Groot worden en klein blijven

Aan de Gemeente Utrecht wordt gebouwd. Ten westen van de stad groeit Leidsche Rijn, in het Museumkwartier wordt gesloopt en ingevuld, het Stationsgebied transformeert doorlopend, zij het nog virtueel, en er zijn plannen voor een spectaculaire fly-over. De bouwactiviteit lijkt voor de politieke partijen die in maart meededen aan de lokale verkiezingen een voldongen feit. Zij spreken zich nauwelijks uit over de architectonische meerwaarde die dit de stad zou kunnen bieden. Wel zijn er dwingende ideeën aangaande de financiën, het woningbeleid en de verkeersafwikkeling.

Martine Bakker

Utrecht is mooi en gezellig vinden alle lokale partijen, en dat moet vooral zo blijven. Alleen D66 betrekt bij de sfeertekening van het toekomstige Utrecht ook ‘goede, uitdagende en spannende’ nieuwbouw. Voor de overige partijen wordt het imago van Utrecht bepaald door de werven en de Domtoren. Groenlinks toont op de website naast tevreden fietsers wel het hoekhuisje van Sluijmer en Van Leeuwen, de kleurige studentenboxen in de Uithof en de drie rode flats in Leidsche Rijn, maar komt programmatisch alleen op de fietsers terug.

Alle partijen willen Utrecht om economische redenen beter op de toeristische kaart zetten. Zij denken dan aan de spin off voor de horeca en detailhandel en aan extra opbrengsten om in het behoud van de monumenten te kunnen voorzien.

De onregelmatige sprongen waarmee de politieke partijen zich door het lokale bestuursspectrum bewegen, worden meer dan eens rechts ingehaald door de stedelijke realiteit. Met hun programma’s geven de partijen daarom niet alleen een toekomstvisie, maar reageren zij ook op de praktische punten die in de loop van de bestuursperiode zijn gaan leven onder de bevolking. Deze punten betreffen vaak de directe woon- en leefsituatie, zoals een drukke verkeersweg op een nabije groenstrook, maar ook aspecten die de beleving van de stad bepalen.

Leefbaar Utrecht, Zuilen Vooruit en Utregs Glorie rijgen met dergelijke opportunistische punten hun verkiezingsprogramma aaneen. Exemplarisch zijn de besluiten omtrent de bouw van een parkeergarage onder het Zocherpark bij het Lucas Bolwerk. De bouw van deze garage stond in het verkiezings-debat dermate ter discussie, dat het plan, waarin al ruim was geïnvesteerd door Leefbaar wethouder Yet van den Bergh, na de verkiezingen meteen is afgeblazen, nota bene met een motie van Leefbaar Utrecht.

ARGUMENTEN VOOR NIEUWBOUW
Een populair politiek gegeven in Utrecht is de bouwhoogte voor nieuwe hoogbouw. Deze wordt gedicteerd door de hoogte van de Domtoren. D66 is lovend over de Visie Hoogbouw (2005), die de stad in zones verdeelt met verschillende bouwhoogtes, en zou graag een hoogbouwdeskundige toevoegen aan de commissie Welstand en Monumenten. D66 meent zelfs dat de nieuwe Rabobanktorens aan de Croeselaan nog wel hoger hadden gemogen – ze worden na rijp beraad iets lager dan de dom. De andere partijen benadrukken vooral de waarde van de dom. Het CDA en de Christen Unie steunen het initiatief van Stichting Domplein 2013 om het schip terug te bouwen. Groenlinks en de SP vinden dit geldverspilling. Of het om een eigentijds of traditioneel nieuw schip gaat, is vooralsnog onduidelijk.

De meeste partijen spreken zich wel uit over aan architectuur gelieerde onderwerpen. SP en Groenlinks willen dat hergebruik van industrieel erfgoed standaard in overweging wordt genomen. Groenlinks wil tijdelijke, liefst culturele functies voor vrijgekomen kantoor- en fabriekscomplexen.

