Plannen voor Blauwkapel

Verborgen achter wegen, spoorlijnen en veel groen voltrekt zich momenteel een flinke verbouwing van het fortdorpje Blauwkapel. Er komen zestien woningen bij, waaronder vijf vrije kavelwoningen en twee bedrijfsgebouwen. Het fort zelf wordt flink opgeknapt, het bomvrije wachthuis wordt weer omgeven door water, de wallen worden gedeeltelijk teruggebracht en het middeleeuwse wegenkruis wordt hersteld.

Bettina van Santen

Dat er nu zo volop gebouwd wordt, mag nog bijna een wonder genoemd worden na een planproces dat meer dan tien jaar geduurd heeft en waarbij bewoners en gemeente regelmatig tegenover elkaar gestaan hebben.Het huidige plan omvat de bouw van vijf vrije kavel woningen op het voormalige sport-terrein en in totaal elf woningen aan de zijde van het kerkje: zeven woningen in een klein straatje tussen de kazerne en de kerk en nog vier woningen rondom het kerkplein. Ten zuiden van de kerk zijn zojuist twee kantoorgebouwen opgeleverd.

Het fort zelf wordt gerenoveerd. De fortgracht rondom het bomvrije wachthuis (1849) is geheel uitgegraven, zodat het ‘reduit’ zich weer op een eiland bevindt. De wallen aan de westzijde zijn op niveau gebracht en de ‘insnoering’ van het fort, dat de zo karakteristieke taillevorm oplevert, is aan de westzijde met schanskorven zichtbaar gemaakt. De Kapelweg krijgt zijn oorspronkelijke bochtige beëindiging terug en zelfs een hele oude weg – de dertiende-eeuwse dijk tussen Gageldijk en Voordorpsedijk – wordt deels hersteld, zodat het middeleeuwse wegenkruis weer midden in het dorpje zichtbaar wordt. Deze weg was opgeheven toen het dorp in 1818 opgenomen werd in de fortificatie. Deze laatste ingrepen maken deel uit van het inrichtingsplan, waarbij het westelijk deel van het fort vrij toegankelijk wordt voor wandelaars. Het oostelijk deel blijft afgesloten, met uitzondering natuurlijk van het bebouwde gedeelte.

Van 167 naar 28 naar 16
De eerste plannen voor nieuwe bebouwing in Blauwkapel dateren uit de jaren negentig van de twintigste eeuw. Defensie besloot destijds de forten rond Utrecht over te dragen voor een symbolische bedrag. De gemeente Utrecht kreeg er zo vijf forten bij , die overigens niet allemaal in goede staat verkeerden. Om het beheer en opknappen van de forten mogelijk te maken, moest ergens geld verdiend worden en het dorpje Blauwkapel leek daartoe de beste mogelijkheid te bieden. Het was ooit een kleine gemeenschap rondom het kerkje die langzamerhand was gereduceerd tot een handvol woningen. Hier kon wel wat bebouwing worden toegevoegd.
Dat de bewoners niet direct stonden te juichen, mag begrijpelijk zijn. Zij hadden een eigen kleine enclave, niet gehinderd door al te veel buitenstaanders met uitzondering van de bezoekers van het kerkje op zondagochtend. Defensie had de laatste decennia weinig toezicht meer gehouden maar met de plannen voor nieuwbouw ging ook de deur open naar het strakker aantrekken van de gemeentelijke teugels. Maar de meeste weerstand was er tegen het aantal woningen dat toegevoegd zou worden. Het gehele proces nam jaren en diverse wethouders in beslag maar achteraf gezien kan men nuchter vaststellen dat het plan er beslist beter van geworden is.

De allereerste ideeën varieerden van twintig ‘fortvilla’s’ in de prijscategorie van zeven tot acht ton (guldens) op het sportveld en vier woningen rond het kerkplein tot een zeer intensieve variant geschetst door bureau West 8 met toevoeging van minimaal 43 tot maximaal 167 woningen. Dit laatste voorstel werd al snel terzijde gelegd omdat een dergelijke uitbreiding toch niet wenselijk werd geacht voor het beschermde dorpsgezicht Blauwkapel.

Toen kwam er een plan voor circa 28 woningen waarvan drie tot vijf woningen aan het kerkplein, tien tussen de kazerne en het kerkje, vijf aan de westzijde achter de militaire barak en dertien woningen op de voormalige sportvelden. En toen kwam het Huis te Veen tevoorschijn.

Huis te Veen
Blauwkapel ontleent zijn naam aan de middeleeuwse huiskapel van de familie Van Veen, die klaarblijkelijk een blauwe kleur had (gewijd aan Maria). Dit kapelletje vormt de oorsprong van wat nu het kerkje is. Maar de familie van Veen had er vlakbij ook een groot huis. Op oude kaarten was het Huis te Veen afgebeeld op de plek waar sinds de jaren zeventig enkele sportvelden lagen, onbebouwde grond die archeologisch proefonderzoek mogelijk maakte. Het was meteen raak: bij de eerste schop in de grond (1999) kwamen de
restanten van het middeleeuwse Huis te Veen tevoorschijn. Even later volgde ook het middeleeuwse wegenkruis.
Besloten werd dit archeologisch monument op te nemen in het plan en zodat er nu nog elf woningen strak om het Huis te Veen gesitueerd konden worden. Het Huis zelf zou in een pleintje gevisualiseerd worden. Tegelijkertijd werden aan de westzijde om stedenbouwkundige redenen ook nog enkele wijzingen in het woningaantal aangebracht en zo kwam het definitieve voorstel uit op 25 woningen en enkele bedrijfsruimten. De procedures werden in stelling gebracht en het bestemmingsplan werd opgesteld. In de verfijning sneuvelde nog een woning zodat er nog 24 overbleven.

