Nog één keer sterren kijken

IN MEMORIAM HET PROVINCIEHUIS

Stad en architectuur kunnen niet zonder vernieuwing. Zonder sloop geen nieuwbouw, zonder nieuwbouw geen ontwikkeling en zonder ontwikkeling geen veerkracht. Of zoiets. In elk geval moet af en toe de sloophamer vallen en daarvoor is binnenkort het Provinciehuis aan de beurt. In december 2005 ­besloten de Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht namelijk tot sloop van de zogenaamde ‘sterren’, het grootste en oudste gedeelte van het Provinciehuis. Dit structuralistische complex uit de jaren zeventig moet ­wijken voor ­nieuwbouw op dezelfde locatie. De toren die in 1996 nog aan het complex werd toegevoegd, mag blijven staan.

Catja Edens

Waarschijnlijk zullen niet veel mensen wakker liggen van de sloop van het Provinciehuis. Het is nu eenmaal geen icoon, geen tot de verbeelding sprekende publiekslieveling, maar volgens menigeen een wat kleurloos ouderwets complex dat wel gemist kan worden. Ondanks de flinke omvang ligt het onopvallend in een groene omgeving langs de Pythagoraslaan in Rijnsweerd. Wie er niet hoeft te zijn, ziet het niet. Of hij onthoudt vooral de moderne toren uit de jaren negentig. Toch heeft juist het oude bouwdeel een interessante geschiedenis en belangrijke kwaliteiten. Reden voor een eulogie.

PERFECTE RECEPTUUR
De intentie om in Rijnsweerd een Provinciehuis te realiseren stamt uit het begin van de jaren zeventig. De Provincie was van een deftig, afstandelijk instituut in een open overheidsinstelling veranderd, die zich bezig hield met ruimtelijke ordening, milieu, verkeer, recreatie en maatschappelijke zorg. Daarmee was het aantal medewerkers in minder dan tien jaar verdubbeld.

De vestiging in de Utrechtse binnenstad, op Achter de St. Pieter nr. 20, barstte uit zijn voegen en ook de aankoop van extra panden in het centrum bood geen werkelijk soelaas. Uiteindelijk lagen de provinciale kantoren, vergaderruimtes, laboratoria en tekenkamers verspreid over maar liefst elf locaties in de binnenstad, wat uiteraard ten koste ging van de efficiëntie. Hoezeer de Provincie ook hechtte aan haar plek in het centrum van de stad, nieuwbouw aan de stadsrand was eigenlijk onafwendbaar. Want daar kon wèl de ruimte worden gevonden om alle diensten in één gebouw te combineren zodat men effectiever kon werken. Bovendien zou de Provincie zich door middel van een nieuw gebouw ook met een duidelijk gezicht aan de burger kunnen presenteren.

Dit betekende een flinke verandering en een omvangrijke financiële investering. Daarom werd besloten om eerst de kantoren van de waterstaatkundige en planologische dienst in nieuwbouw onder te brengen alvorens bestuur en griffie te verhuizen. Zo kon de kat nog even uit de boom worden gekeken. Bovendien werd, geheel in overeenstemming met de geest van de tijd, ook al het personeel van hoog tot laag over de plannen geraadpleegd. Daarbij bleek dat een verrassende 92 procent geen bezwaar had tegen een verhuizing naar nieuwbouw in Rijnsweerd.

MENSELIJKE MAAT, EXPERIMENT EN ONTMOETING
De jaren zeventig staan in Nederland bekend als de periode van democratisering en vermaatschappelijking van de architectuur en stedenbouw. Het beleid richtte zich steeds meer op welzijn en de aandacht verschoof van de architectonische vorm en functie naar regulering en besluitvormingsprocessen. Daarbij werd de architectuur in toenemende mate een interdisciplinaire aangelegenheid waarbij sociologen, kunstenaars, gebruikers en bewoners betrokken waren.

De overheid zag zichzelf als voortrekker van deze nieuwe architectuur waarin grootschaligheid plaats maakte voor de menselijke maat, rechtlijnigheid voor het experiment, en regels en hiërarchie voor spontaniteit en ontmoeting. Het was een beleid dat vooral tot uiting kwam in de huisvestingspolitiek waarvoor de toenmalige minister Schut van Volkshuisvesting zelfs speciale subsidies in het leven riep. Maar ook in de utiliteitsbouw voltrokken zich belangrijke veranderingen. Gemeentes en andere overheden vertaalden hun voortrekkersrol in laagdrempelige, soms ‘eksperimentele’ gebouwen zoals de vele scholen en culturele instellingen als het Karregat in Eindhoven of Muziekcentrum Vredenburg in Utrecht.

Het Structuralisme gaf daarbij de toon aan. Het was een stroming op humanistische grondslag waarin flexibele structuren ruimte boden voor multifunctionaliteit en ontmoetingen. Herman Hertzberger formuleerde het zo: “Structuralisme gaat over het onderscheid tussen een kader of structuur met een lange levenscyclus en een invulling met een minder lange cyclus.” Structuralistische gebouwen kenmerken zich door een opbouw uit meerdere gelijkvormige elementen die op hun beurt weer bestaan uit kleinere eenheden, waarvan de kleinste eenheden zijn terug te voeren op de menselijke maat. Deze vormen homogene architectonische structuren met verschillende ingangen en veel collectieve ruimtes, die in de toekomst gemakkelijk kunnen worden uitgebreid.