De SP is tegen de bouw van het muziekpaleis omdat dit de kleine podia fataal zou worden, terwijl deze juist zorgen voor een gevarieerd en nog enigszins underground muziekaanbod. CDA is alleen tegen een muziekpaleis als de financiële onderbouwing niet degelijk is. Wat betreft grootschalige woningbouw besteden Groenlinks en de SP veel aandacht aan spreiding van inkomensgroepen over de hele stad. Ook vinden beide partijen dat er teveel sociale woningbouw verdwijnt zonder dat daar soortgelijke nieuwbouw tegenover staat. De VVD wil dat er geïnvesteerd wordt in bruggen en wegen.

Dergelijke sociaal-maatschappelijke of financiële argumenten zijn belangrijk. Een uitspraak over architectonische kwaliteit is dat echter ook. Momenteel lijkt de bewaking van de architectonische kwaliteit van Utrecht te zijn overgelaten aan de commissie voor Welstand en Monumenten. Deze enthousiaste deskundigen toetsen de bouwtekeningen op het moment dat alle beslissingen over de locatie en functie van een project al genomen zijn. Een gedurfd traject moet veel eerder worden ingezet. Een spectaculair gebouw moet de inzet zijn van de opdrachtgever, niet van de architect.

WETHOUDER ARCHITECTUUR
Er staat niets over architectuur in de punten waarmee de verkiezingswinnaar PvdA de coalitiebesprekingen voert. Ik vraag mij af hoe groot de kans is dat Utrecht weer verrijkt zal worden met een wethouder architectuurbeleid. Annemiek Rijckenberg (Groenlinks) formuleerde deze post zonder portefeuille in 1994 nadrukkelijk om de rol van architectuur voor de stad te onderstrepen. Wethouder Rijckenberg was succesvol betrokken bij de organisatie van het projectbureau Leidsche Rijn en de ontwikkeling van het masterplan voor dit nieuwe stadsdeel.

Met het oog op de belangrijke openbare gebouwen en grote projecten die op stapel staan, is het te hopen dat Utrecht weer een wethouder krijgt met hart voor nieuwbouw. Ook hoop ik op een (vrouwelijke) wethouder met ballen. Veel nieuwbouw in Utrecht wordt gepleegd door invloedrijke particuliere partijen, zoals Corio en de Jaarbeurs. Het zou de stad ten goede komen wanneer de gemeente heel lang betrokken blijft bij de planvorming, bijvoorbeeld door een – officieus – voorkeurslijstje van architecten aan te bieden of door een openbare prijsvraag te eisen. Tenslotte hoop ik op veel kennisbevorderende activiteiten voor de raadscommissie ruimtelijke ordening. Zo worden de eindeloze discussies over wat Utrecht past misschien eindelijk eens wat flamboyanter.

Bovenstaande gegevens zijn ontleend aan de websites, verkiezingsprogramma’s en persberichten van de lokale politieke partijen en het verkiezingsdebat van Tumult. Over het coalitieprogramma van PvdA, Groenlinks, CDA en CU was ten tijde van dit schrijven nog weinig bekend.

Eindelijk helderheid achter facade

Locatie: Drift 23
Opdrachtgever: Universiteit Utrecht, Faculteit Letteren.
Architectenbureau: Marx & Steketee architecten, Eindhoven
Restauratie: SRAL Stichting Restauratie Atelier Limburg
Stijlkamer: Hil Driessen
Lounge: Toon van Deyne
Oplevering: september 2005

Mascha van Damme

Het monumentale onderwijsgebouw is een samengesteld huis, gegroeid uit een middeleeuws claustraal huis van het kapittel van St. Jan dat in 1859 grondig werd verbouwd. De dwarsvleugel aan de straat, met een achttiende-eeuwse voorgevel van baksteen en een rijk gedecoreerde, witgepleisterde barok middenrisaliet, verhulde tot voor kort een ruimtelijke chaos. De gecompliceerde samenstelling van ruimtes werd voor een deel gestript, en dat heeft gewerkt! Een bezoek aan het pand is een aangename ervaring. De ruimtewerking is helder, de routing duidelijk en de decoratie sober. Veel wanden, zitelementen en de entreebalie hebben een houten afwerking. Daarnaast is alleen een antraciet grijze kleur toegepast op de vloeren van de elf onderwijsruimten, in de monochrome toiletblokken en in het herhaalde gebruik van leisteen. Op de witte wanden is slechts een hoogglans lambrisering geschilderd. De meest in het oogspringende elementen zijn daardoor de monumentale toegangsdeur en de trap.

