Utrecht Manifest 2005 – zelf geëngageerd

Een open vraag naar daadkracht

Als dit nummer van Post Planjer uitkomt, is Utrecht Manifest, een tweejaarlijks podium voor design en maatschappij, alweer achter de rug. Tien dagen lang bood een programma van tentoonstellingen, ­lezingen, rondleidingen, films, workshops en andere activiteiten het publiek de gelegenheid zich te verdiepen in maatschappelijk betrokken design. De wereld van design lijkt namelijk in toenemende mate op zoek naar alternatieven voor lifestyle, image en winst. Zij bezint zich op manieren om een bijdrage te leveren aan maatschappelijke vooruitgang met duurzaamheid, kwaliteit, innovatie en maatschappelijk ondernemen als nieuwe uitgangspunten.

Catja Edens

Engagement is de laatste jaren een veelgehoorde term in de wereld van kunst en cultuur. De Documenta van Kassel stond in 2002 al in het teken van maatschappelijk engagement en een jaar later volgde de Biënnale van Venetië. Daarnaast waren er allerlei grote en kleine projecten, symposia en publicaties rond het thema van een vernieuwd engagement. Met de uitgave van de bundel Nieuw engagement. In architectuur, kunst en vormgeving (NAi uitgevers, 2003) raakte de term Nieuw Engagement verder ingeburgerd. Inmiddels kunnen we spreken van een culturele beweging die past bij het ethisch reveille van onze tijd. In Utrecht besloten Meubelfabriek Pastoe en het Centraal Museum de handen ineen te slaan voor een tweejaarlijks evenement rond dit nieuwe engagement. Het resulteerde in de organisatie van Utrecht Manifest, een podium voor design en maatschappij dat tot 2013 vijf keer zal worden georganiseerd.

Manifest en missie
Het interessante aan Utrecht Manifest is dat de organisatoren niet alleen een ontwikkeling wilden signaleren, tonen en onderzoeken. Zij blijken zelf ook een missie te hebben. In de wereld van kunst en cultuur zijn we gewend aan evenementen die nieuwe tendensen voor het voetlicht brengen. De organisatoren stellen zich gewoonlijk neutraal op en proberen met hun programma, en de kunstenaars of ontwerpers die daarin centraal staan, een beeld te scheppen van wat er gaande is. Doel is dan het publiek te informeren en te prikkelen. Maar Utrecht Manifest wil meer.

Projectleider Tim Vermeulen schrijft in het voorwoord van het programmaboekje: ‘Utrecht Manifest is een open vraag naar daadkracht, naar beter nadenken en naar keuzes maken. (…) Utrecht Manifest is het antwoord van de initiatiefnemers (…) op vragen waarmee ze iedere dag in hun beroepspraktijk worstelen: hoe gaan we verder? Hoe verhouden we ons tot een maatschappij waarin productie en consumptiedrang tot ongekende hoogten zijn opgedreven? Hoe gaan we om met steeds schaarser wordende grondstoffen en groeiende afvalbergen? En, hoe gaan we met elkaar om in een maatschappij die steeds individualistischer wordt? (…) Utrecht Manifest is gegroeid vanuit de behoefte om hier samen over na te denken en van gedachten te wisselen: als consument, als producent, als beleidsmaker, als opiniemaker of als ontwerper. Maar ook om anderen te overtuigen van de noodzaak ervan.’

Dezelfde ambitie blijkt uit het projectplan van Utrecht Manifest waarin als doel voor de lange termijn wordt gesteld om ‘het maatschappelijke engagement in de betrokken sectoren hoger op de agenda te krijgen en hoogstaande, duurzame ontwikkelingen te stimuleren’. Het onderwerp van de biënnale en de doelstelling ervan vallen dus samen: Utrecht Manifest gáát niet alleen over engagement maar is ook zelf geëngageerd. Daarmee is het niet alleen een evenement of een podium maar ook een beweging en krijgt de naam Utrecht Manifest opeens een krachtige lading.

Tentoonstelling, theorie, interactie
Met de samenwerking van het Centraal Museum en Pastoe slaan de publieke en de private sector voor Utrecht Manifest de handen ineen. Het resultaat is een evenement dat zowel informatievoorziening, als theorievorming en interactie tussen verschillende maatschappelijke partijen bestrijkt. Het is precies deze mix die Utrecht Manifest interessant maakt en doet afwijken van het gebruikelijke, culturele aanbod.

Een blik in het programmaboekje toont een aantal opvallende onderdelen. Allereerst is er de tentoonstelling Now & Again die het hedendaagse engagement van een historische ondergrond voorziet. Het vormt een vervolg op de tentoonstelling NU die in 2003 door Pastoe werd georganiseerd en waarin kunstenaars en ontwerpers zich verdiepten in de maatschappelijke achtergronden van de modernistische beweging. Now & Again onderzoekt opnieuw het modernisme als totaalbeweging. In de twintigste eeuw kwamen door nieuwe productiemethoden comfort, kwaliteit en gezondheid binnen ieders bereik. De modernisten geloofden dat dit kon leiden tot een eerlijke, betere wereld met een heldere, zuivere vormgeving. Now & Again beschouwt het modernisme daarom als een maatschappelijke beweging met een ethische drijfveer die vanuit de wereld van de vormgeving opereerde. De tentoonstelling onderzoekt de waarde van deze beweging voor het maatschappelijk betrokken design van onze tijd.