Het resultaat telt
Wat te verwachten was gebeurde: het dorp liep te hoop tegen de plannen. De belangen waren op zijn zachtst gezegd nogal wisselend, maar een ding was duidelijk: men wilde het aantal woningen fors verminderen. De bewoners dienden een alternatief plan in, maar tevergeefs. In 1999 stemde een meerderheid van de fracties in met het officiële stedenbouwkundige plan en werd een voorontwerp bestemmingsplan opgesteld. Maar in 2000 werden de plannen toch nog inzet van de gemeenteraadsverkiezingen en de daarop volgende college onderhandelingen. Om een lang verhaal kort te maken: in 2001 werd alsnog besloten het plan drastisch aan te passen en het aantal woningen terug te brengen tot zestien, waarvan een deel in project-ontwikkeling (BEMOG) en een deel middels uitgifte van vrije kavels.

Natuurlijk gaat het om veel meer dan het toevoegen van nieuwbouw. Ook het opknappen van het fort is belangrijk evenals een zorgvuldige herinrichting van de openbare ruimte met de herbestrating van de Kapelweg, diverse nieuwe erfafscheidingen met hagen, de inrichting van een openbaar wandelgebied en andere zaken. Om het karakter van de nieuwbouw zo goed mogelijk op de bestaande situatie af te stemmen is Gunnar Daan aangetrokken als supervisor. Tevens is hij samen met Doeke van Wieren architect van de nieuwbouw aan de oostzijde. Voor de vrije kavels heeft Daan een beeldkwaliteitplan opgesteld.

Wie nu gaat kijken in het dorp kan zich al laten verrassen door de eerste opgeleverde gebouwen. De bedrijfsgebouwtjes van Kokon vormen met hun transparante gevels en eenvoudige architectuur een niet opdringerige en toch visueel aantrekkelijke aanvulling op de militaire bebouwing in de directe omgeving. De eerste ingevulde vrije kavels lijken een zelfde combinatie van eenvoud en kwaliteit na te streven. En zo lijkt er ondanks (of juist dankzij?) al het rumoer toch een bijzondere combinatie van oud en nieuw te ontstaan in dit unieke fortdorpje.

The Crystal Punk workshop for soft Architecture

Verborgen in de voormalige dienstruimte van een leegstaand kantoorgebouw van dertien verdiepingen, zal de crystalpunk workshop for soft architecture een lege kamer van niets naar een ongekende staat van technologische vooruitgang brengen. In tegenstelling tot het alfabet dat altijd weet waar het naar toe gaat, kent deze workshop zijn uitkomst niet.

Ruud Bakker

Er zijn veel manieren om informatie over te brengen over een architectonische ruimte. Geschreven tekst is het meest vertrouwd, al dan niet in combinatie met foto’s. Meestal wordt een gebouw zo objectief mogelijk beschreven of verbeeld aan de hand van fysieke kenmerken zoals volume, ritme en materiaal. Zo nu en dan wordt geprobeerd om op andere manieren over ruimtes te verhalen zodat andere aspecten aan de orde komen. In de literatuur en (science-fiction) film heeft architectuur bijvoorbeeld vaak een psychologische annotatie. Calvino’s ontzichtbare steden en Kubrick’s 2001 A Space Odyssee hebben zich niet voor niets in ons bewustzijn genesteld.

De laatste tijd duiken nog andere vormen van het ‘afbeelden’ van ruimte op. Deze hangen samen met technologische ontwikkelingen op het gebied van ICT waarbij computers draadloos worden en steeds kleiner en mobieler zodat ze meer onderdeel gaan uitmaken van de fysieke ruimte. Het begrip soft architecture staat voor het loslaten van het idee dat een ruimte of gebouw statisch is. Software en interface vertalen daarbij doorlopend allerlei vormen van informatie, uiteenlopend van iemands loopgedrag tot klimatologische veranderingen. Er is sprake van een dynamisch proces tussen architectuur en gebruiker.

Rekenkamertje
Het ‘gedrag’ van een ruimte kan in kaart worden gebracht. Dat is het uitgangspunt van ‘The CrystalPunk Workshop for Soft Architecture’ van stichting Impakt. Initiator Wilfried Hou Je Bek heeft zijn roots in de locative media, waarbij mobiele technologie als GPS en laptops in dienst staat van projecten die sociale interactie en het bewustzijn van een locatie bevorderen. Het is een onderwerp dat Impakt al eerder ter hand heeft genomen en dat in de lijn van activiteiten rond nieuwe media ligt.
De fysieke workshopruimte van CPWfSA is een ontmandeld rekenkamertje in het voormalig sociale dienstgebouw van Utrecht, waarvan de funktie is veranderd in een locatie voor culturele acitiviteiten en organisaties (zie: Post Planjer nr 41, 2005). De ruimtelijke beperking die dit vertrek oplegt is trouwens niet al te groot als je ervan uitgaat dat alle kenmerken van deze omgeving op het internet een schaduw of vertaling kunnen krijgen, waardoor de ruimte oneindig wordt.

De workshopdeelnemer registreert ‘het gedrag’ van de kamer en heeft daarvoor diverse sensors tot zijn beschikking. Het levert een eindeloze hoeveelheid informatie op. Al snel dienen zich vragen aan als: Wat doe je met al die informatie? Hoe interpreteer je die? Welke toepassingen bedenk je ervoor?