In het hart van het pand is de lichthof in ere hersteld. Door een nieuw sheddak valt helder licht naar binnen op een leistenen vloeren en een glazen plaat waaronder een met water gevulde kelderruimte schemert. Niet alleen het overvloedige daglicht in het hele gebouw zorgt voor een aangename sfeer, ook de subtiel en verschillend vormgegeven verlichtingselementen dragen daar aan bij. De kracht van het gebouw zit vooral in de verrassende zichtassen en doorkijkjes. De bovenste etage spant hiermee de kroon. In de verte gloren de bomen van het groene binnenterrein, de zware daklijsten doorbreken dit zicht en aan de overzijde van de lichthof kun je door een dakraam de zolder bekijken. Onder de groene balken en de houten betimmering van de kap is een gezellige lounge ingericht met nieuwe houten banken en bijzettafeltjes. De vloeren en het meubilair zijn bedolven onder Perzische kleden en kussens.

Aan de achtergevel is een veiligheidstrappenhuis toegevoegd. Dit deels transparante en deels met zink bekleedde bouwdeel is buiten het pand geplaatst, in de rooilijn van het achterhuis waarin twee stijlkamers uit de achttiende eeuw te vinden zijn. Daar is het nieuwe meubilair wit, strak en glad. Foto’s van een met stiksels en plooien bewerkte stof zijn gedigitaliseerd en geprint op stof waarmee de wanden zijn bekleed. Daardoor lijkt het reliëf van deze hedendaagse trompe-l’oeuil verrassend echt en relateert het aan de (imitatieperiode) inrichting uit 1859. De universiteit maakt gelukkig niet alleen werk van de nieuwbouw op de Uithof, maar ook van de fraaie binnenstadspanden.

Nieuwe Lading

In de tentoonstelling Nieuwe Lading tonen zes jonge, Utrechtse architectenbureaus in een installatie hun drijfveren als ontwerper. ­­Zo biedt Architectuurcentrum AORTA een overzicht van de nieuwe aanwas en ontstaat een beeld van de projecten die zij momenteel binnen en buiten Utrecht ­realiseren. Is ook in overdrachtelijke zin sprake van een nieuwe lading? Bestaat er zoiets als een Utrechtse stroming? En zou dat actief moeten worden gestimuleerd?

Indira van ´t Klooster

VERSCHILLEN
In de tentoonstelling geven installaties en sculpturen een beeld van de ambitie van de bureaus. Zecc (Rolf Bruggink en Marnix van der Meer, 2001) heeft in korte tijd een aantal opmerkelijke projecten gerealiseerd. Hun ontwerpen kenmerken zich door een opvallende eigenzinnigheid, die zich uit in originele oplossingen, sculpturale vormen en een scherpzinnig oog voor detail. Zecc zal zijn fascinatie voor maquettes, sculpturen en piepschuim als leidraad nemen voor een sculptuur die ook ruimtelijk een functie heeft. Daarin worden verwijzingen opgenomen naar projecten in Utrecht, Almelo en Groningen. Van Kats Architecten (Robert van Kats, 2005) is het jongste bureau van de selectie, maar heeft al een aantal prijswinnende ontwerpen op zijn naam. Momenteel heeft het bureau twee woonhuizen in aanbouw, in Utrecht en in Amsterdam. Van Kats maakt een installatie rond een ruim vier meter lange maquette van een studie naar alternatieve typologieën in Leidsche Rijn. Bij deze en andere maquettes kunnen bezoekers met een rode knop één beamer activeren. Omdat hij zelf ook nooit alleen werkt, is deze presentatie een ode aan de samenwerking.

MONK (Casper Schuuring, 1998) neemt als ontwerpuitgangspunt meestal een specifieke lokale omstandigheid. Innovatieve toepassing van lokale materialen resulteert in een eigentijdse bouwstijl. Zo ontstaan originele ontwerpen die toch niet contrasteren met hun omgeving, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een aantal woonhuizen in Leidsche Rijn. Door uitvergroting van een specifiek detail of specifieke vorm krijgt elk ontwerp een conceptuele meerwaarde. MONK zal in de expositie een houten schootshuis in Fort Blauwkapel als uitgangspunt nemen om alle aspecten van het bouwproces te belichten.