Een opvallend theoretisch programmaonderdeel was de lezing The Unbearable Lightness of Building door Adriaan Beukers. Het is mooi dat deze hoogleraar lucht- en ruimtevaarttechnologie is uitgenodigd als spreker voor Utrecht Manifest. In 1997 ontving hij de Theo Limpergprijs vanwege zijn baanbrekende werk op het gebied van vezelversterkte materialen en lichtgewicht constructies en zijn missiewerk daaromtrent in de wereld van de industriële vormgeving. Beukers laat zich inspireren door de toenemende schaarste aan grondstoffen die de ontwerper dwingen tot slimme oplossingen. Zo hield hij zich bezig met de toepassing van koolstofvezel in bijvoorbeeld de vliegtuigindustrie. Ook benadrukt Beukers het belang van (multidisciplinaire) samenwerking in design: ‘Het is cruciaal dat ontwerpers in teamverband oplossingen voor complexe problemen proberen te bedenken. Dit kun je niet meer in je eentje. Ik zie op dit moment nauwelijks ontwerpers die erin slagen tijdloze ontwerpen te maken. Iedereen is bezig het hoofd boven water te houden. Veel ontwerpers lopen aan de leiband van de reclame-industrie. Ze knippen en plakken snel wat in elkaar in de hoop dit jaar hot te zijn.’

Met de Speakerscorner bood Utrecht Manifest de ruimte aan het spontane en ongeprogrammeerde. Op twee avonden konden vragen, designcases en meningen worden voorgelegd aan een kritisch en aandachtig publiek van mensen uit de designindustrie, ontwerpers, critici, beleidsmakers en studenten. Naast de meer gebruikelijke en veilige vorm van het symposium What Crisis? bood de Speakerscorner een gedurfd alternatief met de mogelijkheid van spontane interactie in het hart van de biënnale.

Volgende keer (nog) beter!
Dit is slechts een keuze uit het totale aanbod van Utrecht Manifest, dat zich onderscheidt door sympathieke experimenten zoals de installatie Publish and be damned, door boeiende sprekers en curatoren zoals Michelangelo Pistoletto (Cittadellarte) of Aryan Sikkema (De Uithof), en door gimmicks als een virtuele rondleiding door het Rietveld Schröderhuis met een ontwerper naar keuze of Bring your own ticket waarbij een willekeurig papiertje uit je jaszak met een stans wordt getransformeerd tot toegangskaart. Helaas heeft Utrecht Manifest er in haar enthousiasme ook wat dingen aan de haren bijgesleept. Natuurlijk zijn de twee Jules Verne films van Karel Zeman in het Louis Hartloopercomplex heel bijzonder maar hun link met de doelstelling van de biënnale is wel erg mager en ook het verband met Vrede van Utrecht is nogal gezocht.

Het grootste probleem van Utrecht Manifest is echter de wijze waarop zij zich presenteert. Twaalf oktober, het moment dat dit artikel wordt geschreven, blijken nog niet veel mensen op de hoogte van wat zich vanaf eenentwintig oktober zal afspelen op de verschillende locaties. Degenen die wel het publiciteitsmateriaal in handen kregen, bestempelen de stapel tweezijdige posters die samen de Utrecht Manifest krant vormen als mooi, maar ontoegankelijk. Het eigen engagement van Utrecht Manifest, de missie om het maatschappelijk betrokken ontwerpen te stimuleren, blijkt in de voorpubliciteit al helemaal niet te zijn overgekomen.

Utrecht Manifest keert de overspannen aandacht voor lifestyle en imago de rug toe en maakt zich sterk voor andere waarden zoals duurzaamheid en kwaliteit. Maar de bijbehorende publiciteit heeft dat jammer genoeg niet kunnen bijbenen. In het ontwerp van de website, de krant en de uitnodiging prevaleert de vorm boven de inhoud, wat resulteert in modieuze, soms lastig leesbare uitingen. Bovendien bleek de publiciteit niet voldoende en kwam deze te laat op gang om de missie van Utrecht Manifest goed te kunnen ondersteunen. Gemiste kansen dus voor een interessant initiatief. Maar gelukkig is Utrecht Manifest opgezet als een biënnale en hoeft het hier niet bij blijven. Laat de organisatie dit onderdeel kritisch evalueren, dan wordt Utrecht Manifest 2007 (nog) beter!

Reacties op Utrecht Manifest 2005 zijn welkom bij de redactie van Post Planjer.

Boventuinen

Merelstraat / Draaiweg

Ontwikkelaar: Planoform Vastgoedontwikkeling BV
Architect: OK architecten Hoofddorp, (W. Kristel)
Programma: 61 (koop)woningen, 2500 m2 winkels (waaronder een super markt), parkeer­garage voor 100 auto’s, daktuin op de supermarkt. Herbestemming school aan de Draaiweg tot kunstenaarsateliers (Stichting SWK Kunst­huisvesting) en wonen.
Opleverdatum: verbouwing school maart 2006, nieuwbouw 2007

Bettina van Santen

Het plan aan de Merelstraat kent een lange voorgeschiedenis. Aanvankelijk zou de school aan de Draaiweg gesloopt worden en vervangen door woningen en winkels. Sloop van de karakteristieke school stuitte op bezwaren, onder andere van de Commissie Welstand & Monumenten en van de tijdelijke bewoners, een groep kunstenaars die er hun atelier had. De komst van een grote supermarkt had ook nogal wat voeten in de aarde. Tenslotte was er de voortdurende discussie over de verkeersaanpassing van de kruising Draaiweg-Talmalaan.

