Zachte botsing tussen stad en land

Midden in een fruitboomgaard in Leidsche Rijn landen twee parasites. Samen met architect Martial Galfione maakte de Franse kunstenaar Dominique Gonzales Foester in 2004 een ontwerp voor een verplaatsbare woon-werkunit, Sainte Bazeille genaamd. Inspiratie vormde de frictie tussen stad en land in Leidsche Rijn. De parasites zijn experimentele vormen van mobiele, tijdelijke architectuur ontworpen door kunstenaars en kunnen uiteenlopende functies hebben. Voorwaarde is dat ze speciaal voor Leidsche Rijn ontworpen zijn en dat ze wat betreft thematiek naar de wijk verwijzen. De autowasplaats WAPLA van BAR architecten is zo’n parasite, hoewel nog steeds niet verrezen. De twee parasites naar ontwerp van de Franse kunstenaar worden iets sneller gerealiseerd. Op de Dag van de Architectuur kan de eerste bezocht worden.

Mascha van Damme

De twee uitvoeringen van het ontwerp komen te staan in De Hoge Woerd, een gebied dat in de toekomst deel zal uitmaken van het Leidsche Rijn Park. Een groot deel van dit gebied is ook aangewezen als Rijksmonument, vanwege de belangrijke archeologische overblijfselen die er te vinden zijn . Naast een Romeins castellum liggen hier van een militaire nederzetting zoals een badhuis, wegen, grafvelden en een vicus, bodemschatten die uniek zijn in Nederland. De parasites worden gerealiseerd in een stuk boomgaard aan het eind van de Groenedijk tussen ’t Zand en de Burgemeester Middelweerdweg.

Door de belangrijke Romeinse overblijfselen liet de kunstenaar zich echter niet inspireren. De insteek van het ontwerp Sainte Bazeille is een veel breder basisgegeven van een nieuwbouwwijk, namelijk de botsing tussen stad en platteland. In Leidsche Rijn maakt het platteland plaats voor stedelijkheid. Doordat de locatie onderdeel uitmaakt van het Leidsche Rijn park vindt hier echter een zachte overgang van dorp naar stad plaats. De nieuwe parasites ogen dan ook als een vriendelijke ontmoeting tussen beide, waarbij de stad wordt gesymboliseerd door een container en het het platteland door een silo. In het ontwerp van Foester en Galfione is de een op zachte wijze door de ander gegleden zonder brokken te maken en zonder rafelrandjes of scheuren. Een catwalk van hout loopt van buiten naar binnen en een trap verschaft toegang tot dit open podium voor boomgaardpubliek en initiatieven vanuit de parasite. De container met zijn glazen plafond en de silo zijn uitgerust met pootjes voor een zachte landing in het landschap. Beide paviljoens worden volgens hetzelfde ontwerp uitgevoerd. Er is alleen verschil in kleur, de ene is oranje de andere blauw.

BOUWEN MET NEDERLANDSE KENNIS
Voor de realisatie en de begeleiding van de bouw is een Utrechtse architect ingeschakeld, Ronald Willemse van Asnova architecten. Er is voor de medewerking van een Nederlandse architect gekozen omdat deze bekend is met de Nederlandse regelgeving zoals het bouwbesluit én om het programma van eisen van de toekomstige gebruikers in te passen in het ontwerp. Concessies op het ontwerp waren bij de uitvoering onvermijdelijk. Vanuit Beyond werd gevreesd dat architectuur te veel de overhand zou krijgen. Dat is natuurlijk vaak het probleem bij het vertalen van een concept in een functioneel object waarbij de gebruiker van tevoren niet bekend is.