Urbanizer (Barend Klarenbeek, Sietse van der Spui, Aaron Hurford, Lucien Olzheim, 2003) heeft een bijzondere organisatievorm waarin het bouwbedrijf net zo belangrijk is als het ontwerp. De opdrachten bestaan voor een groot deel uit verbouwingen in Utrecht en omstreken, waarbij soms de bestaande stijl wordt gehandhaafd, soms een nadrukkelijk eigentijdse vorm wordt gekozen. Het onderscheidend vermogen van dit bureau schuilt in de soms heel bescheiden aanpak, gecombineerd met een hoog afwerkingsniveau van veelal onbehandelde materialen. In hun bijdrage aan de expositie zal de liefde voor de uitvoeringskant van het bouwproces centraal staan.

Dynamo (Edo Keijzer en Peter de Bruijn, 2000) werkt vooral vanuit de plattegrond, van binnen naar buiten. De projecten variëren van groot naar klein, waarbij de prijsvraagontwerpen conceptueler van inslag zijn dan de gerealiseerde projecten. Een lopend project op het NDSM-terrein in Amsterdam-Noord laat zien dat dit bureau in staat is tot flexibele, slimme oplossingen met betrekking tot de organisatie van een gebouw. In de tentoonstelling wil Dynamo met een open, dynamische constructie, waarin reflectie en materiaalgebruik centraal staan, het belang van de zintuiglijke ervaring van architectuur benadrukken.

Blaauw en de roos (Jordan Blaauw en Paul de Roos, 2001) zoekt de meerwaarde van een ontwerp in ontmoeting en graduele zonering. Dat komt bijvoorbeeld tot uiting in een project in Leidsche Rijn en bij de revisie van woongebouw Vollenhove in Zeist. Voor de expositie maakt Blaauw en de roos een meubel waarin ontmoeting, de gradaties van openbaar naar privé en de relaties tussen binnen en buiten vorm krijgen.

OVEREENKOMSTEN
De bureaus verschillen sterk van elkaar in ervaring, grootte, ambitie en werkwijze, maar een aantal parallellen is wel te trekken. De ontwerpers die een bijdrage leveren aan Nieuwe Lading hebben vrijwel allemaal een technische HTS-achtergrond, later vaak aangevuld met een opleiding aan een Academie van Bouwkunst. Er is in Utrecht namelijk een goede bouwtechnische opleiding, maar geen universitaire. Is die technische achtergrond ook de reden dat er niet één vrouw bij dit gezelschap zit?

Architecten die vanuit de techniek starten, beginnen soms als tekenbureau of als tekenaar in loondienst. Vanuit het kleine naar het grotere werk. Ook de bureaus in Nieuwe Lading zijn begonnen met kleine verbouwingen, interieurs en uitbreidingen. Dat is een situatie die zich slecht leent voor al te wilde statements. Dat verklaart misschien de vanzelfsprekende dienstbaarheid die al deze ontwerpers in meer of mindere mate kenmerkt. Natuurlijk kan geen enkele architect zonder overeenstemming met zijn opdrachtgever, maar toch lijkt de manifestatiedrang van deze zes Utrechtse bureaus minder dan die van jonge bureaus in bijvoorbeeld Amsterdam en Rotterdam. Verder is het opmerkelijk dat alle bureaus een groot gevoel voor detail hebben. Ze zitten bovenop het bouwproces, de ontwerpen rijpen vaak nog tijdens de uitvoeringsfase, en er is aandacht voor het ambachtelijke van het bouwen.

Dat deze karakteristieken een oorspronkelijke en uitgesproken signatuur niet belemmeren, bewijzen Zecc, MONK en Urbanizer in hun woningbouwprojecten. Dynamo en Blaauw en de roos manifesteren zich bescheidener, maar hebben een bredere opdrachtenportefeuille. Van Kats onttrekt zich nog het meest aan de Utrechtse context, zijn afstudeermaquette reist de wereld rond en zijn eerste project in aanbouw is in Amsterdam.