STERREN
In 1975 werd begonnen met de bouw van het Provinciehuis. Het vertrouwen was inmiddels zodanig gegroeid dat besloten werd om ook de griffieafdelingen direct te laten meeverhuizen naar Rijnsweerd. Architect J. Lengkeek, een plaatselijke held, vertaalde het programma van eisen dat door de Provincie was opgesteld, naadloos in een structuralistisch complex. Het werd een stelsel van stervormige bouwdelen die in hoogte varieerden van twee tot vijf bouwlagen. Dit bood een flexibele structuur die gemakkelijk uitbreidbaar was maar toch na elke bouwfase een afgerond geheel zou kunnen vormen.

Een constructie van plaatvloeren op betonkolommen volgens een stramien van 7,80 x 7,80 m., vormde de basis. Zowel de buitengevels als de binnenmuren werden opgetrokken uit niet-dragend ‘schoon’ metselwerk van rood-geel genuanceerde baksteen. De binnen- en buitenkozijnen, trappen, dakranden en andere details werden op vergelijkbare wijze geconstrueerd uit blank behandeld hardhout. Met deze benadering kwam het verschil tussen in- en exterieur grotendeels te vervallen, wat handig was met het oog op toekomstige uitbreidingen en bovendien de overgang tussen binnen en buiten minder abrupt maakte.

De ‘sterren’ werden in hun vormgeving gebaseerd op het realiseren van zo kort mogelijke verbindingslijnen terwijl voor elke medewerker het contact met de buitenruimte gewaarborgd bleef, ook in het geval van toekomstige uitbreidingen. Alle sterren kregen een gelijksoortige constructieve opzet en werden uitgerust als sociale micro-eenheden met een garderobe, een toiletruimte en een centrale open trap. Ze konden worden ingericht met tekenkamers, kleine kantoorlandschappen, aparte werkkamers en andere soorten ruimtes. De inrichting en meubilering waren het gevolg van een intensieve inspraakprocedure van het personeel.

Het Provinciehuis werd een continue structuur waarin, door de toepassing van een sprinklerinstallatie, geen compartimentering meer noodzakelijk was. Door het variërende aantal bouwlagen, de wisselende buitenruimtes en de verschillende bouwkundige invullingen kregen alle sterren een eigen gezicht. Dit werd nog versterkt door de keramische kunstwerken waartoe opdracht was gegeven. Kunstenaars als Hanna Mobach en Joop Hekman verdeelden het totale verfraaiingsbudget onderling op democratische wijze en maakten grote vrijstaande en wandgebonden plastieken.

Voor de inrichting van de buitenruimte werden de landschapsarchitecten Buys en Van de Vliet ingeschakeld. Zij zorgden voor een inpassing in het bestaande polderlandschap waarbij ze bewust ‘speelden’ met de natuur door zoveel mogelijke overgangen te creëren, van nat naar droog, van zand naar veen etc. Zo ontstond een afwisselende natuurlijke setting waarbij de verschillende buitenruimtes in elkaar konden overlopen. Tot op de dag van vandaag vormen zij een mooie -overgang naar het ecologische Park Bloeyendaal. Een bliksemenquête op 9 maart 1978, twee maanden na de ingebruikname, leverde uitsluitend enthousiaste reacties op, zo juicht de feestelijke bijlage die ter gelegenheid van de officiële opening bij het personeelsblad verscheen. Maar vooral uit het gegeven dat tot in de jaren negentig nog diverse sterren volgens de oorspronkelijke structuur werden bijgebouwd, mag blijken dat het Provinciekantoor een succes was.

In 1996 realiseerde bureau Lengkeek ook de nieuwe uitbreiding, een strakke toren die een volstrekte stijlbreuk betekende met de oudbouw. En nu, tien jaar later, hebben de sterren dus definitief afgedaan. De Provincie noemde het project, dat toch ooit werd ontworpen om zo efficiënt en laagdrempelig mogelijk te zijn, zelfs ‘inefficiënt en gebruikersonvriendelijk’ (www.groenlinksprovincieutrecht.nl). -En nu gaat het betrekkelijk roemloos ten onder, dit bouwwerk, dat weliswaar niet het hoogtepunt is van de structuralistische architectuur in Utrecht, maar toch een zorgvuldig ontworpen complex met historische waarde. De sloop neemt binnenkort een aanvang en de eerste paal voor een nieuw gebouw zal al in 2008 worden geslagen. Ga dus nog een keertje sterren kijken, voor het te laat is.

Thuis in de stenen jungle

ARCHITECT PETER VERSSEPUT

In Ondiep wordt gebouwd aan een hostel voor dak- en thuisloze alcoholisten. Met oprechte belangstelling voor zowel de toekomstige bewoners als de omwonenden, werkt architect Peter Versseput aan de opgave. Het hostel moet geen kille instelling worden maar een warm thuis, ingebed in de sociale en architectonische context van Ondiep. Hoe pakt Versseput dit aan en wat drijft hem eigenlijk?