De kosten waren oorspronkelijk geraamd op een ton. Een kunstobject was met deze raming nog wel mogelijk geweest maar de wens om een functioneel gebouw te realiseren, veranderde de zaak. Bovendien konden er geen standaard silo’s worden gebruikt, maar moesten deze op maat gemaakt worden wat drastische consequenties had voor het budget en daarmee ook de realisatie. De golfplaten container werd uitgerust met ronde ramen met stalen kozijnen. Het glazen plafond uit het ontwerp sneuvelde in de uitwerking. De silo wordt uitgevoerd in polyester en is semi-transparant, afgesloten door een dopje, een puntdakje. De pootjes worden geplaatst op betonplaten om de onderliggende bodemschatten zo min mogelijk aan te tasten en het tijdelijke karakter de behouden.

Asnova werd ook gevraagd om het interieur uit te voeren. Een deel dat door de kunstenaars niet was voorzien. Gekozen is voor op maat gemaakt, verplaatsbaar meubilair van underlayment in een kleurenpalet dat aansluit bij vormgeving van een bestaande tentoonstelling over Leidsche Rijn die onderdeel uitmaakte van de Nederlandse inzending voor de Biënnale in Venetië. De tentoonstelling krijgt na een verblijf in Kasteel Groeneveld hopelijk een onderkomen in een van de parasites.

De beide parasites krijgen namelijk een didactische functie. Bezoekers zullen er kennis kunnen nemen van de geschiedenis van het gebied Leidsche Rijn, waarin vooral het natuurlijke landschap, de prehistorie en het Romeinse rijk een rol krijgen. Een paviljoen wordt in gebruik genomen door Natuur- en Milieucommunicatie waarin een educatiegedeelte en kantoorruimte worden ingericht. De andere parasite is bestemd voor de sectie cultuurhistorie-archeologie van de Gemeente Utrecht die er tentoonstellingen in kan onderbrengen en werkplekken voor educatie.

LANDEN IN DE OMGEVING
De parasites worden geplaatst in de fruitgaard van de Gebroeders Goes in de buurt van een appelloods waar ook een herbouwd Romeins schip bij geplaatst zal worden. Er worden extra hagen aangelegd op de beslotenheid van de boomgaard te waarborgen en de parasites niet direct in het zicht van de buurwoningen te plaatsen. Het ontwerp van de parasites heeft weliswaar niets van doen met het Romeinse verleden, de inrichting van het terrein verwijst er wel degelijk naar. Obelisken markeren de entree van het terrein en een vijf meter breed pad bedekt met gebroken rode dakpannen refereert aan de oude loop van de Limes (Romeinse grens). Zo wordt het Romeinse verleden voor een deel weer teruggebracht in de belevingswereld van de bewoners van Leidsche Rijn en de bezoekers van de paviljoens. Het meer richting Utrecht gelegen archeologiepark, dat zijn naam heeft moeten prijsgeven bij de geboorte van prinses Amalia krijgt dus een volwaardige vervanger.

Op 24 juni, de Dag van de Architectuur, organiseert Beyond een Open Huis. Van 10.00 – 16.00 uur is de eerste Sainte Bazeille te bezichtigen. De parasite kan ook met een fietstocht, onder begeleiding van een gids, worden bezocht. De hele dag vertrekken er rondleidingen bij de parasite van Stanley Brouwn. Zie het programma elders in dit nummer.

Landingsbaan voor UFO’s

Kunstenaar: Martin Riebeek
Kunstwerk: Landingsbaan voor UFO’s
Locatie: De Staart, Houten
Opgeleverd: oktober 2003
Opdracht: Junior Kamer Kromme Rijn i.s.m. Gemeente Houten
Financiering: Gemeente: 25.000 euro, sponsors: 150.000 euro

Ineke van Tuinen

De gemeente Houten beschikt sinds 2003 over een landingsbaan voor UFO’s. Deze is gelegen op De Staart, een verbindingsweg met twee rotondes dwars op de A27. In 2000 gaf de Gemeente Houten aan de Junior Kamer Kromme Rijn de opdracht om hier een kunstproject te realiseren. De Junior Kamer is een vrijwilligersorganisatie van jonge, ambitieuze mensen die grote, maatschappelijk relevante, projecten realiseren om zo leiderschapservaring op te doen. Een speciale rotondecommissie beoordeelde een honderdtal voorstellen van kunstenaars, waar uiteindelijk het ontwerp van de Bredase kunstenaar Martin Riebeek (1957) voor een landingsbaan voor buitenaardse culturen uitkwam.

