van een duurzame samenleving?

DEBAT
Utrecht liep tot nu toe achter bij andere grote steden wat betreft de aanpak van de naoorlogse wijken. In feite zijn er nog maar weinig delen al grondig aangepakt in het kader van de herstructurering. Voor sommigen is het dan ook hoog tijd om op volle kracht vooruit te gaan. Volgens Steenhuis en Meurs en de sector Monumenten is het ook een kans om nog eens zorgvuldig te bezien hoe het nieuwe zich kan gaan verhouden tot hetgeen er is. Interesse in de cultuurhistorische aspecten van de wijken belijden met de mond is altijd mogelijk, maar kan het ook daadwerkelijk meegenomen worden bij concrete planvorming? En wil men dat ook? Over die vragen organiseerde Aorta 13 december j.l. een debat.

Debatleider Wijnand Galema opende de avond met te stellen dat hij wat ambivalent stond tegenover het onderwerp: het toepassen van cultuurhistorische analyses bij de herstructering van naoorlogse wijken. Hij had namelijk in al de jaren dat hij hiermee bezig was geweest, ondermeer voor de Gemeente Rotterdam, bijna geen geslaagd voorbeeld gezien. De vraag of het mogelijk is om ‘een nieuwe laag’ toe te voegen met respect voor het bestaande, bleef dan ook de hele avond boven de zaal hangen.

De architecten die met grote plannen bezig zijn in Hoograven (De Zwarte Hond), Kanaleneiland (Mecanoo) en Zuilen (Duinker Van der Torre) bleven het antwoord op de vraag ook schuldig, maar dat kwam vooral omdat de door hun gepresenteerde plannen vervolgens niet onderwerp van discussie werden.

Het panel met onder andere directeur Marien de Langen van Mitros, Anna Vos van MAB en Jeroen de Willigen van De Zwarte Hond waren het er allemaal over eens dat het belangrijk is om de context waarin je werkt ter harte te nemen. Maar hoe dat in de praktijk zou moeten uitwerken, kristalliseerde zich (nog) niet uit. Teveel aspecten spelen een rol in het planproces waardoor een positieve instelling uiteindelijk nog veel richtingen op-geduwd kan worden. Zo merkte een spreker uit de zaal op dat het nieuwe bouwprogramma nogal eens te groot is voor de plek. Net zo tekenend was de openingszin van Machiel van der Torre over zijn opdracht in Zuilen. Hij bekende dat hij de bestaande flatjes en hun opzet bijzonder sympathiek vond, maar de sloop was al een onomkeerbaar feit.

Op de debatavond was iedereen het er over eens dat een analyse als van Marinke Steenhuis en Paul Meurs een waardevolle bijdrage is aan het herstructureringsproces. Maar hoe het in de praktijk uitwerkt, blijft voorlopig meer open vraag dan antwoord. Een degelijke studie over de sociaal-maatschappelijke cultuur in de naoorlogse wijken lijkt evenzeer op zijn plaats. Zowel Marien de Langen als Alice van Rooij (voorzitter raadscommissie Stedelijke Ontwikkeling) kwamen tijdens het debat steeds uit bij de bewoners, als uitgangspunt voor veranderingen. Ook op vragen als ‘hoe sluiten de genoemde cultuurhistorische kwaliteiten aan bij wat de huidige bewoners waarderen’ en ‘hoe raken we aan de praat over het sociale vraagstuk, de eenzijdigheid’ bleef het antwoord voorlopig schuldig. Hopelijk weet de studie van Steenhuis en Meurs een plek te veroveren in deze discussie.