Machteld Kors

Sommige architecten schrijven, theoretiseren en debatteren over architectuur en andere architecten bouwen. Peter Versseput (1951) is er één van het laatste soort. Niet dat hij het debat mijdt of niet wil nadenken over de rol van architectuur in de huidige samenleving, maar het ‘oeverloze, conceptuele gepraat’ onder vakgenoten boeit hem niet. Hij is niet geïnteresseerd in avantgarde, maar wel in vernieuwing.

Peter Versseput ziet het belang van de kruisbestuiving tussen verschillende disciplines. Een betere samenwerking tussen architect en stedenbouwkundige kan in veel gevallen meer opleveren dan de som van de twee delen. Uitwisseling van kennis tussen de beeldend kunstenaar, de theaterbouwer en de architect resulteert bij Versseput in de ontwikkeling van nieuwe materialiseringsconcepten of grafische toepassingen binnen de ontwerpen. Hij werkt niet met vooropgezette stijlkeuzes: een project komt tot stand na grondig onderzoek van de context en uitgebreid overleg met opdrachtgever en gebruikers.

Versseput Architecten bestaat vijftien jaar en heeft inmiddels een oeuvre opgebouwd waaruit overtuiging spreekt en ook een zekere vorm van bescheidenheid. Geen trendy oplossingen, moedwillige ingrepen of uitbundig vormgegeven details, want ‘dingen die goed zijn moet je niet willen verbeteren’.

OPRECHTE INTERESSE IN MENSEN
Binnen het tijdsbestek van twee jaar realiseerde Versseput Architecten in Utrecht drie toonaangevende projecten: het Paviljoen in het Julianapark, de renovatie van het Dick Bruna Huis en de wijkpost Den Hoet in Leidsche Rijn. Eerder werkte Versseput aan de verbouwing van het voormalige Willem Arntszhuis tot Rietveldvleugel van het Centraal Museum en ontwierp hij de ‘vernieuwbouw’ inclusief gevel voor Cultureel Centrum RASA. In november wordt de door Versseput ontworpen popzaal De Nor in Heerlen geopend en eind 2006 is de oplevering van het nieuwste project: Hostel Hogelanden, een opvang voor 23 aan alcohol verslaafde dak- en thuislozen.

Het zijn allemaal projecten die een culturele, maatschappelijk functie hebben waarbij de verschillende gebruikers van een gebouw zich op hun gemak moeten voelen. En Peter Versseput is ook oprecht geïnteresseerd in sociale relaties. In de jaren zeventig studeerde hij drie jaar Sociale Geografie in Utrecht, maar maakte dit niet af. Hij ging, naar eigen zeggen ‘voor zijn moeder’, naar de avond-HTS om zijn interesse voor vormgeving technisch te onderleggen.

Via een bevriende decorbouwer kwam hij bij Mart van Schijndel terecht en volgde hij in de avonduren een studie aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam. Hij had toentertijd geen specifieke voorkeur voor de stijl en werkwijze van Mart van Schijndel, maar achteraf boeide hem de grote belangstelling voor technische innovaties en Van Schijndels talent om licht en ruimte als architectonische componenten te benutten. Deze ervaring nam hij mee in zijn eigen bureau dat hij startte in 1991. Zijn ruime ervaring in de architectuur en zijn oprechte interesse in mensen vormen het kader waarbinnen de ontwerpen van Versseput Architecten tot stand komen.

Het ontwerp voor Hostel Hogelanden is een mooi voorbeeld van de werkwijze van Versseput. Telkens weer zoekt hij naar ontwerpoplossingen die aansluiten bij de bestaande situatie, terwijl gebruikers worden gerespecteerd en de vernieuwing vooral schuilt in de gebruikte materialen zonder de context uit het oog te verliezen.

EEN EIGEN HUIS
Het bekende ‘Not in my backyard’ principe leverde de gemeente problemen op bij het vinden van een geschikte locatie voor een hostel voor alcoholverslaafde dak- en thuislozen. Uiteindelijk viel de keuze op de voormalige politiepost het Blauwe huis, gelegen bij de Rode Brug aan de rand van de wijk Ondiep. Door de specifieke bebouwing en zijn hoekpositie vormde het Blauwe huis een belangrijk herkenningspunt voor de wijk. Ook in de toekomst zou het gebouw als visitekaartje voor de wijk moeten fungeren.

Voor de opgave was een diepgaand overleg met de buurtbewoners van groot belang. Het impopulaire karakter van een hostel vroeg om een heldere en open communicatie. In verschillende bijeenkomsten met de omwonenden werden varianten getest; ontwerpsuggesties werden meegenomen in het ontwerpproces. Versseput werkte alle varianten uit in kleine schetsmaquettes die vervolgens weer aan de omwonenden werden gepresenteerd. Door suggesties inzichtelijk te maken kwamen buurtbewoners vaak zelf tot de conclusie dat bepaalde voorstellen niet haalbaar waren. Deze werkwijze heeft uiteindelijk het gewenste draagvlak opgeleverd in de buurt.

De huisvesting van de 23 bewoners vereiste een essentiële uitbreiding van de aanwezige bebouwing. In het uiteindelijke ontwerp blijft het karakteristieke entreegebouw behouden en wordt de begane grond van de nieuwbouw verdiept uitgevoerd. Het volume van de uitbreiding blijft hierdoor ondergeschikt aan de bestaande bebouwing en het zicht op het torentje van de bestaande bebouwing is rondom gehandhaafd. Ook het groen werd afgestemd met de omwonenden. De groenzone aan de Anton Geesinkstraatzijde grenzend aan de uitbreiding blijft gehandhaafd en het terrein aan de Okkernootstraat zal worden ingericht met gras, hagen en bomen.

