Een dagje naar de Uithof

De Uithof: wereldberoemd om haar architectuur, over de hele wereld kennen architecten het Minneartgebouw en het Educatorium. De recent opgeleverde universiteitsbibliotheek stond meteen in alle vakbladen, en kan daarmee aan het rijtje van Uithof-iconen worden toegevoegd. Gedurfd opdrachtgeverschap en een stedenbouwkundig plan dat geen uitspraak wil doen over zaken als beeldkwaliteit en sfeer, hebben de realisatie van deze bijzondere nieuwbouw mogelijk gemaakt. Na een bezoek aan De Uithof gingen wij echter weg met de vraag wat het speerpunt in de ambitie van De Uithof zou zijn. Waarom investeert men zoveel in architectuur, terwijl de rest van de wijk er zo belabberd bijstaat?

Martine Bakker, Jennifer Scholl en Jochem Hilhorst

Als je als architectuurtoerist het Educatorium of het Minnaert wil gaan bekijken, moet je dat eigenlijk niet in het weekend doen. Maar de universiteitsbibliotheek (UBU) is in het weekend wel open, dus op een vrije zondagmiddag gaan wij op pad. Wat een troosteloze, dooie boel! Zelfs de Basketbar – we hadden best zin in een kop koffie na dat eind fietsen – is dicht. Het plezier dat al die prachtige gebouwen ons zou hebben kunnen brengen, wordt letterlijk en figuurlijk weggewaaid.

Hoe een leeg plan allure schept
We beginnen ons te verbazen over de stedenbouwkundige opzet van dit gebied, die zeer bescheiden is. Wereldberoemde architecten zetten wereldberoemde gebouwen neer, maar de stedenbouw mist ogenschijnlijk de monumentaliteit om dit te ondersteunen. Heeft het visionaire bureau OMA, met de inmiddels beroemde Rem Koolhaas aan het roer, niet kunnen voorzien dat de architectuur in De Uithof zo succesvol zou zijn? Of heeft men dit wel voorzien, maar er bewust niets mee willen doen? Het plan dat OMA in 1986 voor de Uithof heeft gemaakt, blijkt hoofdzakelijk tweedimensionaal. Het is gebaseerd op de oorspronkelijke, rechthoekige structuur van het stedenbouwkundige plan uit de jaren vijftig. Projectleider Art Zaaijer (indertijd OMA) had grote waardering voor dit plan, dat helder en modernistisch van opzet was. De faculteiten waren clustergewijs ondergebracht in een overzichtelijk stratenpatroon. In de loop der jaren werden de ruimtes tussen de clusters echter langzaam volgezet met (tijdelijke) gebouwtjes, waardoor de verblijfskwaliteit van De Uithof verslechterde.

Rem Koolhaas en Art Zaaijer verdelen in hun plan het gebied opnieuw in clusters, maar stellen de grenzen ervan dit keer veel duidelijker. Alleen binnen de clusters zal gebouwd mogen worden, zodat de overige ruimte vrij blijft van architectuur. Over het uiterlijk en de sfeer van de bebouwing doet het plan nadrukkelijk geen uitspraak. Zaaijer gelooft dat door van te voren een beeld te scheppen van de invulling, het ontstaan van verrassende architectonische invullingen in de kiem wordt gesmoord en daar heeft hij de afgelopen jaren duidelijk gelijk in gekregen. De vrijheid is door de architecten met beide handen aangegrepen en heeft inderdaad tot verrassende en hoogstaande architectuur geleid.

Het goede van het plan van OMA is dat het niet staat of valt met de architectonische invulling ervan. Driedimensionale plannen lijken veiliger, omdat er veel meer vast staat, maar zijn hierdoor juist kwetsbaar, omdat deze plannen afhankelijk zijn van de architectuur. In een tweedimensionaal plan als dat voor De Uithof, kan iedere malloot een saai of zelfs lelijk gebouw neerzetten zonder het masterplan direct aan te tasten. De onzekerheid over het eindresultaat vraagt wel wat moed van de opdrachtgever.

De opdrachtgever in De Uithof ging dus een uitdaging aan door in te stemmen met een open masterplan. Veel architecten die door OMA werden voorgesteld, zijn daadwerkelijk gekozen en kregen de vrijheid en ondersteuning die nodig was om een eigen invulling te ontwerpen. Had OMA meer op de kwaliteit van de bebouwing ingezet als het had geweten dat de universiteit zo’n exellente opdrachtgever was? Waarschijnlijk niet, gezien de ideeën over de ‘generic city’, die Koolhaas midden jaren negentig proclameerde. Door de juiste omstandigheden te scheppen en met geschikte architecten te werken, zal een ‘generic’ (niet specifiek), rasterachtig plan, dat weinig of geen uitspraak doet over de bebouwing, uiteindelijk vanzelf allure opleveren.