Het duurde daarna nog drie jaar voordat de financiering en de benodigde vergunningen rond waren. Behalve de Gemeente Houten, die slechts voor een klein deel van de kosten verantwoordelijk was, betaalden voornamelijk bedrijven en cultuurfondsen mee aan dit rotondebeeld. Bij veel Houtenaren stuitten de plannen op weerstand. Men vond het ‘geldverspilling’ en ‘een onzinnig plan’. Anderen vroegen zich af wat aliens in hemelsnaam in Houten te zoeken zouden hebben. Maar er waren ook positieve reacties van mensen die juist stonden te popelen om de buitenaardse wezens te mogen begroeten en ze een gastvrij onthaal zouden verzekeren.

Het kunstwerk beslaat twee rotondes en de tussengelegen weg. Op de westelijk rotonde is een zes meter hoge verkeerstoren gebouwd, die zodra het donker wordt van binnenuit wordt verlicht: wit licht als de verkeersstroom nog te groot is en de naderende UFO’s nog even moeten blijven rondzweven, violet licht als er weinig auto’s rijden en de landing kan worden ingezet. Op de 300 meter lange weg tussen beide rotondes is de feitelijke landingsbaan. Via een twintigtal verlichte zuiltjes aan weerszijden van het wegdek kan het ruimteschip vervolgens tot stilstand komen op de de oostelijke rotonde: het platform. Deze bestaat uit een gladde plaat beton met een lichtblauwe spiegelende kunststofcoating waar in het midden een grote letter ‘U’ staat geschreven. De ‘U’ van UFO, maar ook omdat men de aliens beleefd wil aanspreken. Volgens de kunstenaar zelf staat de verwachting en de hoop centraal in dit werk. Zolang er nergens anders in de wereld een landing plaatsvindt zal hij blijven hopen.

De 7e hemel

KLEM TUSSEN CITYMARKETING EN IMAGE BUILDING

Utrecht werkt aan haar culturele imago. Om het ‘Utrecht-gevoel’ verder uit te bouwen wordt er jaarlijks minimaal één groot evenement georganiseerd. Volgens burgemeester en wethouders geven deze evenementen uitdrukking aan de creativiteit, diversiteit en het ondernemerschap in Utrecht. In 2004 gebeurde dat met de viering van 750 jaar gotische Domkerk. In 2005 stond de sport ­centraal met het FIFA Wereldkampioenschap Voetbal tot 20 jaar en de Eurogames. In 2006 zijn de Utrechtse musea aan de beurt. Met het project ‘De 7e hemel’ gaan zeven musea in het Museumkwartier en zeven hotels in Utrecht een samenwerking aan omdat, naar hun zeggen, ieder voor zich iets te vieren heeft in en rond 2006: een (her)opening of een unieke (jubileum-)tentoonstelling. Een met de haren erbij gesleurde poging het Museumkwartier op de culturele kaart van Nederland te zetten? De vraag is of Utrecht de plank niet mis slaat met een project waarbij kunst en cultuur enerzijds en commercie en city­marketing anderzijds een gedwongen huwelijk aangaan.

Machteld Kors

Kunstuitingen en culturele evenementen zijn belangrijk voor een stad. Ze dragen bij aan het positieve imago, genereren publiciteit en trekken een groot publiek, maar belangrijker nog: er valt geld mee te verdienen. Dit laatste wordt vaak niet met zo veel woorden gezegd want kunst en commercie zijn twee moeilijk te verenigen zaken. Ze verhouden zich tot elkaar als high-art tot low-art. Het een kan niet zonder het ander.

Voor een geslaagd cultureel evenement is het van groot belang dat er middelen beschikbaar zijn, maar van groter belang is dat de kunstuitingen en evenementen een vernieuwend en onverwacht karakter hebben.