UTRECHTS ARCHITECTUURKLIMAAT
De afgelopen jaren is in Utrecht dus een aantal bureaus opgericht, dat in staat blijkt te overleven en zich te ontwikkelen. Betekent dit dat in Utrecht sprake is van een gunstig architectuurklimaat voor startende bureaus? Ja en nee. Door het hoge percentage woningen dat in particulier bezit is én de hoge prijzen door woningschaarste, is het voor veel eigenaren voordeliger om hun huis te vergroten of te verbeteren, dan om een ander huis te kopen. Dat leidt tot een groot aantal kleine bouwopdrachten die startende architectenbureaus aan het werk helpen. Maar grotere opdrachten zijn lastiger te verwerven. Professionele opdrachtgevers, zoals de gemeente, woningbouwverenigingen en de studentenhuisvestingorganisatie laten het afweten, zo klagen de architecten. In Leidsche Rijn is nauwelijks ruimte voor kleinschalige experimenten waar jonge bureaus in zouden kunnen participeren. Incidentele kleine opdrachten, zoals een transformatorhuisje, worden niet gegund aan een startende Utrechtse ontwerper.

Voorkeurlijstjes zijn verboden, en het is de vraag of startende bureaus uit Utrecht meer kansen moeten krijgen dan (startende) bureaus daarbuiten. Maar in het kader van gericht architectuurbeleid of ruimtelijk kwaliteitsbeleid zou de gemeente ernaar kunnen streven om een bepaalde Utrechtse signatuur te promoten, bijvoorbeeld door de combinatie van ambachtelijkheid, gevoel voor detail en eigentijds ontwerp te benadrukken. Of door meer kleinschalige opdrachten op te nemen in de nieuwbouwplannen en die bewust te gunnen aan jonge bureaus, vergelijkbaar met de werkwijze in de gemeente Haarlemmermeer. De ontwerpers zouden zich nadrukkelijker kunnen manifesteren als een collectief dat, binnen het individuele karakter van de bureaus, gemeenschappelijke kenmerken (en belangen) heeft.

Nieuwbouw Willem Arntsz huis

Opdrachtgever: Altrecht
Architecten : VMX Architects Amsterdam
Opdracht: nieuwbouw 1e en 2e fase Willem Arntsz Huis
Gereed: eind 2007

Bettina van Santen

Het Willem Arntsz Huis ligt middenin het centrum van Utrecht en is de voortzetting van het in de vijftiende eeuw opgerichte Dolhuis. Het heeft zich in de loop der eeuwen ontwikkeld als een respectabele instelling met een traditie op het gebied van (vernieuwende) zorg voor mensen met psychiatrische ziektebeelden. De instelling is vanaf haar oprichting gevestigd aan de Lange Nieuwstraat en de Agnietenstraat en het bijbehorende achterterrein. De keuze om in de binnenstad te blijven heeft zich door de tijden heen vertaald in regelmatige nieuwbouw ten behoeve van het complex. Recentelijk is een deel van het zogenaamde Wouda-gebouw (gebouwd begin jaren zeventig naar ontwerp van architect Wouda) gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Daarin worden de klinische units voor acute opname, kortdurende vervolgbehandeling, deeltijdvoorziening en een hostelvoorziening gehuisvest. Daarnaast vindt ook ambulante hulpverlening, waaronder de crisisfunctie plaats in dit gebouw.

VMX Architects uit Amsterdam hebben op het terrein achter de Lange Nieuwstraat een opmerkelijk kruisvormig gebouw ontworpen. Voor deze vorm is gekozen om in het kleinschalige binnenstadsmilieu niet één groot gebouw neer te hoeven zetten, maar een complex dat uit verschillende delen bestaat en zich zo beter voegt in de omgeving. Tevens biedt dit de mogelijkheid om vier binnenpleinen te creëren, ieder met een eigen binnengevel en inrichting. De verschillende functies aan de binnenpleinen, hebben zo een eigen uitstraling gekregen, mede bepaald door opvallend materiaal- en kleurgebruik. Aan de zijde van de Vrouwjuttenhof is de nieuwe gevel bekleed met zachtgele gevelplaten. Hierachter bevinden zich onder andere de cliëntenkamers (een neutraler woord voor patiëntenkamers). Juist bij de uniformiteit van deze ruimten, die immers strikt gebonden zijn aan regelgeving, zorgt deze gevelbehandeling voor meer individualiteit, stelt de architect. Samen met de erkers zal dit ook de ruimtelijkheid vanuit de kamers versterken.