DE STENEN JUNGLE
Het hostel moet in de toekomst een thuis bieden aan alcoholverslaafde dak- en thuislozen waar ze niet verplicht zijn de drank te laten staan. Iedereen krijgt een individuele woonruimte, daarnaast biedt de gezamenlijke ruimte gelegenheid om te eten, televisie te kijken of een spelletje te doen. Voor Versseput was het van groot belang dat het gebouw, ondanks de gestelde randvoorwaarden met betrekking tot veiligheid, hygiëne en werkbaarheid, niet de klinische uitstraling van een instelling zou krijgen.

De bestaande bouw voorziet hoofdzakelijk in gezamenlijke voorzieningen en personeelskamers. In de gezamenlijke verblijfsruimte in de nieuwbouw zal door middel van materialisering en prints een eigentijdse huiselijke uitstraling worden gecreëerd. In de aanbouw, die de oudbouw als het ware omarmt, bevinden zich de bewonerskamers. Er is geprobeerd om een opzet met lange gangen met aan weerszijden kamers zoveel mogelijk te vermijden. De kamers zijn allemaal verschillend van indeling en hebben één of twee ramen met uitzicht op de straat. Ze bieden ruimte aan een bed, een individueel vormgegeven pantry met de onontbeerlijke ijskast voor de drankjes. De gezamenlijke badkamers zijn voorzien van bruin/beige tegeltjes om een klinische uitstraling zoveel mogelijk te voorkomen.

De oud- en nieuwbouw vormen een harmonieus ensemble. Kenmerkende onderdelen van het monumentale gebouw blijven bewaard en vormen een contrast met de nieuwbouw zonder dat een hiërarchie van hoofd- en bijgebouw ontstaat.

De verticale gevelgeleding van de nieuwbouw sluit aan op de oudbouw, maar heeft qua materialisatie een geheel eigen karakter. Er is gelukkig niet voor gekozen om de karakteristieke baksteen door te zetten in de nieuwbouw. Versseput zegt ‘neutraliteit en nihilistische detaillering’ als uitgangspunt genomen te hebben voor de indeling van de gevels. De materialen zijn inderdaad eigentijds: een zinken felsplaat voor het dak en smalle aluminium gevelkozijnen. Maar het meest verrassend en in het oog springend zijn de smalle betonnen gevelplaten met een reliëf van bamboe. Neutraal en nihilistisch zijn ze allerminst, de gevelplaten die Versseput in samenwerking met een beeldend kunstenaar heeft ontwikkeld. De herkenbare functionalistische inslag van veel van Versseput’s ontwerpen maakt hier plaats voor iets poëtisch, zo vindt Versseput ook zelf. Eigenlijk is de gevelbekleding van hostel Hogelanden ook een mooie metafoor voor het soms harde leven in de stad: de stenen jungle.

Sportcampus Leidsche Rijn

Leidsche Rijn College (HAVO-VWO), Via Nova College (VMBO), sportaccommodatie voor NOC NSF wedstrijdsport, Utrechts Centrum voor de Kunsten

Architect : Wiel Arets
Oplevering: 17 maart 2006 Leidsche Rijn College, 28 augustus 2006 Via Nova College, ingebruikname 30 oktober 2006
Bouwsom: 17,5 miljoen euro

Bettina van Santen

Het schoolcomplex is bestemd voor 2100 leerlingen en heeft een zogeheten Loot-status: Landelijk Overleg Onderwijs en Topsport. Dit betekent dat het speciale faciliteiten biedt voor leerlingen met een sportambitie. Er is een sporthal ter grootte van drie gymnastiek-lokalen. Daarnaast is er veel aandacht voor cultuur in het onderwijs, waarbij het UCK een rol vervult. Een van de vleugels van het gebouw is een kunstvleugel met daarin een dansruimte (met een grote spiegelwand), een geluidsdichte muziekruimte en lokalen voor digitale en andere beeldende kunst. Niet alleen de leerlingen kunnen gebruik maken van de sport- en kunstfaciliteiten, -buiten schooltijd is deze ook beschikbaar voor -bewoners en verenigingen.

Het complex is gelegen aan de rand van een woonwijk. In het stedenbouwkundig plan waren bouwhoogte en verkeersontsluiting vastgelegd. De organisatie van de beide gebouwen is door de architect echter aangepast. Hij plaatste de sporthal en de publieke functies letterlijk en figuurlijk centraal. De scholen sluiten hier op aan en reiken -tegelijkertijd tot de grenzen van het kavel. Zo delen de onderwijsvleugels tevens de buitenruimte in, terwijl de grote sporthal met de publieke ruimten als centraal punt van interactie fungeert voor de leerlingen. Door de zorgvuldige compositie van de delen en daarmee van het geheel, biedt het complex aan elke zijde een andere aanblik en nodigt het uit tot verkenning.