Als kleinste van de vier grote steden in Nederland bevindt Utrecht zich tussen tafellaken en servet. De musea die de meeste bezoekers trekken bevinden zich in Amsterdam en Rotterdam. Het is Utrecht tot dusver niet gelukt zich met haar Museumkwartier en de Culturele Zondagen, op de kaart te zetten als dé culturele stad van Nederland. Met het project De 7de hemel slaan de ondernemers en musea de handen in één. Het project omvat naast de individuele activiteiten van de musea drie hoofdattracties: Het 7e hemel zomerevenement, een hotelkamer project Wegdromen in de hemel op aarde en het sokkelproject Musea in de wolken.

OPGELEUKT
Het 7e hemel zomerevenement lijkt tot dusver het meest veelbelovende onderdeel. In de periode van 6 augustus tot 10 september is het oude gerechtsgebouw aan de Hamburgerstraat het zenuwcentrum van het festival. Ieder museum richt hier een kamer in en er is een groot terras waar verschillende festiviteiten zullen plaats vinden. Het programma kan nog niet gecommuniceerd worden maar er wordt een museale verrassing beloofd. We wachten af.

Het tweede onderdeel Wegdromen in de hemel op aarde is een samenwerking tussen zeven Utrechtse hotels en de zeven musea. Geïnspireerd op de succesformule van het Eftelinghotel richten de musea hotelkamers in met een verwijzing naar hun collectie. In het NH Hotel is een kamer ingericht door het Geldmuseum, een dekbed met een print van een briefje van vijftig, een douchegordijn met afbeeldingen van geld, schemerlampjes met kapjes van de voormalige 250-gulden briefjes en een welkomstchocolaatje in de vorm van muntgeld.

In het Park Plaza hotel aan het Westplein is een kamer ingericht door het Spoorwegmuseum met affiches van oude treinen, hutkoffers en nostalgische routekaartjes. Het Aboriginal Art Museum verzorgt een kamer in Australische sferen, en het Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement biedt mensen de mogelijkheid weg te dromen bij de rustgevende klanken van een draaiorgel.

Maar hoe inventief de inrichtingen ook zijn, het blijven standaard hotelkamers opgeleukt met replica’s uit de musea. Dit is een formule die misschien werkt voor een Eftelingbezoeker die na een dag pretpark rust zoekt in sprookjesachtige sferen, maar de Utrechtse musea zouden beter moeten kunnen.

Wegdromen in de hemel op aarde doet geen recht aan de collecties en het beleid en tast de geloofwaardigheid van deze musea eerder aan. Het had interessant kunnen zijn als eigentijdse kunstenaars de kans was geboden deze kamers in te richten met materiaal uit de verschillende musea, maar nu gaat het om niet meer dan een reeks matige, stilistische ingrepen.

DE OREN VAN NIJNTJE
Het derde onderdeel van De 7e hemel, Musea in de wolken, doet in eerste instantie denken aan het geslaagde kunstproject Panorama 2000, destijds geïnitieerd door Sjarel Ex. Bij nader inzien is het echter niet meer dan een groots aangepakte publiciteitsstunt van de zeven musea om hun individuele activiteiten voor het voetlicht te brengen. In de komende maanden verrijzen van alle zeven musea uitvergrote topstukken bovenop hoge gebouwen in de stad.

Zo worden, ter ere van de opening van het Dick Bruna huis en als ode aan de bekendste creatie van deze Utrechtse kunstenaar, de oren van Nijntje in een constructie van zeven meter hoog op de Neudeflat geplaatst. Op het dak van het Van Unnikgebouw op de Uithof wordt een giga-hersenkwab geplaatst die zichtbaar is vanaf de A27 en de aandacht vestigt op de heropening van het Universiteitsmuseum. (Een beeld dat ooit werd bedacht door OMA, toen dit bureau het stedenbouwkundig ontwerp voor de Uithof maakte) En naar verluid zal de gevel van het Park Plaza hotel deze zomer doorboord worden door een trein.