Het bouwdeel met de ondersteunende functies is aangekleed met een neutralere vezelplaat met houtprint. De andere twee binnenpleinen krijgen gevels in respectievelijk wit polyester beton (met kussenvorm) en groen (met klimop begroeid).
Een volgende fase houdt de sloop in van het deel van het Wouda-gebouw aan de Vrouwjuttenstraat en de Lange Nieuwstraat. Met de nieuwe invulling op deze plek zal ook het binnenplein aan deze zijde zijn definitieve afronding krijgen.

Rotte kiezen en protheses

Op 2 januari 1999 stond het pand Wittevrouwenstraat 8-10 in lichterlaaie. De brand haalde het acht uur journaal, met name omdat bij het blussen bleek dat de brandweer onbekend was met de hoeveelheid bewoners. Het gebouw was opgesplitst in studentenkamers en met de brandveiligheid was het slecht gesteld. De bewoners konden ternauwernood het vege lijf redden. Maar met de brand was de ellende nog niet voorbij. Het uitgebrande pand stond vervolgens ruim vier jaar leeg en verwerd langzaam tot een bouwval waar de bomen uit groeiden.

Bettina van Santen

Nu was het ook voor die tijd al niet zo goed gesteld met het gebouw. Het was tot de nok toe volgestopt met studenten en op de begane grond bevond zich een grote etalage die als een uitdragerij vol stond met tweedehands spullen. Het was een wat vaag pand, dat op zijn eigen manier ook weer bijdroeg aan de rommelige charme van de Wittevrouwenstraat, een straat die toch al voornamelijk als een verkeersgoot werkte. Misschien verdiende de Wittevrouwenstraat beter, maar of het ooit zover zou komen?

HOLLE KIEZENFONDS
Wittevrouwenstraat 8-10 was overigens niet het enige uitgebrande en/of zwaar verwaarloosde pand in de binnenstad. Er waren – en zijn – er meer, soms op hele markante plaatsen. Wat te denken van de Ubicapanden tegenover het stadhuis (Ganzenmark 24), in 1989 uitgebrand en vervolgens na leegstand in 1991 gekraakt. En dan is er nog de Vismarkt 4, waar Beatrix op Koninginnedag in Utrecht ooit delicaat omheen geleid werd, omdat er eveneens een krakersbolwerk zat. Zo zijn er nog wel wat panden in de binnenstad op te noemen en ook daarbuiten. De oorzaak van de verwaarlozing kunnen zeer talrijk zijn. Onwillige eigenaren, erfgenamen die decennialang niet kunnen besluiten wat ze met de panden willen doen, geldgebrek, eigenaren die wel willen maar absoluut niet weten hoe ze in het woud van vergunningen tot iets moeten komen, enzovoorts.

In 2001 besloot de gemeente actie te ondernemen om in de binnenstad iets aan deze kwestie te kunnen doen, met name aan gebouwen die beeldbepalend waren in het stadsbeeld. Ze noemde het toepasselijk het Holle Kiezenfonds, omdat de verwaarloosde panden werden vergeleken met gaten in een gebit. De term Rotte Kiezenfonds duikt af en toe ook op, niet verwonderlijk, want het gaat niet zozeer om gaten in het gebit, als wel om langzaam wegrottende tanden en kiezen.

Aanvankelijk was de aanpak erop gericht eigenaren te overreden hun panden op te knappen. Er werd niet zozeer dwang uitgeoefend, als wel een goed gesprek gevoerd om de kern van het probleem boven tafel te krijgen. Vervolgens zou dan met allerlei betrokken instanties, die bijvoorbeeld uit hoofde van vergunningen betrokken waren, gekeken worden of het bouwproces soepel op gang gebracht kon worden. De eigenaar een handje helpen, daar kwam het op neer. Pas als dat niet lukte zou overgegaan worden tot juridische dwang, dus aanschrijven. In 2005 stelden B&W het beleid bij en werd het strenger, want in de vijf jaar dat het Holle Kiezenfonds in werking was, bleek dat de weg van overreden en praten veelal toch uitliep op juridische stappen.