Uiteindelijk wordt de school nu verbouwd tot kunstenaarsateliers en woningen en komt er nieuwbouw met winkels en koopwoningen. Het kruispunt wordt heringericht en de Merelstraat wordt met de nieuwbouw weer versmald tot zijn oude rooilijn. Deze was in de jaren vijftig verbreed met het oog op een geplande en nooit gerealiseerde brede invalsroute naar de binnenstad, de zogenaamde noordtangent.

In de school komen op de begane grond en eerste verdieping ateliers en expositieruimten (inclusief een restaurantje) en op de tweede verdieping en in de kap zes appartementen waaronder een penthouse. De opzet van de school met gangen, lokalen en het hoofdtrappenhuis wordt zoveel mogelijk gerespecteerd. Achter de school wordt een kunstenaarspaviljoen gebouwd met werkruimte voor acht kunstenaars.

De nieuwbouw bevindt zich op de plek waar tot voor kort een jaren vijftig-school stond. Aan de Draaiweg en de Merelstraat komt op de begane grond ruim tweeduizend vierkante meter voor winkels, waaronder een grote supermarkt. De woningen bevinden zich aan de zijde van het Zwarte Water en voorts in de vorm van appartementen aan de Draaiweg en Merelstraat. Een parkeergarage voor honderd auto’s ligt onder het complex en op de supermarkt komt een daktuin voor de bewoners, waaraan het project de naam Boventuinen dankt.

Het betreft een invulling in de bestaande stad met een hoge dichtheid en meerdere functies en alleen al om die reden is het een project om met belangstelling naar uit te zien. De oplevering wordt verwacht in 2007.

De Libertijn

Van Koetsveldstraat – Johan de Meesterstraat

Ontwikkelaar: BV Aannemingsmaatschappij Boers Veenendaal en Hero BV Den Bosch
Architect: Jo Crepain
Programma: 97 woningen en appartementen variërend van 60 tot 130m2. Overdekt parkeerplein dat als binnentuin functioneert.
Opleverdatum: zomer 2006
Prijzen: van 160.000 – 245.000 Euro
Bouwsom: 7.850.000 Euro (exclusief BTW)

Bettina van Santen

Het woningbouwcomplex ligt op een driehoekig kavel gevormd door de Van Koetsveldstraat, de Louis Couperusstraat en de Johan de Meesterstraat. De punt van de kavel is op het Cremerplein gericht. De nieuwbouw benut deze bijzondere ligging optimaal. Aan het Cremerplein komt een appartementengebouw van vijf bouwlagen. De bouwhoogte aan de van Koetsveldstraat en de Johan de Meesterstraat daalt tot de hoogte van de aangrenzende jaren dertig-woningen. Op het driehoekige binnen-terrein is het parkeren voor alle appartementen opgelost onder een houten parkeerdek dat ingericht wordt als groot terras met enkele bomen. Naast baksteen zullen zink en aluminium worden toegepast in de erkers c.q. dakkapellen.

Bijzonder is de enorme variatie aan woningplattegronden. In totaal zijn er achttien verschillende typen ontworpen, variërend van penthouses met uitzicht op de Dom een mogelijkheid die de ligging aan en nabij de Vleutenseweg altijd biedt tot driekamer woningen aan de Johan de Meesterstraat met een eigen voortuin en een voordeur aan de straat. Eén van de woningen heeft zelfs een tuin nagenoeg middenin de woonkamer. Vanuit de ramen van de woonkamer is aan drie zijden een kleine tuintje zichtbaar. Bijna alle woningen hebben een eigen terras of balkon. De Commissie Welstand & Monumenten complimenteerde de architect met het ontwerp (notulen 9-3-2004). De bouw ligt momenteel op schema en volgende zomer is het resultaat voor iedereen zichtbaar.

Korrels langs de Vecht

Hoe woningontwikkeling in de Vechtstreek kan leiden tot behoud van identiteit

Op het voormalige DSM terrein in Maarssen kan binnenkort aangenaam ­worden gewoond. Dat gaat echter niet zonder slag of stoot. DSM liet het terrein in 2002 achter met een onaangename graad van vervuiling. De locatie, vanuit Utrecht bezien aan het einde van de Amsterdamsestraatweg en in de optiek van Maarssen in een bocht van de Vecht, is een gegeven. De invulling nog niet. Op aandringen en in opdracht van de Vechtplassencommissie is onderzocht hoe met gevoel voor cultuurhistorie rond Maarssen gebouwd kan worden. Met een Belvedère subsidie werd de ontwikkeling van de bebouwing in het Utrechts rivierenlandschap geanalyseerd. In de Bocht van Maarssen wordt getracht de uitkomsten hiervan in praktijk te brengen.