Aan het eind van 2006 zal de skyline van Utrecht bepaald worden door zeven grote billboards in de vorm van uitvergrote museumstukken. Als dit het resultaat is van een huwelijk tussen creativiteit, diversiteit en ondernemerschap, dan is het misschien beter dat het huwelijk snel wordt ontbonden. De initiators van De 7e hemel hebben de kunst afgekeken bij de Efteling en hebben geleerd van Las Vegas. Het is tijd dat kunstenaars, architecten en vormgevers het roer overnemen en Utrecht op de kaart zetten met een daadwerkelijk vernieuwend kunstproject.

www.de7ehemel.com

De 7e Hemel loopt van begin 2006 tot begin 2007

Deelnemende musea: Catharijne Convent, Van Speelklok tot Pierement, Centraal Museum, Spoorwegmuseum, Universiteitsmuseum, Aboriginal Art Museum, Geldmuseum.

Roulette

Kunstenaar: Manfred Pernice
Kunstwerk: Roulette
Locatie: Koehoornplein, Leidsche Rijn
Opgeleverd: mei 2006
Opdracht: Gemeente Utrecht, Beyond

Ineke van Tuinen

Op het Koehoornplein, een tijdelijke rotonde aan het einde van de Vleutenseweg op de grens tussen Utrecht-stad en de Vinex-locatie Leidsche Rijn, werd op 21 mei de installatie Roulette onthuld. De Duitse kunstenaar Manfred Pernice (1963) ontwierp voor deze plek een flexibel systeem van sokkels waarop zes sculpturen werden geplaatst. De betonnen sokkels, alle verschillend in vorm en grootte, werden op stukken spoorrails geplaatst om wegzakken in de modder te voorkomen. De sculpturen werden elders uit de stad weggehaald en gerestaureerd om op de rotonde een nieuw, tijdelijk, onderkomen te krijgen.

De opdracht die Pernice kreeg van Beyond, het gemeentelijk kunstenplan voor Leidsche Rijn, was om ‘iets’ te doen met de collectie openbare kunst van de stad Utrecht. Hij koos in totaal zo’n dertig beelden uit die in steeds wisselende samenstelling op zijn installatie zullen worden tentoongesteld. Om de zes maanden zullen de beelden worden vervangen door andere zodat er als het ware een roulette van beelden onstaat. Als de rotonde over een paar jaar wordt opgeheven, keren de beelden weer terug naar hun oorspronkelijke plaats.

De eerste serie beelden bestaat uit Giraf van Theresia van der Pant (Julianapark), Jupiter van Jacques Lignier (Einsteindreef), Groep schapen van Arie Teeuwisse (Veemarkt), De Barmhartige Samaritaan van Piet Esser (Tuindorp Oost), Onder moeders paraplu van Theo van de Vathorst (Aquacenter Den Hommel) en Staande Figuur van Paul van Crimpen (Park Oog in Al).

Het project stuitte enige maanden geleden op weerstand toen buurtbewoners uit Tuindorp Oost zich verzetten tegen het weghalen van ‘hun’ Barmhartige Samaritaan, die zij beschouwen als het symbool van de wijk. Maar het is nou juist de drijfveer van Pernice om beelden uit hun gebruikelijke context te halen en ze in een nieuw daglicht te plaatsen. Daarnaast is zijn project ook een symbool voor de locatie zelf: een grensgebied tussen oud en nieuw. Bewoners uit de stad die hun beeld toch niet kunnen missen, moeten dus naar Leidsche Rijn komen en deelnemen aan de roulette van auto’s die om de rotonde heen razen. En dat is het mooie van rotondekunst: je kunt er eindeloos van genieten zolang je maar rondjes blijft rijden.