What the Elephant Man is for the Athletic Boy, the Crystalpunk Room will be to the Smart House” (quote Wilfried Hou Je Bek).
Door voornamelijk kunstenaars uit te nodigen kiest Wilfried in deze workshop bewust niet voor het begrip nut in de economische of efficiënte zin van dat woord. Hij stelt zich lijnrecht tegenover de ontwikkeling van de smart home technology, die gericht is op een toekomst waarin wonen, ICT, entertainment en veiligheid in elkaar opgaan. Volgens Wilfried is deze ontwikkeling alleen nuttig voor de fabrikanten, hoewel die zelf beweren dat de consument er beter van zal worden.

De workshop wil van de feodale benadering van technologie (fabrikanten ontwikkelen apparaten voor consumenten) afstappen. Iedere deelnemer is in control door zelf zijn applicatie te maken. De technische drempel is volgens Wilfried niet zo hoog als het op het eerste gezicht lijkt. Hij kan zich goed vinden in de Do It Yourself-gedachte en daarmee is het punk-gehalte uit de workshoptitel verklaard.

Tijdens CPWfSA zijn er veelsoortige presentaties die illustreren hoe divers het terrein van soft architecture is. We zien de hyperbody research groep van architect Kas Oosterhuis /TU Delft maar ook filmmakers met een digitale gereedschapskist of kunstenaars met een achtergrond in cybernetica. De deel-nemers komen voornamelijk uit de hoek van de web-based projects, met aandacht voor de publieke ruimte met modellen voor het gedrag van de bewoners van een stad. De resultaten van de workshop worden gepresenteerd op het Impakt Festival dat gehouden werd van 7 tot 11 december.

http://socialfiction.org/crystalpunk

Ruud Bakker is filmmaker. Over de workshop maakte hij een documentaire, getiteld Data It Yourself!, die te zien was tijdens het Impakt Festival.

Alles in orde in Dichterswijk-West

Achttien hectare beslaat Dichterswijk West op het voormalige veiling­terrein achter de Croeselaan. En er wordt al jaren flink gebouwd. De bestaande straatjes met jaren dertig woningen achter de Balijelaan zijn inmiddels aangevuld tot een volwaardige buurt. Langs het Merwedekanaal verrijzen hoge blokken met appartementen en de Veilinghaven wordt momenteel opgewaardeerd tot het middelpunt van de nieuwe wijk. Toch blijft de aandacht voor Dichterswijk West beperkt. Onttrekken de werkzaamheden achter de Croeselaan en Balijelaan zich misschien teveel aan het oog? Of is er niet zoveel te melden over de projecten in dit gebied? Tijd om poolshoogte te nemen.

Catja Edens

Een van de boeiende verschijnselen van een stad is dat we grote stukken collectief kunnen vergeten. Wegen, straten en stegen geleiden ons door het stedelijk weefsel maar van datgene wat zich tussen die lijnen bevindt, hebben we meestal maar een vaag idee. Als binnengebieden na verloop van tijd een nieuwe invulling krijgen, gaat er vaak een wereld voor ons open. Zo zorgt de stad telkens voor nieuwe verrassingen, waarvan de invulling van het ‘gat in de voorstraat’, het Nefkensterrein aan de Biltstraat of het Jaffaterrein aan de Vleutenseweg maar enkele Utrechtse voorbeelden zijn. Geen van deze terreinen is echter zo groot als Dichterswijk West en nergens zijn de aanwezige kwaliteiten zo markant.

De geschiedenis van het Veilingterrein wordt bepaald door het Merwedekanaal, de voorloper van het Amsterdam-Rijnkanaal, aan het eind van de negentiende eeuw gegraven als verbinding tussen Amsterdam en de grote rivieren. Rond 1920 verhuisde de groente- en fruitveiling van het Paardenveld naar deze locatie. Niet alleen werd hier een grote veilinghal gebouwd, maar speciaal ten behoeve van het groente- en fruittransport werd ook een haven uitgegraven. De locatie tussen Croeselaan en Merwedekanaal bleek een groot succes en in 1948 en in 1960 werden nog nieuwe hallen bijgebouwd. In 1968 was de veiling echter definitief uit haar jas gegroeid en verhuisde zij naar een groter complex in Nieuwegein.

In de jaren die volgden, werd het voormalige veilingterrein een slordig, diffuus gebied, een verzamelplaats voor uiteenlopende functies zoals de stadstimmerwerf, een sporthal (gevestigd in de voormalige veilinghal) bedrijven als Royco en Bo-rent, een terrein voor woonwagens en een oefenruimte voor muzikanten. Het was een gebied waar je niet kwam als je er niets te zoeken had. En zo werd hier achttien hectare grond, dichtbij het stadscentrum en gesitueerd aan het water, jarenlang extensief gebruikt.

De eeuwige jaren dertig
Dit veranderde aan het eind van de jaren negentig. De Vinex introduceerde een beleid dat was gericht op intensief en geconcentreerd ruimtegebruik in de steden. Met de woningnood in Utrecht was het zaak om ook alle beschikbare terreinen binnen de bestaande stad effectief te gaan gebruiken. Dichterswijk West bleek een gebied met ongekende mogelijkheden. Het was groot en lag in de directe nabijheid van het stationsgebied, de uitvalswegen en het stadscentrum. Bovendien verleenden de oevers van het Merwedekanaal, de veilinghaven en enkele industriële overblijfselen het gebied karakter en volop mogelijkheden voor interessante woningbouw. Atelier Quadrat kreeg de opdracht om voor Dichterswijk West een stedenbouwkundig plan te maken. Dit werd in 1999 goedgekeurd door de gemeenteraad.