Mascha van Damme

Alleen echt vies wordt pas goed schoon
De projectontwikkelaar en eigenaar van het terrein, Kondor Wessels Projecten (KWP), vraagt zich geregeld af waar ze aan zijn begonnen. Het duurt namelijk even voordat er daadwerkelijk gebouwd kan worden op de locatie van de verdwenen buitenplaats Op Buuren. In 1895 werd het terrein in gebruik genomen door een klein, chemisch laboratorium. Dat bedrijfje groeide al snel uit tot de eerste Nederlandsche Kininefabriek, later ACF en daarna Brocacef/DSM. Geheel volgens verwachting is de grond van het voormalige bedrijfsterrein in de loop van honderd jaar behoorlijk verontreinigd met, onder andere, zware metalen. De mate van vervuiling bleek in Nederland zelfs zijn weerga niet te kennen. KWP graaft het terrein met eigen financiële middelen af tot negen meter diepte en laat de grond in het noorden des lands reinigen. Ook dit is voor Nederland uniek. In ruil voor de sanering zorgde de gemeente Maarssen voor een wijziging van het bestemmingsplan tot wonen.

Met het verwijderen van de vervuilde grond wordt een onaangenaam verleden grondig weggepoetst, ook in letterlijke zin. Het hele DSM terrein is gesloopt met uitzondering van een sympathiek laboratoriumgebouwtje aan de Amsterdamsestraatweg dat als monument is aangemerkt. Hier is een bezoekerscentrum ondergebracht waar toelichting wordt gegeven op wat er in de nabije toekomst met het achterliggende gebied gaat gebeuren. De nieuwbouwlocatie moet een op zichzelf staand dorpje worden met een gemengde groep bewoners. Er is een naam en zelfs een nieuw wapen bedacht voor het toekomstige dorp, ontleend aan de buitenplaats Op Buuren. Het gebied bestaat uit vier deelgebieden waarvan er drie door KWP worden ontwikkeld: Op Buuren-dorp, -buiten en -park. Het dorp wordt dicht bebouwd, maar in het park en het gebied aan de overzijde van de Vecht kan men wonen in het groen. Vanaf 2006 gaan de eerste palen in de grond.

Regiospecifiek bouwen
Een studie naar de verschijningsvorm van mogelijke nieuwbouw in de omgeving van Maarssen werd op initiatief van de Vechtplassencommissie uitgevoerd door Landscape Architects for SALE (la4sale). Deze studie Belvedère Bouwen (2002) is onderdeel van de Vechtvisie, die beschrijft hoe woningontwikkeling in de Vechtstreek kan leiden tot behoud van identiteit. Bureau la4sale ontleedde de bestaande bebouwing in het Vecht- en Plassengebied. Het land werd onderverdeeld in korrels met verschillende soorten behuizing: woonboten, villa’s, boerderijen, buitens en landgoederen, en het bijbehorend terrein. De korrels werden onder meer bepaald door het kavel-oppervlak en bebouwingspercentage, maar ook door oeverbreedte en beplanting.

In de zeventiende eeuw streken langs de Vecht rijke mensen neer, voornamelijk handelaren uit Amsterdam. Zo ontstonden de vele buitenplaatsen en de kleinere versies van de bebouwing van Amsterdam. Ook de schippersgracht in Maarssen oogt als een Madurodamversie van een Amsterdamse gracht. Het gebied langs de Vecht kenmerkt zich verder door kastelen, versterkingen en kleine dorpjes aan het water. De kastelen, forten, fabrieken en bunkers zijn zogenaamde incidentele korrels.

Elk dorp langs de Vecht heeft wezenlijke bebouwingskenmerken. Daarom zijn ook de huizen in deze dorpen onder de loep genomen. De bestudering van raampartijen, beukmaten, materialen, kleuren, kapvormen en rooilijnen leverde een soort DNA code op, een streepjescode van kavelbreedte, diepte en het soort huis dat erop staat. Een mooie conclusie van bureau la4Sale met betrekking tot de architectuur is dat het Vechtse geen stijl (is), maar een manier van doen. De architectuur is vrij, maar de welstand is hoog. Om precies te kunnen bepalen in hoeverre de streepjescodes typisch Vechts zijn, zouden de resultaten eigenlijk afgezet moeten worden tegen de streepjescode van dorpen langs een rivier als de IJssel of de Kromme Rijn. Dat is er echter nog niet van gekomen.

Belvedère in praktijk
Besloten is het Belvedère Bouwen vorm te geven in Op Buuren. Het Belvedèrecredo Behoud door Ontwikkeling blijkt niet eenvoudig te realiseren. Al enkele jaren organiseert het Nirov (Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting) de cursus Belvedère op de Werkvloer, waarin het verweven van cultuur-historie in nieuwe plannen centraal staat. Dit is een praktijkcursus voor betrokkenen uit verschillende disciplines, variërend van (architectuur)historici en archeologen tot ontwerpers en beleidsmakers.

Tijdens de cursus valt op dat de betrokken disciplines elkaars taal slecht blijken te spreken. Daarnaast is het opmerkelijk dat hét voorbeeldproject voor behoedzame omgang met cultuurhistorie in een nieuwbouwproject in de cursus nog steeds het modern ogende wooncomplex van Bob van Reeth aan de Mariaplaats is, een project dat dateert van vóór de Belvedère–regeling.