EEN 17E-EEUWSE GEVEL
Al voordat Wittevrouwenstraat 8-10 uitbrandde was er sprake van verwaarlozing van het pand, maar in uitgebrande status werd het steeds dringender om iets te ondernemen. Wittevrouwenstraat 8-10 was geknipt voor het Holle Kiezenfonds en het pand zou exemplarisch worden voor de moeizame weg die er vervolgens te gaan was. De gesprekken en de onderhandelingen met de eigenaar namen een lange tijd in beslag. Inzet van die discussies was onder andere de wijze waarop de gevel zou worden hersteld en de kwaliteit van de architectuur die terug zou komen. Het pand bleek namelijk een zeer fraaie 17e-eeuwse gevel gehad te hebben en delen daarvan waren nog aanwezig. Het oorspronkelijke woonhuis was georiënteerd geweest op de Plompetorengracht met een zijgevel aan de Wittevrouwenstraat. In de 17e-eeuw veranderde dat langzaam maar zeker en uiteindelijk ging het deel aan de Wittevrouwenstraat zelfstandig verder. Die heroriëntatie kreeg rond het midden van de 17e-eeuw ook vorm in een nieuwe gevel aan de Wittevrouwenstraat met een zandstenen pilastergevel van de zogenaamde kolossale orde. In de daaropvolgende eeuwen zijn er continu aanpassingen gedaan, maar het meest ingrijpend in de 20e-eeuw toen er een winkel in kwam op de begane grond. In 1938 werd de etalagezone over de gehele begane grond uitgebreid. In deze vorm kennen de meeste mensen het pand nog van vlak voor de brand.

Bij de gesprekken over de wederopbouw van het pand kwam nadrukkelijk aan de orde dat de nog aanwezige zandstenen delen van de gevel hergebruikt zouden worden, juist ook vanwege de zeldzaamheid. Het was immers een van de laatste drie nog aanwezige zandstenen gevels in de stad. Daarbij was het van belang dat de reconstructie van de 17e-eeuwse gevel in maatvoering en detaillering zouden kloppen, want niets is zo ergerlijk als een gereconstrueerde 17e-eeuwse gevel met de verkeerde maatvoering. Hoewel je momenteel struikelt over voorbeelden in den lande van nieuwe historische gevels met net de verkeerde soorten voegen, de verkeerde steenformaten, kozijnen en andere elementen. Maar dat zou hier aan de Wittevrouwenstraat niet gaan gebeuren, zo luidde de afspraak, ook omdat het originele materiaal hergebruikt zou worden.

Omdat sloop van de nog staande gevels onvermijdelijk was voordat met herbouw kon worden begonnen, geschiedde dit zo zorgvuldig mogelijk. De gevel werd niet omvergetrokken, maar gedemonteerd. Stuk voor stuk werden delen van de gevel gezaagd en apart opgeslagen. Dit leidde nog tot een kleine opstand onder de aangrenzende winkeliers, omdat de straat daarvoor moest worden afgezet. Maar dit alles geschiedde om tot dat bijzondere resultaat te komen: een herstelde 17e-eeuwse monumentale gevel van zandsteen. De Wittevrouwenstraat zou eindelijk een deel van zijn monumentale aanzien terug krijgen.

ZANDSTEENBESLUIT
Jammer genoeg bleek er nog een addertje onder het gras te zitten: het zandsteenverbod. Het is bij de wet verboden om zandsteen te bewerken en verwerken (demonteren mag wel) omdat het fijne stof dat vrij komt zeer slecht is voor de volksgezondheid. Alleen gecertificeerde bedrijven mogen het doen en dan alleen nog bij uitzondering als het gaat om beschermde monumenten. En Wittevrouwenstraat 8-10 is geen beschermd monument.