Het plan bestaat uit vier zones met elk een eigen karakter, toegewezen aan vier verschillende architectenbureaus: het Veilinghal-terrein met traditionalistische woonblokken aan Gulikers architecten, het Burgman-Heybroekterrein met hoge woongebouwen langs het Merwedekanaal aan Robbrecht en Daem architecten, de centraal in het gebied gelegen Timmerwerf met urban villa’s aan awg-architecten/Bob van Reeth en een gevarieerd stedelijk gebied bij de Parkhaven aan Maccreanor Lavington architects. Met deze verdeling moet in Dichterswijk West een afwisselend gebied ontstaan met een grote variatie aan woningtypes en sferen.

Inmiddels is het Veilinghalterrein opgeleverd. Op basis van het stedenbouwkundig plan van Quadrat is de bestaande situatie hier op natuurlijke wijze afgemaakt. Het bestaande stratenpatroon is uitgebreid en de bebouwing is verdicht met circa zeventig nieuwe woningen en een nieuwe woonwagenstandplaats. De keuze voor het traditionalistisch bureau van Gulikers architecten heeft hier geresulteerd in wat preutse architectuur waarvan de vormgeving is geïnspireerd op de bestaande jaren dertig bebouwing. Evenals veel van die bebouwing hebben de nieuwe blokken drie lagen, opgetrokken uit baksteen en zijn ze voorzien van een plat dak met een ruime overstek. Atypisch zijn de diepe neggen en de harmonicagevels van sommige blokken en ook de kleur van de baksteen is indringender dan die van gebouwen in de omgeving. Smaakmaker van het Veilinghalterrein is echter het voorgebouw van de oude Veilinghal. Dit werd gerestaureerd en verbouwd en maakt nu deel uit van Basisschool De Kleine Dichter, een ontwerp van bureau Dirrix Diederen Van Wylick (DDVW). Met zijn zorgvuldige metselwerk en detaillering en de monumentale symmetrische gevel met bordes en torentje, is het bouwwerk een prachtig voorbeeld van utiliteitsbouw uit de jaren twintig en dertig. Het werd aan de achterzijde uitgebreid met een vrij neutraal bouwvolume en kreeg aan de voorzijde een speelplein.

Variatie
Ook de werkzaamheden op het Burgman-Heybroekterrein zijn inmiddels in een ver gevorderd stadium. Aanvankelijk was het de bedoeling om hier te werken met drie aaneengesloten bouwmassa’s van vijf en zes bouwlagen, maar uiteindelijk is toch gekozen voor een meer luchtige opzet met een bebouwing van zes lagen met doorzichten. Eén volume loopt parallel aan het kanaal en profiteert aan deze zijde van weidse uitzichten. Een U-vormig blok waarin ook huurwoningen zijn ondergebracht, ligt op de kop en grenst aan de Parkhaven (voorheen Veilinghaven) en een derde blok staat tegenover het gebied van de voormalige stadstimmerwerf. Centraal op het terrein ligt een semi-openbaar binnengebied en op de kop een moeras-drastuin met ecologische functie.
Robbrecht en Daem heeft met de realisatie van 250 wooneenheden op het Burgman-Heybroekterrein een zeer omvangrijke opdracht gekregen. Om op deze plek toch voldoende variatie in de bebouwing te garanderen schreef het stedenbouwkundig plan voor dat het derde blok door enkele architectenbureaus tezamen zou worden ontworpen. Het werd een rijk geschakeerd bouwblok waarin behalve woningen van Robbrecht en Daem ook eenheden van Gulikers architecten, DDVW en Sluymer en Van Leeuwen zijn opgenomen. Een horizontale geleding van aluminium strips maakt de samenstellende delen in de gevel afleesbaar.

Ertegenover, op de Timmerwerf, zullen in de toekomst 23 woonblokken van awg-architecten verrijzen. Waar de invulling van de andere gebieden nog is gebaseerd op het klassieke bouwblok, krijgt de Timmerwerf een veel opener karakter. De woonblokken komen in een grid van vier bij zes vrij in een gemeenschappelijke groene buitenruimte te staan. Daarbij is de afstand tussen de blokken zodanig bepaald dat doorzichten in alle richtingen mogelijk zullen zijn. In de blokken worden twee soorten geveldetaillering alternerend toegepast waarmee een subtiele variatie tussen de blokken ontstaat.

‘Green grass of home’
De aandacht voor de woonomgeving is een kenmerkend aspect van de plannen voor Dichterswijk West. Zowel de markt-partijen (Bouwfonds, Fortis en Sociaal Fonds Bouwnijverheid) als de gemeente hechtten daaraan grote waarde. Quadrat kreeg dan ook de opdracht om in aansluiting op het stedenbouwkundig plan een inrichtingsplan te maken waarin materialen, beplanting, straatmeubilair, parkeerplaatsen, verkeerscirculatie en de ecologische zone aan het Merwedekanaal zijn opgenomen.

Bovendien werd al in een vroeg stadium besloten de wijk autoluw te maken met een wijdmazig stratenpatroon, autovrije deel-gebieden en ondergronds parkeren. De openbare ruimte wordt door middel van niveauverschillen geleed: het water, de oevers en de kades liggen op het laagste, de openbare ontsluitingsstraten komen op maaiveldniveau, de gemeenschappelijke buitenruimtes op circa tachtig centimeter boven maaiveld en de private buitenruimtes op het hoogste niveau. Een Kastanjelaan met dubbele bomenrij loopt door de hele wijk en vormt zo een verbindend element.