De fascinatie die het gebouw opwekt, wordt bij nadering versterkt door het opvallende materiaal- en kleurgebruik. De dragende betonnen gevels hebben ter plaatse van de klaslokalen grote glasopeningen met gekleurde beglazing. Maar het is de bekleding van de gevels met zwart plaatmateriaal voorzien van specifieke textuur die alle aandacht trekt. Deze geeft het gebouw een geheel eigen karakter.

Het interieur is volledig in wit uitgevoerd, tot en met het meubilair dat door de architect speciaal voor de school is ontworpen. Binnen in de aula’s is een glazen wand van kunstenares Marijke van Warmerdam, waarop een immense foto van een Nederlands landschap is afgebeeld die door een intern mechanisme tot leven lijkt te komen.

Mede mogelijk gemaakt door de kraakbeweging

In juni 2006 zorgen de ministers Donner en Dekker voor opschudding in de kraakbeweging met hun wetsvoorstel om kraken te verbieden. De spandoeken met de tekst ‘Mede mogelijk gemaakt door de kraakbeweging’, die in reactie hierop verschijnen, steken vriendelijk af bij de krakersrellen en ontruimingen waarmee de kraakbeweging over het algemeen in verband wordt gebracht. Het verantwoordelijkheidsgevoel waarmee de krakers eindeloos overleg voerden met omwonenden, speculanten en gemeentelijke partijen, staat minder op het collectieve netvlies gebrand. Terwijl de kraakbeweging juist hiermee van grote maatschappelijke en cultuurhistorische betekenis is geweest.

Pepijn Zwanenberg, Martine Bakker en Mascha van Damme

‘REDT UN PANDJE, BEZET UN PANDJE’
De geschiedenis van de kraakbeweging begint op 2 januari 1965, wanneer woningzoekenden uit eigen beweging panden in de Amsterdamse Generaal Vetterstraat in gebruik nemen en daarmee de landelijke pers halen. Vier jaar later wordt er ook in Utrecht gekraakt.

De krakers pleiten in de jaren zestig en zeventig samen met de bewonersgroepen voor een leefbare binnenstad en leefbare oude wijken. Zij behoeden panden voor verkrotting en sloop. Zij ageren tegen de aanleg van brede verkeerswegen door het oude centrum. Haar huidige historische erfgoed, knusse karakter, gevarieerde ruimtegebruik, culturele initiatieven en alternatieve woonvormen heeft de stad mede te danken aan de kraakbeweging. Zonder kraken had Utrecht geen concertzaal Tivoli gehad, geen lowbudget hostel Strowis, geen cultureel politiek centrum Acu, geen Moira kunstgalerie en geen woongroepen in het Labrehuis. Zonder kraken waren diverse monumenten van vandaag, gisteren al gesloopt.

De geschiedenis van de wijk Lombok is exemplarisch voor de rol van de kraakbeweging in Utrecht en het positieve effect daarvan is tot op de dag van vandaag merkbaar. In de jaren zestig werd in het kader van de cityvorming besloten tot de bouw van Hoog Catharijne, de aanleg van snelle ontsluitingswegen en het verplaatsen van de woonfunctie van omringende wijken naar groeikernen buiten de stad. Statige panden in het Stationskwartier en langs de Catharijnesingel moesten worden gesloopt en het waren vooral krakers die protesteerden – wat overigens alleen aan het Achter Clarenburg heeft geleid tot behoud. Ook in Lombok kwamen veel huizen leeg te staan of werden dichtgeplankt. Jarenlang hing sloop als een zwaard van Damocles boven de wijk. Vanaf het moment dat de lege panden werden gekraakt en opgeknapt kwam het leven en de sociale cohesie terug in de wijk. Vandaag de dag is Lombok een gemêleerde en populaire woonwijk waar veel oud-krakers hun huizen hebben gekocht en zijn blijven wonen. Inmiddels is Lombok een multiculturele voorbeeldwijk waar het stadsbestuur trots haar gasten rondleidt. Toch zijn in Lombok evenals in andere Utrechtse wijken de spandoeken maar mondjesmaat te vinden. Eén van de redenen is waarschijnlijk dat de huidige bewoners eenvoudigweg niet weten dat een pand of buurt voor sloop behouden is mede dankzij de kraakbeweging. Zij huren van een reguliere corporatie of van de monumentenzorg. Een klein maar charmant voorbeeld zijn de Kameren van Maria van Pallas aan de Agnietenstraat, nu één van de historische pareltjes van het Museumkwartier. Ook dit gemeentelijk monument werd mede voor sloop behoed omdat krakers in de verpauperde, leegstaande woninkjes trokken.

HERGEBRUIK
De invloed van de kraakbeweging op het behoud van monumenten werd pas goed voelbaar toen de waardering voor industrieel erfgoed toenam. In het monumentenjaar 1975 waren monumentenzorgers zeer tevreden over de bereikte resultaten, aangaande het beschermen en restaureren van oude -kerken, woonhuizen en kastelen. In hetzelfde jaar -ontstonden op verschillende plekken in het land echter initiatieven van mensen die zich zorgen maakten over de bescherming van het industriële erfgoed. Zij zetten zich in om leegstaande industriële monumenten te behouden en er een nieuwe functie voor te vinden.