Nu achteraf blijkt dat het gebouw zeer bijzonder is vanwege de zeldzame zandstenen gevel, had de Rijksdienst voor de Monumentenzorg nog wel zwart op wit willen vermelden dat het pand monumentaal genoeg was. Maar een briefje hielp niet: alleen een officieel beschermd monument kan ontheffing krijgen van het zandsteenbesluit. En plaatsing alsnog op de Rijkslijst was onmogelijk, want de Staatssecretaris had een stop op de lijst afgekondigd.

En zo bleek alle moeite om de zandstenen gevel te reconstrueren, de inzet van de aannemer en alle betrokkenen om de gevel zo zorgvuldig mogelijk te demonteren, opeens voor niets geweest. De gereconstrueerde 17e-eeuwse gevel komt wel terug aan de Wittevrouwenstraat, maar nu met moderne materialen. De rotte kies die gevuld zou worden is een prothese geworden. Ongetwijfeld zal het bijna niemand opvallen als straks het gebouw geheel hersteld is. Het is echter een schoolvoorbeeld van de kronkelige wegen die soms bewandeld worden om een stukje stad op te knappen.

Nijntje is thuis

Locatie: Agnietenstraat 2
Opdrachtgever: Centraal Museum, CM Studio
Architectenbureau: Versseput Architecten
Aannemer: Jurriëns Monumenten Onderhoud
Oplevering: februari 2006

Mascha van Damme

Binnen in het rijksmonumentale regentengebouw van de psychiatrische inrichting Willem Arntz staat een gouden Nijn te glimmen, als kroon op een top tien exportproduct. Het pand heeft al eerder een verbouwing voor het Centraal Museum ondergaan. In 1999 werd het voormalige dolhuis door Versseput Architecten ingericht als Rietveldvleugel.

Ditmaal is het Dick Brunahuis onder gebracht in de 400 m2 expositieruimte, verspreid over twee verdiepingen, met een overzicht van zijn grafisch werk en een plaats waar kinderen kunnen tekenen en knutselen. Er is een selectie te zien uit de ruim 2000 boekomslagen die Bruna maakte voor Zwarte Beertjes, en affiches, briefkaarten, prenten en postzegels. Daarnaast brengen originele schetsen de ontwikkeling van Nijntje in beeld.

Bij de verbouwing van het classicistische pand uit 1793, met een originele entreehal, gang en regentenkamer, werden vrij in te delen museale ruimten gevormd, die aan de specifieke eisen van een museum voldoen mét behoud van de historische bouwonderdelen. De indeling van de begane grond is wat de regentenkamer en de entree betreft ongewijzigd gebleven. In samenspraak met monumentenzorg zijn de achttiende-eeuwse elementen uit deze ruimten gerestaureerd en is de negentiende en vroeg twintigste-eeuwse structuur, op enkele bijzondere fragmenten na, verwijderd.

Op de historische elementen zijn de oorspronkelijke kleuren aangebracht, zoals de bijzondere houtimitatie op de houten onderdelen van de regentenkamer en gang. Het sierstucwerk is zo nauwkeurig mogelijk van de oorspronkelijke textuur voorzien en het vroeg twintigste-eeuwse, groen met geel verticaal gestreepte behang is vervangen door een nieuwe bespanning.

De architectuur van de overige ruimtes is strak en modernistisch uitgewerkt. De verkeersruimte achter de gang is vrij gelegd zodat deze plaats kan bieden aan een nieuwe transparante trap en een glazen lift, afgewerkt met staal en hout. De entree van het Dick Bruna huis werd verplaatst naar de aansluitende museumvleugel. In deze zogenaamde CM Studio zijn onder andere het museumcafé en de museumwinkel te vinden, ingericht met nieuw ontworpen meubilair, evenals een grote tentoonstellingsruimte op de eerste verdieping. De heldere structuur van een lange gang achter de gevel aan de straatzijde, met geschakelde ruimten erachter, bleef gehandhaafd. De ruimten zelf werden opnieuw ingedeeld en ingericht. De noodzakelijke volumineuze klimaatinstallaties zijn gedeeltelijk op zolder geplaatst. De onderdelen buiten zijn handig uit het zicht gehouden door het middelste deel van het platte dak te verlagen.