Brouwn + Mulder = Het Gebouw

Wie op 24 juni Parkwijk ingaat voor informatie over de Dag van de Architectuur, wordt verrast door een eenvoudig, smetteloos gebouwtje dat zich niets aantrekt van modes, stijlen, doelgroepen en lifestyles. Kunstenaar Stanley Brouwn en architect Bertus Mulder hebben hier architectuurgeschiedenis geschreven.

Catja Edens

Het begon in 2004 toen de organisatie van Beyond (het kunstenplan voor Leidsche Rijn) Brouwn benaderde om een idee te ontwikkelen voor één van de zogenaamde ‘kunstenaarshuizen’. Deze ‘huizen’ verrijzen op verschillende plekken in Leidsche Rijn om te reageren op de verstedelijking in dit nieuwe stadsdeel.

Brouwn werd hiervoor geselecteerd omdat hij zich al sinds de jaren zestig bezighoudt met de relatie tussen mens en ruimte. Dit resulteerde onder meer in een subjectief maatsysteem dat hij in al zijn werken gebruikt. De maten daarvan zijn gebaseerd op zijn eigen lichaam met bijvoorbeeld de Stanley Brouwn-voet die gelijk staat aan 26 centimeter. Ook het ‘kunstenaarshuis’ dat Brouwn voor Leidsche Rijn bedacht, is volledig volgens dit maatsysteem opgezet. In lijntekeningen en een maquette presenteerde hij een helder concept met twee langwerpige volumes die kruislings op elkaar zijn geplaatst.

Beyond besloot daarop Bertus Mulder uit te nodigen om samen met Brouwn een team te vormen. Als conceptuele kunstenaar leverde Brouwn het idee, als architect kon Mulder dit uitwerken tot een reëel gebouw. Mulder is bij velen bekend als de expert die de het Rietveld Schröderhuis voorbeeldig restaureerde. Hij voelt zich sterk verwant met de ideologie en werkwijze van de vroege modernisten en zijn werk kenmerkt zich door precisie, helderheid en slimme oplossingen. De combinatie van Brouwn en Mulder is gebaseerd op hun complementaire vaardigheden en een ideologische verwantschap. Vanaf het begin was er een heldere rolverdeling die zich kenmerkte door wederzijds respect.

STANLEY BROUWN-VOET
In eerste instantie was nog niet duidelijk wie de opdrachtgever voor het gebouw zou worden, welke functies het zou krijgen en waar het zou komen te staan. Al snel kwam Beyond echter tot de conclusie dat zij het gebouw uitstekend als expositieruimte zou kunnen gebruiken en daarom zelf als opdrachtgever op zou treden. Dit betekende overigens wel dat dit ‘kunstenaarshuis’ al in september 2005, ter gelegenheid van de eerste tentoonstelling van de manifestatie Pursuit of Happiness, operationeel moest zijn.

Voor de locatie had Beyond haar oog laten vallen op een strook tussen de Hogeweide en Parkwijk. Omdat een definitief bestemmingsplan voor dit gebied pas over vijf jaar zou worden opgesteld was het beschikbaar voor tijdelijke architectuur. Het ‘kunstenaarshuis’ van Brouwn en Mulder moest daarom demontabel worden. We schrijven december 2004 en er waren nog negen maanden om het eerste ontwerp uit te werken tot een concreet, demontabel gebouw.

De basis voor de maatvoering van het eerste ontwerp waren vierkanten van 12 bij 12 Stanley Brouwn-voet, zeven voor de lange kanten van beide volumes en een voor de korte kanten. Mulder stelde voor deze te vergroten naar 15 bij 15 SB-voet zodat het gebouw ruimer werd en beter geschikt als expositieruimte. Een stalen skelet op een betonnen fundering zou het gebouw met zijn overkragingen van ruim 11 meter kunnen dragen. Daarbij werden de twee vleugels van de verdieping onder een lichte hoek geplaatst ten opzichte van de centrale basis. Zo konden ze door toedoen van hun eigen gewicht nog enkele centimeters zakken om het door Brouwn beoogde beeld van de twee op elkaar geplaatste volumes te vervolmaken.