Cultuurhistorie is een bijna onhanteerbaar breed begrip dat een mix van landschappelijke, architectonische en culturele elementen omvat uit verschillende tijden, die per locatie variëren. Dat maakt de zaak er niet makkelijker op, want voor welke historie kies je. Uitgangspunt zou moeten zijn dat de gelaagdheid van een gebied zichtbaar wordt c.q. behouden blijft zonder belangrijke fases te kort te doen. Dat gaat in de Bocht van Maarssen een tikkeltje anders.

De Vechtplassencommissie en de gemeente Maarssen zijn van mening dat in De bocht van Maarssen het landschap gerestaureerd wordt door er Vechtse woonvormen te ontwikkelen. Op het achttien hectare grote gebied worden ruim 570 woningen gebouwd. De gemeente moet erop toe zien dat de ruimtelijkheid gewaarborgd blijft. Daar heeft bureau la4sale ook een slimme truc op bedacht. De ruime Vechtse korrels kunnen in Op Buuren-buiten worden gestapeld, zodat een ensemble van gebouwen in een groene setting ontstaat. Met verschillende architecten wordt op een georganiseerde manier getracht het toevallig gegroeide dorp Op Buuren te ontwerpen. Tegenwoordig heerst de overtuiging dat de charme van een stad of dorp, en het gevoel van vanzelfsprekendheid dat men er ondervindt, voortkomt uit de organische groei van de plaats. Het ontwerpen van een organische gegroeide stad is een contradictio in terminis. Het begrip groei impliceert immers een ontwikkeling die zich uitstrekt over langere periodes en verschillende stijlen, en het begrip organisch is van nature wars van doordachte plannenmakerij.

Hoewel men beweert terug te grijpen naar een verloren gegane traditie, wordt er feitelijk historie weggevaagd om nieuw gefabriceerde historie te introduceren. Bij de ontwikkeling van de Bocht van Maarssen wordt niet de historie van het terrein zelf in stand gehouden of hersteld, maar dient een specifiek deel van de bewoningsontwikkeling elders langs de Vecht als onderlegger voor de nieuwe invulling van het terrein. Dit terwijl de industrie aan de Vecht toch ook deel uitmaakt van de traditie en de geschiedenis van het gebied, zij het een recentere. Van oudsher was de Vecht namelijk een belangrijke handelsroute, die haar functie verloor met de aanleg van het Merwedekanaal in 1892. Het gebied heeft daarna hoofdzakelijk een agrarische en industriële functie vervuld. Het hele DSM-terrein wordt afgedaan als een tijdelijke, incidentele korrel, onwenselijk voor een nieuw dorp. In de architectonische invulling van Op Buuren zal er waarschijnlijk niets van terug te vinden zijn. De bewoners krijgen een beknopte, behapbare versie van de geschiedenis aangeboden.

Oude wijn in nieuwe zakken?
Over de toekomstige architectuur valt nu nog geen oordeel te vellen want de invulling moet nog bekend worden gemaakt. Veel slechter dan de woningbouw die de afgelopen twintig jaar is gerealiseerd in Maarssen, van Italiaans aandoende palazzo’s tot smakeloze boerderettes, kan het waarschijnlijk niet zijn. Een team van acht architecten en landschapsarchitect Copijn zal het uiteindelijke dorp ontwerpen.

In Op Buuren wordt zeventig procent van de woningen in een traditionele stijl gebouwd. Bekende bureaus in dit genre, zoals Mulleners+Mulleners, zijn hiervoor aangetrokken. Omdat elk bureau het vereiste Vechts Bouwen op zijn eigen manier interpreteert, is bureau la4sale als vormcoördinator aangesteld. Voor de ontwerpen wordt de term conceptueel traditionalisme gebezigd. Hopelijk is dat niet synoniem aan oude koek en rollen er daadwerkelijk verrassende Vechtse huizen van de tekentafel. De kritische blik van de vormcoördinatoren en de Vechtplassencommissie moet voorkomen dat er Gentse raadhuizen met een trapgevel of Haagse notariswoningen aan de Vecht verschijnen.

Een blik elders in het land, bijvoorbeeld in Leidsche Rijn, laat zien dat het gevaar van oude wijn in nieuwe zakken behoorlijk op de loer ligt. In de zee van historiserend bouwen in Op Buuren heeft Atelier Zeinstra en Van der Pol de capaciteit om een opstandige korrel te realiseren. Liesbeth van der Pol laat zich in haar ontwerpen juist inspireren door industriële silo’s, schuren en fabriekshallen. Haar ontwerp voor de warmtekrachtcentrale in de Utrechtse Uithof is daarvan een perfect voorbeeld.

Er heerst verdeeld enthousiasme over de verrijzenis van het nieuwe dorp. Vanaf de Vecht bezien is Op Buuren gesitueerd in het groen, maar komend van de Amsterdamsestraatweg oogt het omringende gebied als een volwassen industrieterrein. Op Buuren ligt onder de rook van de Utrechtse industriegebieden Lage Weide en Sterrebaan Noord, die beide aan de overkant van het Merwedekanaal gelegen zijn. Met de ontwikkeling van woningbouw tussen de industriële bedrijvigheid zal er aan strengere luchteisen moeten worden voldaan, een vooruitzicht dat de gemeente Utrecht weinig hoopvol stemt. Utrecht had deze terreinen juist als uitvalsbasis aangemerkt voor elders uit de stad verdreven industrie. In plaats daarvan mag Utrecht minder of alleen andersoortige bedrijven overbrengen naar deze locaties. Maarssen laat zich daar echter niet door hinderen: ontwikkeling blijkt ook hier van het grootste belang, met of zonder behoud van het bestaande.