De belangrijkste openbare ruimte van Dichterswijk bevindt zich echter in het noordelijke deel. Daar werd de voormalige Veilinghaven verbreed en kreeg zij de nieuwe naam Parkhaven. Aan de oostelijke rand verrijzen de blokken van Maccreanor Lavington waarin 160 woningen en 3000m2 bedrijfsruimte in vijf lagen worden ondergebracht. Op het binnenterrein, een besloten gebiedje met het karakter van een binnentuin, worden bovendien nog 36 eengezinswoningen
gerealiseerd. Aan de kant van de kade is er ruimte voor enkele winkels en horeca. De haven is inmiddels al voorzien van een nieuwe kademuur en er zal veel zorg worden besteed aan de verdere bestrating en verlichting van de openbare ruimte rond het water.

Al in de eerste plannen was het de bedoeling dat enkele woonschepen een plaats zouden krijgen in de Parkhaven. Vervolgens ontstond het idee voor een historische haven waarin het Utrechts Statenjacht, een replica van een achttiende eeuws zeilschip, een prominente plaats zou krijgen. De veertien ligplaatsen in de Parkhaven worden nu bestemd voor historische varende woonschepen waarvan het beheer in handen van een Vereniging van Eigenaren zal komen. Ook krijgt de oudste Tjalk van Nederland een plaats in de haven. Het schip is eigendom van de Hogeschool van Utrecht en doet dienst als accommodatieschip voor wedstrijden en trainingen van de sloeproeiploeg. De Parkhaven fungeert inmiddels ook al als start en finish van de Utrechtse grachtenrace voor roeisloepen.

Doordat ook de smalle strook aan de kant van de Van Zijstweg als kade wordt ingericht, wordt het water aan drie zijden omsloten. Sluymer en Van Leeuwen realiseren hier een havenpaviljoen met een schipperslokaal en werkplaats, een sympathiek houten gebouwtje dat grotendeels uitkraagt over het water. Ernaast zullen de opvallendste bouwsels van Dichterswijk west worden gerealiseerd, de Utrechters. Oorspronkelijk stonden aan de haven industriële zand- en grindtrechters die na verloop van tijd zijn ontmanteld. Met de inrichting van de woonwijk kwam men echter tot het inzicht dat deze industriële monumenten een interessante aanvulling op de nieuwbouw zouden zijn. Wat volgde was het opmerkelijke besluit om vier zandtrechters te herbouwen met een functie als atelier of werkruimte. Ook dit is een project van Sluymer en Van Leeuwen.

Alles in orde
Alles lijkt dus eigenlijk wel in orde met Dichterswijk West. Er is water, er is groen, er zijn woningen in alle soorten en maten. Er is bedrijvigheid, cultuur, onderwijs en ecologie. Enige smet op dit geheel is de oude hovenierswoning aan de Van Zijstweg 51, die lijkt te worden vermalen tussen de geplande HOV-baan en Dichterswijk West. Het is een vreemde speling van het lot dat dit bolwerkje, met origineel interieur uit de jaren twintig, ondanks de inspanning van de bewoners moet worden gesloopt, terwijl even verderop industrieel erfgoed nieuw zal worden gebouwd.

Droomwoning volgens de regels

Vrije kavels zijn in de gemeente Utrecht een betrekkelijk nieuw fenomeen. Na een stroeve opstartperiode werd de verkoop ruim twee jaar geleden gestroomlijnd. Een aantal woningen is inmiddels gerealiseerd, maar het merendeel van de ongeveer 550 vrije kavels moet nog worden uitgegeven. Sommige kavels gaan los in de verkoop, maar meestal gaat de uitgifte groepsgewijs met gelijkluidende regels. Leidsche Rijn wordt ontwikkeld in verschillende delen met een onderscheidend karakter. Om die karakters in de vrije kavels te laten doorwerken zijn voor elk project afzonderlijke stedenbouwkundige randvoorwaarden opgesteld. Ook de vrije kavels van fortdorp Blauwkapel zijn aan duidelijke regels gebonden. Het is de vraag of de regel ‘hoe vrijer hoe beter’ aantrekkelijke architectuur oplevert. En wat is eigenlijk aantrekkelijk in de beleving van de eigenbouwer?

Mascha van Damme

De vijf vrije kavels in het fortdorp Blauwkapel zijn bedoeld voor particuliere opdracht-gevers. De kavels zijn echter minder vrij dan de naam impliceert. Ze vallen namelijk binnen het beschermde stads- en dorpsgezicht van Blauwkapel. Bovendien is het fort als geheel aangewezen als Rijksmonument. Het wekt dus geen verbazing dat voor de nieuwe bebouwing, inclusief de vrije kavels, strenge(re) regels worden gehanteerd.

Voor de vijf kavels in Blauwkapel zijn de kaprichting, goot- en nokhoogte en het bebouwingspercentage vastgelegd. Deze zijn afgeleid van de bebouwing in het bestaande dorp, waar de defensiegebouwen overigens niet toe gerekend worden. Ook het materiaalgebruik wordt bepaald door de omringende gebouwen. Donkerrode baksteen in verschillende tinten, niet glimmende blauwgrijze pannen en bewerkt hout vormen de basis. Daarnaast zijn enkele extra regels van kracht. Parkeren op eigen terrein is vereist en buiten een eventuele garage moet het kavel ruimte bieden aan twee extra parkeerplaatsen. Om te voorkomen dat een (verdere) wildgroei van afrasteringen en hekwerken de groenbeleving van Blauwkapel te veel aantast, zijn groene erfscheidingen in de stedenbouwkundige randvoorwaarden opgenomen. De gewenste liguster- en beukenhagen worden vier jaar door de gemeente onderhouden, daarna gaat het beheer naar de bewoners.