Voor de gladde naadloze huid uit het eerste ontwerp van Brouwn was geen passende, demontabele oplossing te vinden. Daarom stelde Mulder trespa panelen voor die met behulp van een onzichtbare draagconstructie konden worden bevestigd. De keuze voor deze panelen van 5 bij 5 SB-voet is van grote betekenis gebleken voor de uitstraling van het gebouw. Er ontstond een geraffineerd, samengesteld beeld waarvan de grote kwaliteit schuilt in de ongekende precisie waarmee de gevel is geconstrueerd. De belijning van het hele gebouw is loepzuiver en alle naden lopen kaarsrecht zelfs op de plek waar de twee volumes elkaar kruisen. Op vier plaatsen wordt de huid van trespa panelen onderbroken door raampartijen van 15 bij 15 SB-voet. Ook daar wordt het stramien consequent doorgezet door middel van glazen panelen in grijs geschilderd stalen frame.

Zo werd het hele gebouw in een zichtbaar stramien van 5 bij 5 SB-voet (130 bij 130 centimeter) gevat. Om dit beeld zo zuiver mogelijk te houden heeft Mulder de installaties en afwatering vrijwel volledig intern opgelost. Het hemelwater loopt via een brede, platte pijp achter de gevel via het dak naar de afvoeren. De klimaatinstallatie bestaat uit een grote, platte ventilator die onzichtbaar op het dak geplaatst, de lucht van binnen aanzuigt. De toevoer van verse lucht wordt geregeld met eenvoudige luikjes op de vier kopse kanten van het gebouw.

Aan de binnenzijde zijn de wanden egaal. Een bekleding met panelen zoals buiten zou te beeldbepalend voor een tentoonstellingsruimte. Alle noodzakelijke en verplichte voorzieningen, zoals stopcontacten, brandmelders, ontruimingsinstallatie en doorvalbeveiliging werden op basis van intensief overleg met Brouwn geplaatst. Een gelukkige omstandigheid was het feit dat de grootste afstand tot de buitendeur onder de dertig meter bleef zodat er geen nooduitgang hoefde te worden opgenomen. Wel moest de centraal gelegen trap geschikt zijn voor de installatie van een traplift voor gehandicapten. Daarom moest hier in plaats van een smalle steektrap een relatief zware trappartij worden geplaatst. Desondanks is het resultaat een ruime, functionele ruimte met veel daglicht.
Mulder en Brouwn slaagden erin om hun gebouw op 4 september 2005 klaar te hebben. Nu staat het er even vanzelfsprekend alsof het er altijd heeft gestaan en het zal zijn plek tot tenminste 2009 behouden.

CONCREET
Bijzonder aan Bertus Mulder is zijn directe band met de recente architectuurgeschiedenis. Hij werkte nog persoonlijk met Rietveld en studeerde aan de Hochschule für Gestaltung in Ulm. Daar was zijn belangrijkste inspirator de Zwitserse schilder, beeldhouwer, architect en publicist Max Bill die met zijn manifest Konkrete Gestaltung pleitte voor een architectuur die ontstaat uit haar eigen middelen en wetten. Dit manifest is afgeleid van Van Doesburgs manifest Art Concret en heeft veel overeenkomsten met de Nieuwe Beelding, het manifest van De Stijl.

Voor Mulder zijn dit niet zo maar wat interessante ideeën uit architectuurhistorische bronnen, maar echte uitgangspunten voor zijn dagelijkse ontwerppraktijk. Hij is ervan overtuigd dat externe zaken zoals sociale bewegingen, kunststromingen, mode, geldingsdrang of nostalgische verlangens de architectuur geen zinnige basis kunnen bieden. Architectuur moet over ruimte gaan en geen geabstraheerd streven zijn naar iets anders, zo stelt hij. Architectuur moet concreet zijn.