Door grote complexen, zoals fabrieken, -kerken en scholen, te bezetten en te gebruiken, introduceren krakers de mogelijkheid van hergebruik. De ruimtelijke opzet van de panden bleek zo grotendeels behouden te kunnen blijven. Winst was immers niet de insteek. Een hele verdieping van een voormalige fabriek kon dan ook met gemak worden ingeruimd voor kunstprojecten en de gymzaal van een schoolgebouw kon bijvoorbeeld als gemeenschappelijke sportruimte in gebruik blijven.

Zelfs Peter Nijhof, landelijk coördinator industrieel erfgoed bij de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurhistorie en Monumenten, erkent dat in grotere steden de kraakbeweging het heft in handen nam en leegstaande fabrieken in gebruik nam voor uiteenlopende woon-, werk- en leefgemeenschappen of voor alternatieve kunst en cultuur, de zogenaamde broedplaatsen. (Blauwe Kamer 2004 nr. 6). Inmiddels is hergebruik gemeengoed bij- -commerciële projectontwikkelaars, die het verkopen als huisvesting ‘met élan’. Woongroeppanden zijn ondergebracht bij reguliere corporaties of verenigingen in -zelfbeheer.

Voormalige stedelijke kolossen, zoals Hooghiemstra, zijn verbouwd tot bedrijfsverzamelgebouw. Voor de gemeente zet de Stichting Sophia zich in om lege bedrijfsruimtes tijdelijk te verhuren aan kunstenaars en culturele initiatieven. In afwachting van sloop of herbestemming -worden leegstaande woongebouwen tijdelijk aan studenten verhuurd via de SSH.

Al neemt de Gemeente hiermee de verantwoordelijkheid weg van de kraakbeweging, het resulteert in een gemeenschappelijk belang: een verrassende en leefbare stad. Zo scheppen de oefenruimtes en zaal van dB’s momenteel een ‘underground’ popzone aan de Cartesiusweg, in de voormalige busremise van Van Ravensteyn.

‘GEEN PROBLEEM MAAR EEN OPLOSSING’
Met steun van de VVD, CDA en LPF hadden Donner en Dekker de anti-kraakwet nog deze zomer rond willen hebben, maar zij -moesten vanwege de Schipholbrand in september terugtreden uit het toch al demissionaire -kabinet. Het wetsvoorstel lijkt daarmee voorlopig van de baan.

De wens om tot een kraakverbod te komen is niet nieuw. De eerste poging hiertoe werd begin jaren zeventig tegengehouden dankzij het CDA en de laatste poging in 2003 strandde wederom door verzet van het CDA. De voorstanders van een kraakverbod vinden kraken gelijk staan aan diefstal. De oppositie stelt dat een pand dat leegstaat en -verkrot beter kan worden geclassificeerd als een gevonden voorwerp. Zodra het pand gekraakt (gevonden) wordt, doen de betreffende krakers hiervan aangifte bij de officier van justitie en de politie. Wat volgt is een rechterlijke uitspraak over de mogelijkheid tot bewoning.

In veel steden steden, waaronder Utrecht, is nog steeds sprake van woningnood en een overspannen woningmarkt. Omdat een huis pas gekraakt mag worden als het één jaar of langer leeg staat en er in die periode ook vaak niets met het pand is gebeurd, is de positie van eigenaren behoorlijk beschermd.

Ten tweede stellen de voorstanders van het kraakverbod dat leegstaande panden en kraakpanden voor verloedering zorgen en dat krakers de panden uitwonen.De geschiedenis heeft bewezen dat het tegenovergestelde het geval is.

Niet alleen de kraakbeweging kwam in verweer tegen het plan, ook minister Pechtold (Grotestedenbeleid) en de wethouders van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht uitten kritiek. Zij lieten bij monde van de Haagse wethouder voor bouwen en wonen, Marnix Norder, in een brief aan minister Dekker weten niets te voelen voor een kraakverbod. De colleges van de vier grote steden steden zouden liever zien dat eigenaren van panden meer ruimte krijgen voor tijdelijke verhuur, de zogenaamde anti-kraak.

De kraakbeweging vindt dit een slechte oplossing omdat de rechtspositie van de huurder bij anti-kraak amper beschermd is. De Amsterdamse stadswethouder van Volkshuisvesting Tjeerd Herrema benadrukte dat kraken niet alleen de leegstand tegengaat en een oplossing is voor de woningnood, maar ook het ontstaan van culturele broedplaatsen bevordert.

RUGGENGRAAT
Ondertussen wordt ook in Hoog Catharijne alweer gekraakt, hoezeer de krakers indertijd ook protesteerden tegen de bouw ervan. Zo eigenen de krakers zich door de tijd heen de gebouwen toe die de straat de rug toekeren en tonen zij onbekommerd de potenties.

Wie weet zet de weggeefwinkel wel aan tot een nieuw gebruik van de plint van Hoog Catharijne. Wandelaars op weg van het station naar de binnenstad prefereren de openheid van een kleurige etalage en de geconcentreerde gezelligheid van het internetcafé ongetwijfeld boven het staal, grintbeton en de pislucht verderop – om over de ludieke aanklacht tegen het koopgedrag in het bovengelegen winkelhart nog te zwijgen.