Geen passie in openbare ruimte
Wij vinden echter dat die prachtige gebouwen in een onuitgesproken, saaie omgeving staan, waardoor ze onvoldoende tot hun recht komen. Terwijl bij de opdrachtgever de ambitie bestaat om van De Uithof een levendige ontmoetingsplek te maken, schrijft Rem Koolhaas in de inleiding van het Uithofplan: Als landschap en ruimte, structuur en leegte, een zeldzaamheid worden, moet De Uithof die karakteristieken koesteren en gedecideerd handhaven. Beide uitgangspunten zijn in het plan vertegenwoordigd. Door levendigheid te creëren in de dichtbebouwde clusters, kan de leegte van de onbebouwde clusters juist sterker ervaren worden. Een theatrale tegenstelling is echter nog lang niet bereikt.

Misschien dat de beleving opeens heel anders wordt wanneer de openbare ruimte wordt aangepakt. Zoals in Nederland gebruikelijk, loopt dit ook hier achter op de bouwproductie. Er schijnt spoedig mee begonnen te worden. Wij kijken daar naar uit en hopen dat de kwaliteiten van de Uithof dan beter zichtbaar worden.

Wat het plan ook had kunnen versterken, is het besluit uit 1993 om toch studentenwoningen te bouwen op het Uithofterrein. Dit mes snijdt aan twee kanten: De Uithof kan een alternatief bieden voor het tekort aan woonruimte in de binnenstad en het monofunctionele karakter van De Uithof kan ermee worden doorbroken. Het is in dit verband onbegrijpelijk dat de studentenwoningen niet in de bebouwingsklusters van het masterplan worden gebouwd, maar veilige afstand. Als integraal onderdeel van de bebouwingszones, zouden de woningen de levendigheid pas echt versterken.

Het lijkt erop dat De Uithof nog een lange weg te gaan heeft, voordat het gebruik maakt van alle potentiële kwaliteiten. Te meer omdat er een nieuwe kwaliteit is bijgekomen, namelijk die van de architectuur. Zoals De Uithof nu is, lijkt zij niet te durven leven. Ze stopt juweeltjes weg in de hoek. Wat is bedoeld als centrale boulevard is niet meer dan een ordinaire busbaan. De Basketbar is dicht op zondag. Studenten schijnen er wel te zijn, maar de huisvesting is weggezet op de meest onherbergzame uithoeken van het terrein. Ongetwijfeld allemaal heel pragmatisch en functioneel, maar het geheel mist passie. Een passie die wel te zien is in het werk van de ingeschakelde architecten.

Jochem Hilhorst is als architect werkzaam bij Atelier Kingma & Van Mameren. Jennifer Scholl is, naast redactielid van Post Planjer, adviseur stedelijke vernieuwing bij Atrivé.

REISLITERATUUR – Janny Rodermond, ‘Controle in dienst van contrast. Stedenbouwkundig plan van OMA voor De Uithof’, in: De Architect september 1989, p.111-115 | Art Zaaijer, ‘Beheersing van het onvoorspelbare. De geschiedenis van de Uithof in Utrecht’, Archis 1, 1999 | OMA, Rem Koolhaas en Bruce Mau, ‘S, M, L, XL’, 010 publishers 1995

Eye-opener en uitdaging – interview met Aryan Sikkema

Het gaat goed met de universiteit. Voor het eerst sinds lange tijd nam het aantal eerstejaars-studenten weer toe. En het gaat uitstekend met de waardering voor de architectuur in De Uithof. De Basketbar heeft de NAi-prijs voor jonge architecten ontvangen, de universiteitsbibliotheek is genomineerd voor de Mies van der Rohe-prijs en de universiteit voor de Gouden Piramide, een prijs voor goed opdrachtgeverschap. Aryan Sikkema is als directeur Bouw verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid, dat is uitgestippeld door onder meer Hans van Ginkel, Harry Voorma en Wim Kardux van het College van Bestuur.