Op dit punt hebben Brouwn en Mulder elkaar gevonden. Brouwn die al jaren de relatie tussen mens en ruimte onderzoekt, concentreert zich eveneens op de pure beleving van ruimte. Dit is ook de reden waarom hij het metrieke stelsel afwijst: het heeft geen enkele relatie met de wijze waarop de mens de ruimte beleeft. Het SB maatsysteem, dat is gebaseerd op de maten van het menselijk lichaam, heeft dat wel. Het ontwerp voor dit ‘kunstenaarshuis’ is volledig gebaseerd op het maatsysteem van Stanley Brouwn. Mulder maakte het expliciet door de buitenkant van het gebouw met panelen te bekleden. Doordat hij er bovendien in slaagde alle detaillering zoals dakgoten, pijpen en randen weg te werken, verviel het onderscheid tussen wanden en dak en ontstond een alzijdig, ruimtelijk object.

Het resultaat van de gezamenlijke inspanning van Brouwn en Mulder is een eenvoudig, helder en vanzelfsprekend gebouw dat dan ook Het Gebouw wordt genoemd. Het komt niet tegemoet aan een bepaalde plek, een bepaald doel of een bepaalde smaak maar is volledig autonoom. Daarmee levert Het Gebouw een algemeen commentaar op ruimte en architectuur.

Fontein

Kunstenaar: Gerhard Merz
Kunstwerk: Fontein
Locatie: Plein van Berlage, Zuilen
Opdracht: Gemeente Utrecht
Kosten: 550.000 euro
Financiering: Fonds Stadsverfraaiing, ISV (investering stedelijke vernieuwing)
Oplevering: zomer 2006

Ineke van Tuinen

De Duitse kunstenaar Gerhard Merz (1947) kreeg van de Gemeente Utrecht de opdracht om een kunstwerk te ontwerpen voor het Plein van Berlage (voorheen Toon Hermannsplein). Het plein is in feite een rotonde, gelegen aan de ‘As van Berlage’, die wordt gevormd door de Burgemeester Van Tuylkade en de Burgemeester Norbruislaan in de wijk Zuilen. De rotonde ligt er momenteel nog wat kaal bij, maar zal vanaf deze zomer worden gesierd door een monumentale fontein.

In 2004 legde de Gemeente Utrecht twee schetsontwerpen voor aan de inwoners van Zuilen. De fontein van Gerhard Merz bleek veruit favoriet. Het kunstwerk moet de zichtbaarheid en de eenheid van de As van Berlage versterken. Hoewel Merz van oorsprong beeldend kunstenaar is, heeft zijn werk sterke relaties met architectuur en dan met name met classicistische architectuur waarin hij het ideaal van symmetrie en zuiverheid vindt.

Het ontwerp voor de fontein bestaat uit een rond waterbasin met een hoog opspuitende waterstraal, met daaromheen vijf bankjes. Het geheel zal in beton worden uitgevoerd en heeft een totale doorsnede van zo’n twintig meter. De basis van het ontwerp is een cirkel. Classicisten beschouwden dit als het symbool van perfectie en harmonie. Merz heeft precieze aanwijzingen gegeven voor de hoogte van de waterstraal, namelijk 12 meter, zodat deze in verhouding is met de breedte van het bassin en de bankjes.

Aan de rand van het bassin zal een tekstregel uit La Vita Nuova van Dante worden aangebracht. Daarin wordt de schrijver in de gedaante van De Liefde aangesproken met de volgende woorden: “Ik ben als het middelpunt van een cirkel, tot hetwelk zich alle delen van de omtrek in gelijke mate verhouden; gij zij echter niet zo!” Met deze tekst verwijst Dante naar de harmonie van de liefde als ideaal van het leven. Merz pleit hiermee tevens voor een tolerante en verdraagzame maatschappij met de liefde als basis. Of deze boodschap daadwerkelijk wordt opgepikt door het passerende autoverkeer is nog maar de vraag, maar het kalme geruis van het opspuitende water kan wellicht wel de nodige rust en bezinning brengen.

Dag van de Architectuur 2006