Een gekraakt pand is geen smet maar het bewijs dat een stad leeft en zich ontwikkelt, en dat stedelingen inventief zijn en zich verantwoordelijk voelen. Voor het schilderwerk van de Ubica panden aan de Ganzenmarkt waren natuurlijk ook andere kleurenschema’s denkbaar geweest, maar is het niet prachtig dat tegenover het stadhuis in gothische letters op de dakgoot prijkt: ‘Het gaat om de ruggegraat’? De Gemeente Utrecht toonde in dit geval haar ruggegraat door te kennen te geven tegen een kraakverbod te zijn. Hopelijk blijft kraken nog lang een aanvulling en verrijking voor het stadsleven.

Pepijn Zwanenberg is gemeenteraadslid voor GroenLinks in Utrecht en was woordvoerder van het Utrechtse kraakspreekuur. Dit artikel is een bewerking van een tekst die eerder verscheen op de website van Groen-Links, i.s.m. Ineke van Gent.

SCHOORSTEEN AAN DE KEIZERSTRAAT
‘Het mooiste pand dat ik heb gekraakt ligt aan de Keizerstraat, een heel oud woonhuis met een fabriek eraan vast. Door aan de achterkant uit het raam te klimmen, kwam je op het dak van de fabriek die al half was ingestort.
Het woonhuis zelf stamde uit de 16e eeuw. In mijn kamer was een kleine nis in de dikke muur. Als ik er een kaars in brandde, verspreidde zich een prachtig licht over de hele kamer. Spannend was de winter van 1991, toen het enorm stormde en we ons hart vasthielden of de hoge schoorsteen het wel zou houden. Maar het ging goed. Hij staat er nog steeds.Voor mij ging kraken niet alleen om wonen, maar ook om het aankaarten van misstanden. Daarom was ik actief voor het kraakspreekuur. Nu bewoon ik al acht jaar een etage van een woningbouwvereniging in Lombok.
De toekomst van het complex is ongewis; de sloophamer dreigt…’
Jotja Bessems

NEEM HET HEFT IN EIGEN HAND
‘Binnen de kraakbeweging hield ik voor het Kraakspreekuur de ‘lege mensenlijst’ bij (de losse mensen bijeenbrengen om een groot pand mee te kraken), fietste ik wijken om -leegstand te inventariseren en om bij de buurtbewoners of het wijkbeheer informatie in te winnen. Verder woonde ik L.O.K. -vergaderingen bij (landelijk overleg kraakgroepen), was ik actief bij de Stichting Verstoord Woongenot, het Landelijk Autonomen Overleg, de SUZA (Shell uit Z.A.) en immer aanwezig bij ontruimingsacties door het hele land en in London. Daarnaast werkte ik in de voedselkoöp en als programmeur in Tivoli en Acu, waar ik me ook bezig hield met zaken als schoonmaak, verbouwingen, etcetera. Het maatschappelijk belang van kraken is nog altijd actueel. Neem het heft in eigen hand en wacht niet op de autoriteiten. Bemiddeling voor woongroepen is er niet.
Stop de uitbreiding van de stad: geen explosie, maar -implosie. Stop de afbraak van beeldbepalende panden en creëer broedplaatsen.’
Ilja Sanders

IK BEN ERG VOOR DIT SOORT VRIJPLAATSEN
‘Het maatschappelijk belang van kraken speelt voor mij altijd een rol. De leegstand afgezet tegenover het grote aantal woningzoekenden in de stad is bizar. De wachttijd op de sociale woningmarkt rijst al jaren de pan uit. Verder ben ik erg voor dit soort vrijplaatsen.
Ook het monumentale belang speelt absoluut een rol. Er is in de stad al jaren sprake van verwaarlozing van oude woningen, waardoor argumenten voor sloop ontstaan. Zo ook in mijn wijkje in Ondiep. De pleiters voor vernietiging van dit prachtig en kostbaar erfgoed lijden aan korte termijn visie. Want wie weet nog hoe prachtig de Catharijnesingel was voor de bouw van het fiasco Hoog Catharijne? En dan die singels die nu toch weer volgegooid worden.
Dat oude woningen niet meer zouden voldoen aan de huidige eisen gaat in mijn ogen ook niet op. Kijk maar eens naar de prijzen die er op de (koop)woningmarkt voor worden betaald. En tenslotte walsen we de binnenstad ook niet plat omdat ‘het niet meer voldoet’.’
Aviva Brouwer

TROTS OP HET VOORSTAETE PROJECT
‘Ik woon nu zo’n acht jaar in De Bilt. Vooral in Arnhem, waar ik hiervoor woonde, was ik behoorlijk aktief in de kraakscene. Vanwege m’n werk ben ik verhuisd naar Utrecht. Ik kwam terecht op Sandwijck in De Bilt. Het is een sjiek landhuis dat in 1980 gekraakt werd na 17 jaar leegstand. In 1990 is het gelegaliseerd en we vormen met 20 mensen een woongroep.
Leegstaande plekken hou ik nog steeds in de gaten, maar het kraken in Utrecht is nogal lastig, zeker met alle “tijdelijke” bewoning door kraakwachten. Het strijden voor een pand, het opknappen ervan en het vormgeven van de bewoning mis ik wel. Wat ik het boeiendste Utrechtse kraakpand vind is moeilijk te zeggen. De Giegelfarm vanwege de ouderdom en ligging, De Truttige Tuyl vanwege het monumentale karakter of De Vliegende Hond vanwege de activiteiten. Maar het meest trots ben ik wel op het Voorstaete projekt.’
Lars Tempelman