Oosterkade

Ontwikkelaar: Niroc Vastgoedontwikkeling
Architect: Kuipercompagnons (Wytze Patijn en Stijn van Tuijl)
Programma: 14 appartementen en 45 woningen. Ondergronds parkeren
Oplevering: 2007
Prijzen: hogere categorie

Bettina van Santen

Het voormalige Van der Lindenterrein aan de Oosterkade wacht al enige tijd op een definitieve invulling. In 2003 is door Kuiper Compagnons een plan gemaakt met een hoge stedelijke dichtheid. Als stedenbouwkundig uitgangspunt is ervoor gekozen om de oude stegenstructuur die kenmerkend is voor dit gebied, en die in de 20e eeuw verdwenen was, opnieuw op te pakken. Het bood de mogelijkheid om een bijzonder wooncomplex te maken met een diversiteit aan woningen.

Aan het binnenterrein met de stegen zijn de diverse grondgebonden woningen gesitueerd. De stegen vormen een doorlopend voetgangersgebied met een stelsel van intieme pleintjes die plaatselijk een langer doorzicht door het gebied waarborgen. Elke woning heeft zicht op twee stegen en grote gevelopeningen aan steeg of plein. Aan de monumentale Oosterkade markeren twee appartementenblokken van drie bouwlagen en een setback, ofwel een terug-liggende vierde laag, de entrees naar het binnengebied. Tussen de appartementengebouwen in staan aan de Oosterkade nog enkele jaren dertig woningen. Het parkeren gebeurt geheel ondergronds.

Vanwege bezwaren uit de omgeving tegen de hoge bebouwingsdichtheid is het plan lange tijd aangehouden. Ook de hoogte en de identieke vormgeving van de beide appartementen-gebouwen aan de Oosterkade waren aanleiding voor bezwaren van omwonenden. De bezwaren zijn in 2004 ongegrond verklaard. Wel is de kleurstelling van het binnengebied veranderd van een grijze steen naar een donkerrode steen om tegemoet te komen aan de vrees voor een te sombere uitstraling.

Experimenteren met vooroordelen en clichés

Kunstenaars gaan op zoek naar de waarheid en de werkelijkheid van de nieuwbouwwijkbewoner

Sinds 2002 verzorgt Bureau Beyond kunstprojecten in het Utrechtse ­nieuwbouwstadsdeel Leidsche Rijn. In augustus opende het een nieuw gebouw, naar ontwerp van kunstenaar Stanley Brouwn en architect Bertus Mulder. Hierin was werk van de tentoonstelling Pursuit of Happiness te bezichtigen. Beyond manifesteerde zich eerder onder meer met oranje F-side stadion­stoeltjes van Dennis Adams, een kinderbioscoop van Apolonija Sustersic, Parasite Paradise en de Paper Dome van Shigeru Ban. Kunst en nieuwbouw, ­kunstenaars en nieuwbouwwijkbewoners: een uitgelezen kans?

Martine Bakker

De realisatie van Leidsche Rijn is een tour de force. Utrecht krijgt er tachtigduizend inwoners bij in de nieuwbouwwijken ten westen van de stad. Het gaat om de bouw van een stadsdeel ter grootte van Leeuwarden, in voormalig land- en tuinbouwgebied, langs één van de drukste snelwegen van Nederland. Leidsche Rijn wordt bedacht door het aan de gemeente gelieerde projectbureau Leidsche Rijn. Het projectbureau koos vanwege de omvang van het nieuwe stadsdeel in hoofdlijnen voor een stedelijk karakter, al plande het ook enkele suburbane wijken.

De beslissing om een stedelijk nieuw stadsdeel te bouwen noopte het projectbureau tot het bevragen van het begrip stedelijkheid. Wat maakt een stad stedelijk, bestaat er stedelijk gedrag en hoe vertaal je dit naar architectuur? Het tastbare resultaat van deze analyses, de gebouwen, bruggen, wegen en parken van Leidsche Rijn werd al geregeld in Post Planjer besproken. Er was echter een uitkomst, die hier nog niet aan de orde kwam, namelijk het kunstenplan.

Contradictio in terminis
Toen Leidsche Rijn alleen nog op papier bestond, boog zich reeds een commissie over de rol die kunst zou kunnen spelen ofwel over het extra dat kunstenaars zouden kunnen toevoegen aan de gebouwde omgeving. Kunst werd daarbij conceptueel opgevat – niet als iets dat wordt neergezet op een pleintje. De commissie schreef een enthousiast plan, geënt op de wetenschap dat Leidsche Rijn voorlopig nog niet bestond. Zij onderzocht de mogelijkheden die een ongebouwde en onvolledige omgeving kunstenaars en beschouwers kon bieden. Kunst moest worden opgevat als een strategie, die steeds op andere plekken en manieren zou opduiken, spannend en dynamisch. Het plan, Scenario Beyond, overtuigde de gemeente en in 2001 kon Bureau Beyond worden opgericht. Het kreeg drie miljoen euro om in vijftien jaar te besteden, een bedrag dat wordt aangevuld met projectsubsidies.