Dat de woningen op de vrije kavels mochten bestaan uit één laag plus een kap was een van de andere bepalingen. Je zou -kunnen verwachten dat deze voorwaarde huizenhoge kappen oplevert waarin verschillende gecamoufleerde verdiepingen zijn ondergebracht. Ondanks de steile hoge kap, is dat bij de woning van MONK architecten niet het geval. Een deel van de kap herbergt een vliering, maar het overgrote deel biedt zicht op vijf meter hoge kapconstructie. De woning is een verticaal opgerekt, archetypisch huis, zeer smal en hoog.

De zinsnede ‘eenvoud is troef’ uit de beeldkwaliteitnota is bij de woning van MONK onomstotelijk in praktijk gebracht. Het siert de opdrachtgevers én het ontwerp dat bewust is gekozen voor markante architectuur en dat slechts een beperkt deel van de toegestane ruimte is bebouwd. De wens van de bewoners voor een patio of binnentuin is door de ontwerper vertaald in een tegen het huis geplaatste kas, die dienst doet als zomerhuis. De scheidingswand tussen beide seizoenshuizen bestaat uit grote schuifpuien en kan dus makkelijk worden opgeheven. Na openen blijft alleen de schoorsteen overeind, als verbindende element.

De schoorsteen wordt in de gemeentelijke nota genoemd als beeldbepalende component en prijkt daarom ook op de villa van ARC architecten, een Utrechts bureau dat heel anders met de gestelde voorwaarden is omgegaan. De hoge, bijna parabolische kap wekt hier de indruk alsof het halve huis erin onder is gebracht. Inderdaad vallen in de kap twee verdiepingen te onderscheiden, een met grote ramen en mooi gedetailleerde zinken omlijstingen, de bovenste met vijf daklichten en op de kopse gevel een rond raam.

Vrij baan voor wansmaak?
In Utrecht worden de meeste vrije kavels in het nieuwe stadsdeel Leidsche Rijn uitgegeven. Tegen de verwachting in zijn ze echter ook daar allerminst vrij en wordt er geëxperimenteerd met zeer strakke tot minder strakke regie.

Het jaren dertig uiterlijk van de ARC villa bij fort Blauwkapel is tevens het streefbeeld van de gemeente voor de 61 vrije kavels in Leypark, Terwijde. De voorgeschreven rode baksteen en een pannendak leidden alleen niet tot het beoogde jaren dertig beeld met afwijkende baksteenverbanden, gemetselde pergola’s en bloembakken. Ondanks het tweekleurig metselwerk is het een vrij saai groepje huizen geworden waarvan de Gooise boerderij-villa met rieten kap nog het meest frivool is. Vreemd genoeg classificeren particulieren Leypark als streng terwijl de hoeveelheid voorwaarden in dit project meevalt. Het algemeen geldende bouwbesluit brengt meer beperkingen met zich mee want ook een woning waar je zelf in gaat wonen moet rolstoeltoegankelijk zijn en rechte trappen hebben. Een Gaudí-achtig project zit er niet in.

Het meest geregisseerde project in Leidsche Rijn is De Oeverwal in Parkwijk Noord. Hier komen de huizen op twee eilanden te liggen die worden ontsloten via bruggetjes. De bedoeling is dat de negentien kavels, net als de rest van dit gebied, een eigentijds Broek-in-Waterland karakter krijgen met veel hout en water. Niet alleen zijn de goot- en nokhoogte bepaald en het feit dat er meerdere volumes in het dak onderscheiden moeten worden, maar ook het kleur- en materiaal-gebruik zijn tot in de details beschreven. De houten delen mogen alleen worden uitgevoerd in de pasteltinten lichtgrijs, lichtgroen of wit. De ramen, deuren en kozijnen blijven wit en draaiende delen mogen in groen en ossenbloedrood worden geschilderd. Verder mag er baksteen en natuursteen worden gebruikt.

Dat hier nog geen villa’s zijn gerealiseerd, heeft te maken met protesten uit de buurt tegen het ‘bungalowbos’, een benaming van de gemeente die meer te maken lijkt te hebben met een dicht bos van huizen dan met een bos van groene bomen.

Mooi gemaakt
De woningen in Blauwkapel moeten door de supervisor aan de Commissie Welstand worden voorgelegd. De woningen in Leidsche Rijn zijn welstandsvrij, maar worden door een supervisor met een welstandsmandaat beoordeeld. Onbedoeld resulteert dit in zeer intensieve begeleiding voor een gering aantal kavels. Een anonieme welstand is wat dat betreft makkelijker, sneller en machtiger.