City Campus Max

989 woningen voor studenten en starters, voorzieningen en 2700 m2 bedrijvigheid

Opdrachtgever: Rabo-vastgoed, SSH Utrecht, BO-Ex
Architect : Klunder architecten, projectarchitect C. Berg
Opgave: nieuwbouw 1e en 2e fase
Start bouw: november 2006, oplevering 2008

Bettina van Santen

Aan de rand van het Europaplein komt een groot complex van huur- en koopwoningen voor studenten en pas afgestudeerden c.q. starters. Met dit complex zou de woningnood onder studenten in 2008 aanzienlijk verminderd moeten worden. Het is opgezet als een campus, met allerlei voorzieningen, zoals sport- en fitnessruimten, een grand café , een wasserette en een uitzendbureau. Ook wordt er een binnentuin gerealiseerd. De eenkamerwoningen zijn 30 m2 (met badkamer en keuken), de tweekamerwoningen zijn 30-50 m2.

Het ontwerp van Klunder Architecten bestaat uit drie torens, twee van circa 70 meter hoog aan het Europaplein en één lagere aan de zijde van het Merwedekanaal. Aangezien de torens vrij dicht bij elkaar staan op een gemeenschappelijk basement en het hele complex bovendien in de rooilijn staat, zal het zich als een wand langs het Europaplein manifesteren. Opvallend in het ontwerp is dat de torens op elke vijfde verdieping een vide met een gemeenschappelijk buitenterras zullen krijgen. Deze vides zijn vanaf de diverse verdiepingen bereikbaar via galerijen in de holle kern van de torens. Zowel de uitholling van de torens als de vides zorgen voor veel natuurlijk licht en frisse lucht. Ook krijgen alle woningen franse balkons in plaats van ramen.

In het midden van het complex zal een binnentuin worden ingericht op het dak van de parkeergarage. Daarvoor worden op dit moment ontwerpvoorstellen gemaakt in samenwerking met studenten van de Hogeschool voor de Kunsten. De structuur van de woontorens is flexibel zodat de differentiatie van het woningbouwprogramma, indien nodig, tijdens de bouw nog aangepast kan worden. In de toekomst kan het complex op vrij eenvoudige wijze omgebouwd worden tot appartementen of kantoren.

De Bisschoppen

550 studentenwoningen, kantoorruimte, uitbreiding Hogeschool Utrecht

Opdrachtgever: SSH Utrecht
Architect : Köther en Salman
Oplevering: uitbreiding Hogeschool reeds in gebruik, studentenwoningen van begin oktober tot eind november, ‘frontoffice’ SSH begin december, ‘short-stay’ kamers januari 2007

Bettina van Santen

De Bisschoppen is een opmerkelijk complex van twee 60 meter hoge torens op een onderbouw. Het is gelegen op een driehoekig kavel in de zogeheten Kasbah-zone van de Uithof. Naast de gebruikelijke studentenwoningen zijn er ‘short-stay’ kamers voor buitenlandse studenten, elf herenhuizen en gezamenlijke eenheden. Dit laatste is een oud principe in een nieuw jasje: individuele kamers, maar met gedeelde voorzieningen inclusief een woonkamer. Ditmaal zijn de eenheden -echter niet voor willekeurig bij elkaar geplaatste -studenten, maar voor vriendengroepen die zich gezamenlijk kunnen inschrijven. Het is een groot succes.

De stedenbouwkundige onderlegger (van OMA i.s.m. Art Zaaijer) schrijft voor dat in de Kasbah-zone gestreefd wordt naar verdichting. Dat betekent in dit geval een directe aansluiting op het naastgelegen gebouw van de Hogeschool Utrecht. Een ander gegeven was de Bischopssteeg, een 25 meter lange historische bomenrij, die als relict van de oude verkavelingstructuur schuin door de orthogonale structuur loopt. De (latere) keuze om de uitbreiding van de Hogeschool in het nieuwbouwplan te integreren – de uitbreiding werd onder de woontoren geschoven – maakte het mogelijk om binnenpleinen te creëren. De optelsom van deze gegevens en de bebouwing van alle hoeken van het kavel heeft geleid tot een stedenbouwkundig markant ensemble met kloeke torens, diverse verbijzonderde binnenruimten en scherpe hoeken.

De opvallende materiaalkeuze kwam voort uit de wens een duurzaam gebouw neer te zetten. De materialen zijn dan wel duurder, maar vergen op de lange termijn veel minder onderhoud. Bovenal echter heeft het gebouw een bovengemiddelde chique uitstraling, die niet gebruikelijk is bij studentencomplexen. Hier geen gestapelde doosjes, maar een mooi gedetailleerde sculptuur. De doorlopende banden met daartussen de verticale ramen en de donkere baksteen geven het geheel een tactiele kwaliteit en vormt een geslaagd contrast met de binnengevels bekleed met rode golfplaat. Afhankelijk van het weer vertonen de gevels met hun glimmende banden en matte steen telkens een andere reflectie. Een effect dat wordt versterkt doordat de beide torens verdraaid ten opzichte van elkaar staan.