Voor Bureau Beyond houdt stedelijkheid in dat er op ongrijpbare maar rooskleurige wijze een voedingsbodem is voor kunst. Een stad heeft potentie, je kunt er actie verwachten: er worden tentoonstellingen georganiseerd, panden gekraakt voor atelierruimte, openbare performances gehouden en kunstwerkjes in de schappen van de supermarkt geplaatst. Dit is de onverwachte en prikkelende kunst die Beyond voorstaat, maar het bureau pretendeert niet dat er slechts één definitie is van stedelijkheid. Het begrip wordt middels de kunstprojecten door-lopend geanalyseerd. Bovendien is het bureau er zich van bewust dat je de stedelijke kunstactie eigenlijk niet kunt plannen. Beyond houdt haar opdrachten voor de kunstenaars daarom zo open mogelijk.

Vooroordelen
De bedoeling en instelling van Beyond ten spijt, botsen de vinexwijken in Nederland, inclusief Leidsche Rijn, bij buitenstaanders op vooroordelen. De bebouwing zou eenvormig zijn, de mensen saai, de wijken zouden geen samenhang vertonen en er zou geen hart kloppen. Beyond is zich hiervan bewust en ziet dat het met de locatie ook de vooroordelen zijn die de kunstenaars interesseren. Zij gaan op zoek naar de waarheid en de werkelijkheid van de nieuwbouwwijk-bewoner en zien zich hierdoor ook genoodzaakt vragen te stellen over wat zij eigenlijk met hun kunst willen. Soms worden deze vragen zelf het kunstwerk.
Enkele werken uit de laatste tentoonstelling, Pursuit of Happiness, illustreren dit. Het vooroordeel van de perfecte maar zielloze slaapstad werd in het videowerk van Dagmar Keller en Martin Wittwer opgeblazen tot surreële proporties. Het onwerkelijke karakter van de straten en bouwblokken in hun trage video, Say hello to peace and tranquility, dwingt om stil te staan bij wat die werkelijkheid dan wel is of zou moeten zijn. Het werk van Libia Pérez de Siles de Castro en Olafur Arni Olafsson heet Casa Beyond en verwringt het oppervlakkige, modebeluste getrut rond behuizing door zich te beperken tot de essentie: de kunstenaars regelden een tijdelijk onderkomen voor een uitgeprocedeerd, asiel zoekend gezin. Kunstenares Esra Ersen ging een gesprek aan met rondhangende jongeren, wat resulteerde in stoere leren jacks met credo’s op de rug. Hoe snood de Leidsche Rijnjeugd reeds is, bewees de diefstal van de jacks prompt na de opening.

Existence in residence
Prikkelen kan in de regie van Beyond op veel manieren gebeuren. De eerste projecten hadden plaats in de leegte van het toenmalige Leidsche Rijn. Inmiddels kreeg de wijk meer gestalte en hetzelfde geldt voor Bureau Beyond. Het bureau manifesteert zich doorlopend met het project Nomads in Residence, waarvoor Bik Van der Pol in samenwerking met Korteknie Stuhlmacher architecten een parasite ofwel flexibel onder-komen ontwierp. De nomade kunstenares Apolonija Sustersic verleidde de buurtkinderen met haar parasite-cinema-studio tot het maken van animatieflimpjes, om onderwijl met hun moeders van gedachten te kunnen wisselen over het dagelijks vrouwenbestaan in Leidsche Rijn.

De stijlvolle en vernuftige container van Nomads in Residence was in Leidsche Rijn voor het eerst te zien tijdens het circusachtige Parasite Paradise. Gedurende de gehele zomer van 2003 was een keur aan parasites neergestreken op een terrein langs de Utrechtse Weg, compleet met bar, cultureel programma en aardigheden voor de kinderen. Dolend tussen de buitenissige caravans en bouwsels werd duidelijk dat de tijdelijkheid misschien wel het meest paradijselijke was aan de parasites: een confronterende sluimering in een wijk waar meer dan de helft van de bewoners zich juist vastschroefde met een hypotheek op een koophuis.

Gebouw
Ook de Paper Dome van Shigeru Ban en Het Gebouw van Brouwn/Mulder zijn langdurige, tijdelijke onderkomens. Ze flankeren zelfverzekerd de rommelige toegangsweg van het huidige Leidsche Rijn en markeren de locatie van het toekomstige stadsdeelcentrum, waarvoor Jo Coenen een ontwerp maakt. Beyond slaat met dit tijdelijke mini-instituut een nieuwe weg in en presenteert kunst voortaan op een vaste locatie. De inhoud van de tentoonstellingen zal echter net zo bevragend, pijnlijk en grappig zijn als voorheen. Het kleine museum is bedoeld voor de omwonenden, maar moet ook mensen uit de bestaande stad naar Leidsche Rijn trekken.

Bureau Beyond vroeg de conceptuele kunstenaar Stanley Brouwn om een ontwerp te maken voor een paviljoen. Brouwn maakte naam in de hoogtijdagen van het conceptualisme, de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Zijn bekendste project is This way Brouwn, dat gaat over de manier waarop mensen hun dagelijkse omgeving in kaart brengen. Voor Beyond ontwierp Brouwn twee rechthoekige blokken, die hij kruislings op elkaar plaatste. Hij gaf hierop enkel de plaats van de ramen aan. Het was aan architect Bertus Mulder om dit kleine model in een bouwbaar ontwerp te gieten. Mulder vond het een uitdaging om met de eindvorm te beginnen in plaats van bij het programma van eisen. Beyond gaf hem de opdracht omdat hij tijdens zijn lange loopbaan bewezen had open te staan voor symboliek en te kunnen werken vanuit concepten.