Als er toch zo’n grote regierol is weggelegd voor de gemeente, waarom kiest zij dan nog voor vrije kavels? Het Rijk vereist een percentage eigenbouw van 30% en streeft daarmee een meer marktconform en gevarieerder aanbod na. Utrecht komt met een stabiel percentage van 1,6 % met geen mogelijkheid aan dit gemiddelde. Toch heeft, volgens Ellen Kroon van Projectbureau Leidsche Rijn, eigenbouw duidelijke voordelen, namelijk een hoge kwaliteit van uitgevoerde details van zowel ex- als interieur (ook bij cataloguswoningen) en hoge energiewaarden. Bij dit alles heeft de gemeente wel als taak om een wijk te realiseren met sociale samenhang die bij eigenbouwers vaak anders uitpakt dan elders. Niet in de laatste plaats kan met de uitgifte van vrije kavels ook een tekort in de gemeentelijke begroting worden weggewerkt aangezien het deel van de projectontwikkelaar omzeild wordt. De vrije kavels zijn daarom de inzet geworden bij de realisatie van het Leidsche Rijn Park.

Het wilde wonen komt met de vrije kavels echter (nog) niet echt van de grond. Net als bij andere projecten komt slechts tien procent kwalitatief boven het gemiddelde uit. Vaker lokt de goeie kubieke meterprijs wat resulteert in meer volume voor hetzelfde geld. Hoewel de meeste eigenbouwers afwijkend willen bouwen van wat er te koop is, is markante architectuur meestal niet de insteek. De bewoners laten vaak hele andere dingen mee spelen, zo blijkt uit de ervaring van de supervisor, het uitzicht op een bepaalde boom vanuit een stoel in de huiskamer bijvoorbeeld of de afmetingen van de geërfde kast van oma. Uiterlijke schoonheid levert dit meestal niet op, maar het woongenot is vaak stukken beter.

www.vrijekavelsleidscherijn.nl (de eerste schetsontwerpen voor De Oeverwal)
Met dank aan Tanje Guelen, toekomstig bewoner van de Oeverwal en Ellen de Kroon van Projectbureau Leidsche Rijn.

Cliniclown of Architect?

Het politieke failliet van de architectuur

‘Wij hadden gerekend op wat actie! Richt die tegenbond van architecten nou toch op, van mij kun je het niet meer verwachten!’ roept een oudere man in Zaal 3 van het Louis Hartloopercomplex. De jonge architect op het podium lacht hem vriendelijk toe.

Martine Bakker

Het laatste weekend van november besteedt Debatcentrum Tumult aandacht aan het Situationisme. In het Louis Hartloopercomplex worden films vertoond, lezingen gehouden, ervaringsmaaltijden bereid en bevindt zich het vertrekpunt voor dooltochten. Een uitgebreid programma, getiteld Drieste Exercities, poogt de hedendaagse spektakelmaatschappij door te lichten. Hiervoor wordt geput uit de theorie van Guy Debord, die een halve eeuw geleden het failliet van de samenleving voorspelde vanwege de opkomst van de consumptie- en mediamaatschappij. Om dit tegen te gaan richtte hij in 1957 de Situationistische Internationale op, een maatschappijkritische beweging die tot 1972 heeft bestaan. Een bekende Nederlandse Situationist is Constant Nieuwenhuijs, de architect van New Babylon. Deze utopische stad kent het soort functiestapeling dat later wordt toegepast door MVRDV: belangrijke, stedelijke voorzieningen bevinden zich vijftien meter boven de grond en op de laagste niveaus is ruimte voor landbouw, natuur en verkeersaders.

Het architectuurprogramma ‘Verdraaide Architectuur’ bestaat uit twee lezingen, een maaltijd en een debat. In de eerste lezing verhaalt Nic Tummers van het conflict tussen Constant Nieuwenhuijs en Guy Debord. Zij twistten over de discrepantie tussen de bedoeling en de toepassing van New Babylonstructuren. Nieuwenhuijs ontwierp bewust ongeregisseerde stedenbouw, maar schiep zo volgens Debord ook perfecte mogelijkheden voor liberaal commerciële doeleinden, ofwel de vermaledijde spektakelmaatschappij. Hoog Catharijne in ogenschouw nemend, lijkt hij gelijk te hebben. De commerciële eigenaar van deze gelaagde stadsstructuur ambieert wel functiemenging maar verder dan een stiltecentrum, een dagopvang voor junks en een – gekraakte – weggeefwinkel komt het niet. Tussen de distributie- en parkeerlaag op de begane grond en het wonen bovenin de flatgebouwen wordt vooral exorbitant gewinkeld.

De tweede lezing is van Tjebbe van Tijen, die het effect onderzoekt van de leefomgeving op gedrag. Met Situationistische literaire psycho-geografie brengt hij de koppeling in kaart tussen het geografisch milieu en gemoedstoestanden. Aan de hand van deze gegevens zijn inschattingen te maken over het Debordiaanse maatschappelijke failliet.

Vrijheid
De middag wordt afgesloten met een discussie over vrijheid, naar aanleiding van het voorbeeld van New Babylon – een architect kan met zijn ontwerp dan wel antwoord geven op stedenbouwkundige en maatschappelijke vragen, maar de structuur die hij creëert, krijgt soms een heel andere invulling. Verliest de architect zijn vrijheid in het proces tussen ontwerp en realisatie? Volgens Arjen Oosterman, redacteur van het tijdschrift Volume, is dit inderdaad het geval en te wijten aan de vele partijen die bij de invulling van een plan betrokken zijn. Hij formuleert de stelling voor die middag: In een vraag-gestuurde markt zijn architecten de slaven van particuliere opdrachtgevers, terwijl architecten aan een opdracht juist morele en artistieke waarde willen toevoegen.