Mascha van Damme en Bettina van Santen

Aryan Sikkema is lang werkzaam geweest bij het Woningbedrijf van de Dienst Volkshuisvesting van de Gemeente Amsterdam. Een groot aantal stadsvernieuwingsprojecten in vrijwel de hele binnenstad viel onder zijn verantwoordelijkheid. Hij werkte enige tijd voor een projectontwikkelaar in Brussel en via Unesco in Sri Lanka en Kameroen. Zijn tienjarige loopbaan in Amsterdam richtte zich overwegend op renovatie, nieuwbouw en restauratie van sociale woningbouw, waaronder projecten met winkels, parkeergarages en andere voorzieningen, zoals de woningen in de Jordaan van Aldo van Eyck en Theo Bosch.

Het universiteitsterrein van Utrecht vormde een uitdaging, omdat bouwen in een dergelijk gebied veel meer zou omvatten dan invullingen doen in een historische context als Amsterdam. De Uithof was wat dat betreft een eye-opener voor Aryan Sikkema. “Iedereen vond het vreselijk en sommigen konden zich maar moeilijk onttrekken aan het benauwende gevoel dat er niets van te maken zou zijn. De universiteit was in conflict met de Gemeente Utrecht over een woonbestemming voor het gebied. Mijn komst ging niet gepaard met een duidelijke opdracht. Het zou een zoektocht worden naar een manier om er iets van te maken. Omdat een vooraf gestelde strategie ontbrak, zou het er meer om gaan kansen te grijpen wanneer die zich voordeden.”

Het masterplan
Sikkema werd in 1984 hoofd van drie afdelingen: Nieuwbouw, Planbureau en Huisvesting. Hij wilde vooral laten zien dat de universiteit niet overal tegen was, en dat maakte dingen los. “Het Ministerie van O&W vond het aanvankelijk doodeng om in 1985 met Rem Koolhaas in zee te gaan voor een herziening van het masterplan. Dus kwam de nadrukkelijke opdracht dat hij wel op stedenbouwkundig niveau van alles mocht verzinnen maar er zelf niets mocht bouwen.” Een nieuw plan werd hoognodig geacht om continuïteit te kunnen bieden en een strategie te ontwikkelen voor toekomstige ontwikkelingen. De bouwplannen die Van der Steur, Kuiper Compagnons en de Gemeente Utrecht in het verleden ontwikkelden, waren steeds slechts gedeeltelijk uitgevoerd. De stedenbouwkundige coherentie in het gebied had hieronder te lijden gehad.

Aan het masterplan van Koolhaas/Zaaijer is in de loop der tijd nauwelijks iets veranderd. Wel kwam het HBO erbij en werden in 1993 enkele programmatische veranderingen doorgevoerd, zoals de woonfunctie voor studenten. Het concept en lijnenspel bleven echter gelijk: de historiche landschapsstructuur ligt schuin ten opzichte van de nieuwe toevoegingen, die volgens een strikt recht grid zijn gepositioneerd. Bebouwing wordt geconcentreerd in compacte clusters in een open landschap, dat de clusters scheidt en de campus als totaal verbindt. Sikkema poogde nadelige besluiten steeds om te keren in een voordeel. Zo was vastgesteld dat het HBO geen hoogbouw kon plegen. Hierop werd onderzocht of lage bebouwing een zekere verdichting in het gebied zou kunnen bewerkstelligen. De eerste test was voor Mecanoo Architecten. Hun ontwerp voor de Faculteit voor Economie en Management, tevens het eerste grote utiliteitsgebouw van het bureau, oversteeg de verwachting.

In het nieuwe stedenbouwkundig plan werd de oorspronkelijke, orthogonale structuur gehandhaafd, vanwege de vanzelfsprekendheid waarmee De Uithof tot dan toe binnen die structuur was gegroeid. Het probleem van De Uithof lag volgens Sikkema voornamelijk bij de grootschalige naoorlogse nieuwbouw, die lukraak onbegrijpelijk en onaantrekkelijk was gesitueerd. Stedenbouwkundige Art Zaaijer, die al in een vroeg stadium de taak van Rem Koolhaas overnam, noemde De Uithof een satelliet. Sikkema onderschrijft dit en ziet daarom niets in het idee om Utrecht als vingerstad te laten doorgroeien tot over de ringweg en De Uithof in te breien richting de bestaande stad. “Ik beschouw De Uithof onvermijdelijk als een satelliet. Het is zaak dit te accepteren en er vervolgens een goede satelliet van te maken. Daar zijn wij nu mee bezig”.