De keuze om de Japanner Shigeru Ban te vragen het naastgelegen theatertje te maken, werd ingegeven door het tijdelijke en humanitaire karakter van veel van Ban’s projecten. Het theater moest een warme plek worden in een koud, nieuw stadsdeel. Dat de programmering wordt verzorgd door een groep enthousiaste bewoners, stemt de architect tevreden. De volgende parasite zal geplaatst worden in Hoge Woert, bij de restanten van een romeins castellum en badhuis. Deze parasite, Saint Bazeille, zal dienen als uitvalsbasis voor archeologen en wordt ontworpen door Dominique Gonzalez-Foerster.

Brutaal
De naam van Bureau Beyond is afkomstig uit het boek SMLXL van Rem Koolhaas. Hij schrijft: “For each project there is a beyond, a domain where no jury will follow.” Koolhaas heeft het over de fase waarin een gebouw of stad uiteindelijk door de planners wordt losgelaten, de fase waarin een project van zichzelf wordt – en daarmee van de loop der tijd. Bureau Beyond eigent zich deze planloze fase zomaar toe. Het bureau wroet genadeloos en proclameert luidkeels in de marges van de planning en woonbeleving. Dit is brutaal, maar laat dat nou net één van de kenmerken zijn van stedelijk gedrag.

In het vervolg van dit artikel over vinexkunst zal Beyond Leidsche Rijn worden vergeleken met projecten in onder meer Amersfoort (Kattenbroek en Vathorst) en Zwolle (Stadshagen). Aan de hand van twee publicaties, ‘Publieke Kunst’ door Ina Boiten en ‘With love from the kitchen’ door Bik Van der Pol, wordt dieper ingegaan op de rolverdeling tussen en doelstellingen van kunstenaars, culturele instellingen, stedenbouwkundigen en bewoners van nieuwbouwwijken. Vraagt de huidige tijd om andere publieke kunst dan voorheen, met een andere relatie tussen kunstenaar, plek en ruimte? Meer informatie over Bureau Beyond: www.beyondutrecht.nl

Babel: een paradijs van tegenstellingen

Bartoklaan / Leidseweg

Ontwikkelaar: Heijmerink Bouw BV Bunnik
Architect: Architectenbureau Noorlag bv
Programma: stadsvilla met 4 appartementen aan de Leidseweg (per app. ca 150 m2), 29 appartementen met bedrijfsunits aan de Bartoklaan (appartementen variërend van 72 tot 150m2). Parkeren deels ondergronds, gesitueerd aan achterzijde.
Opleverdatum: oktober 2005
Prijzen: vanaf 200.000 Euro

Bettina van Santen

De locatie in de buurt Welgelegen, op de hoek van de Bartoklaan en de Leidseweg, moet de droom zijn voor iedere ontwikkelaar: gelegen aan een kade met statige bebouwing uit het begin van de twintigste eeuw tegenover het park en de gewilde woonwijk Oog in Al. Welgelegen biedt ruimte voor nieuwe invullingen omdat er oudere bedrijven gevestigd zijn die in de loop van de tijd zullen verdwijnen. Vooafgaand aan de nieuwe ontwikkelingen is enkele jaren terug een stedenbouwkundige visie voor het gebied gemaakt. Het bouwplan Bartoklaan/Leidseweg was het eerste concrete initiatief dat is uitgevoerd binnen deze stedenbouwkundige visie. Het kavel ligt op de hoek van de Leidseweg met huizen van rond 1900 en de Bartoklaan, een jaren zestig-doorsteek naar de woningen en kantoren aan de Ravellaan.

Aanvankelijk had de architect een plan gemaakt dat zich als één volume presenteerde aan de Bartoklaan. Dit is intussen drastisch aangepast na kritiek van de Commissie Welstand & Monumenten en door inspraak van de bewoners. De meest ingrijpende wijziging betreft het opdelen van het gehele volume in een stadsvilla, die zich voegt in het bebouwingslint langs de Leidseweg, en een apart bouwdeel langs de Bartoklaan. De stadsvilla manifesteert zich met zijn erkers, het hoektorentje en de grote kap als een moderne broer van de aangrenzende huizen. Het grote verschil is natuurlijk dat het niet ontworpen is als woonhuis maar als appartementengebouw. Op de begane grond is een appartement met tuin en terras geplaatst, op de verdiepingen liggen twee appartementen met een balkon/terras en in de kap is een penthouse met dakterras gebouwd. De bebouwing aan de Bartoklaan is van een zakelijker karakter met een architectonisch accent aan de Strawinskylaan. Op de begane grond komen bedrijfsunits. Deze laag is dan ook geheel transparant met grote puien. Erboven bevinden zich 29 appartementen.

Toen dit project startte, was het nog niet gebruikelijk om in een semi-historische stijl aan te sluiten bij de bestaande bebouwing. De trend is pas recentelijk ook in Utrecht doorgedrongen en neemt nu hand over hand toe. De stadsvilla aan de Leidseweg nam hierop een voorschot, niet zozeer als wens van de architect, als wel op aandringen van welstand en omwonenden.