Volgens Maurice Nio van Nio Architecten gaat architectuur over het oprekken en creëren van ervaringen. Omdat de meeste opdrachten niet ver genoeg reiken, doet zijn bureau zelfstandig studies, ondermeer naar het publieke domein. De studie naar publieke voedselplekken, zoals markt, winkel en restaurant, resulteerde in het ontwerp van De Vuurkeizer, een nonstop, multi-culti markthal.

Jaakko van ’t Spijker van Studio Sputnik noemt het onderzoeken van een maatschappelijk fenomeen, in zijn geval de massa-cultuur, zelfs deel van de achterliggende filosofie van Studio Sputnik. Het bureau benadert alle opdrachten vanuit de massacultuur. Het ziet massacultuur niet als een kapitalistische monster, noch als een gevaar voor de vrije expressie en individualiteit. Vooral het toedichten van immateriële waarde, één van de consequenties van massacultuur, vindt Van ’t Spijker een boeiend verschijnsel. Het is genreloos en resulteert in interessante paradoxen, zoals het ontwikkelen van verkoopbare standaard-formats voor een bepaald type individualisme. In de architectuurontwerpen van Sputnik is de massacultuur terug te vinden in een fixatie op alledaagsheid en collectiviteit.

Onvrijheid
Vanuit het publiek wordt boos gereageerd op de mooipraat van het panel. ‘Onvrijheid is juist een uitdaging, een appèl aan de creativiteit. Het gaat er toch niet om in vrijheid iets te verzinnen, om de architect als vrijheids-hansworst of als dictator! Het moet juist een uitdaging zijn voor een architect om zich te verhouden tot de krachten van de samenleving.’ Maar hoe moet je je verhouden tot die krachten, als je bijvoorbeeld een heel andere politieke voorkeur hebt? Piet Vollaard van ArchiNed suggereert om dan maar helemaal te stoppen met architect te zijn en vanuit het publiek wordt een verwoedde oproep gedaan om een tegenbond voor architecten op te richten, met het idee dat je samen meer kans hebt je alternatieve agenda te verwezenlijken.

Arjen Oosterman ziet de meeste vrijheid voor de architect momenteel bij de presentatie van studies, structuurplannen en visies. De architect kan hier het meest authentiek en eigenzinnig zijn. Wanneer Jaakko van ’t Spijker uitlegt hoe zijn bureau op verzoek meepraat in deze conceptuele fase van plannenmakerij wordt hem door Vollaard naïeviteit verweten. ‘De projectontwikkelaar wil in het begin gewoon een heleboel verhalen horen van architecten en later wil hij dat de architect de boel bruikbaar voor hem uittekent. De architect is de cliniclown van de stadsmanager.’ Van ’t Spijker vraagt of Vollaard soms bang is voor architecten met dromen, waarop deze antwoordt dat je pas echt dingen kunt veranderen door overal ‘nee!’ tegen te zeggen. Van ’t Spijker morrelt vervolgens nog wat aan de definitie van architectuur – gaat het om het tekenen van gebouwen of het helpen oprichten van gebouwen?

Vanuit het publiek reageert een kenner van het Situationisme, die vindt dat Sputnik zich bezondigt aan hyperliberaal pikken uit de postmoderne grabbelton. Over de eerdere stelling van Oosterman merkt hij op dat ook de opdrachtgever een slaaf is van de markt: ‘De gevoerde discussie over de rol van de architect en de opdrachtgever is een non-discussie. Het gaat om de context waarin zij opereren en dat is de kapitalistische samenleving. We zouden dus over politiek moeten praten. Wanneer je het hebt over het realiseren van dromen heb je het in feite over een door het kapitalisme ingekaderde droom en niet over vrije fantasie. Kapitalisme is geen natuurlijk verschijnsel, je kunt het niet vergelijken met de lucht die je inademt! Wat ik hier beluister is een zoektocht naar authenticiteit binnen een kapitalistisch kader. Het Situationisme wil juist manieren vinden om te ontsnappen aan kaders, en tegelijkertijd zoeken naar authenticiteit.’

Actie?!
Avant Gardisme, Situationisme of de Grote Mars door de Instituties – Oosterman ziet ontsnapping aan kaders als een constant thema in de architectuurgeschiede-nis. Het panel bespreekt de strategieën. Vollaard oppert cynisch een bestaan als superarchitect met een geheime missie, Maurice Nio is hier serieuzer over. Het gegeven van de infiltrant interesseert hem. Hij pleit ervoor dat alle jonge architecten eerst bij een groot bedrijf gaan werken alvorens een eigen bureau op te richten. ‘Zo leer je om slim om te gaan met informatie en projecten een beetje te sturen.’ En weer klinkt vanuit het publiek de oproep tot de oprichting van een tegenbond. De architect moet eigen verantwoordelijkheid nemen ten behoeve van de gemeenschap en niet onder één hoedje spelen met Den Haag. De blijkbaar anachronistische oproep tot actie stuit op lacherig ongemak. Oosterman zou geen lid worden van een dergelijke bond ‘omdat hij geen architect is’. Van ’t Spijker informeert naar het programma, ’of is dat gewoon tegen alles?’ Ook op de vraag naar de inhoud van het eventuele manifest ‘Van architectonische kwaliteit naar architectonische intelligentie’ wordt schoorvoetend geantwoord. Piet Vollaard zegt nog fier ‘slopen is bevrijding’, maar Maurice Nio heeft ‘geen flauw idee’ en Jaakko van ’t Spijker ‘weet het eigenlijk ook niet’.

Discussieleider: Patrick van Mil, panel: Jaakko van ’t Spijker, Maurice Nio, Arjen Oosterman, Piet Vollaard.