De openbare ruimte
Het stedenbouwkundige plan voor De Uithof is inmiddels al zo ver uitgevoerd dat je kunt toetsen of het werkt. Sikkema beaamt dat men vooral de architectuur ervaart en niet zozeer de stedenbouwkundige drager. “Dit is vooral het geval omdat er nog zoveel aan de openbare ruimte gedaan moet worden. Zo zijn er bijvoorbeeld klachten van onder meer studenten dat er te weinig aandacht is voor groen en de inrichting en verblijfskwaliteit van de openbare ruimte. Ik ben het daarmee eens, het is vaak vooral een kwestie van geld. Zo liggen de plannen voor de HOV-as al een tijd klaar, maar het komt er nog niet van. De gemeente heeft nu eindelijk wel toegezegd er volgend jaar mee te beginnen. De as die onder meer langs de nieuwe bibliotheek loopt, is heel simpel en eenvoudig, maar wel precies goed! Ook de Genevelaan wordt in het plan autovrij.”

“Er komt gelukkig nog meer aandacht voor de openbare ruimte. De ligweide wordt te weinig gebruikt, dus die zal iets meer beschut gemaakt moeten worden. Het centrumgebied in de Uithof, rondom de Basketbar en de omgeving van de UBU (universiteitsbibliotheek), zal verbeterd moeten worden omdat bepaalde delen sinds die gebouwen zijn opgeleverd veel intensiever gebruikt worden dan daarvoor. De inrichting van drie á vier intensief te gebruiken buitenruimtes staat op het programma. Daar zullen ingrepen gedaan worden die de ruimtes meer intiem zullen maken zodat er een beter verblijfsklimaat ontstaat, ofwel dat mensen eerder en met meer plezier gebruik zullen maken van de buitenruimte. Maar de meningen over de openbare ruimte verschillen.

Sommige mensen vinden delen van De Uithof te hard waar het gras doorloopt tot de gebouwen en er niet veel struiken en bosschages te bekennen zijn. Dat geldt bijvoorbeeld rondom het Wentgebouw in de zuidwest hoek, in de buurt van de Cambridgelaan en het Oxfordpad. En het ziekenhuis (Utrechts Medisch Centrum) is een nogal introverte entiteit, een wereld op zich, evenals Diergeneeskunde. Daar zit men helemaal niet op rondzwervende en verblijvende mensen te wachten.”

“Oorspronkelijk lag de nadruk van de groeninrichting vooral op de ecologie. Door het toevoegen van een woonfunctie is deze verschoven naar de gebruikswaarde. De precieze aanpak vergt nog enige studie waarbij wel wat externe, creatieve input gebruikt kan worden. Dat geldt met name voor de recreatieve functies op De Uithof zoals concerten, films, ballet en een trapveldje. De zalen zijn er al en staan ’s avonds allemaal leeg. Vooral de beheersorganisatie van de zalen zal behoorlijk aangepast moeten worden om een andere functie mogelijk te maken. Daarbij leeft nog steeds het idee ‘wie wil er nou in De Uithof zijn’. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de prachtige binnenstad die we nu eenmaal hebben. Mensen twijfelen eraan of De Uithof de concurrentie van de binnenstad aan kan. De Uithof zal zijn eigen weg moeten zoeken. De stad Utrecht heeft inmiddels dusdanige afmetingen, dat de oppervlakte van de binnenstad te klein is voor en te belast door de inwoners, die allemaal op hetzelfde stukje willen winkelen en uitgaan. De stad kan best drie centra gebruiken: de binnenstad met daarnaast twee subcentra.”

De toekomst
“In De Uithof zullen in de toekomst nog veel meer studentenwoningen staan dan nu het geval is, maar het wordt geen plek voor algemeen wonen. Er is in principe meer ruimte voor bebouwing, maar de beperkende factoren zijn het vervoer en de infrastructuur – de bussen zitten momenteel overvol. Daarom is wonen de beste functie voor toegevoegde nieuwbouw, al zou het dan wel moeten gaan om studentenwoningen. Het plan Koolhaas uit 1993 staat echter niet meer dan 2100 woningen toe. Er wordt gestudeerd op een mogelijke groei tot 3000 bewoners, waaronder andere aan het kenniscentrum verbonden personen, zoals verplegers (in opleiding) en AIO’s. Dit zou bovendien enige differentiatie in de woonvormen opleveren.

“De Uithof kan een plek worden waar je ook als je niet studeert naar toegaat. Dit wordt nu al deels bevorderd door de openstelling van de bibliotheek op zaterdag en zondag waarmee de beoogde woonkamerfunctie meer handen en voeten krijgt. Het HOV blijft natuurlijk ook in het weekend rijden. Over vijfentwintig jaar is de aanleg van de Kashba-zone afgerond, aan de westzijde iets teruggedrongen ten opzichte van het masterplan. Het Farmaciecluster is uitgebreid met science park-activiteiten. In de Kasbahzone verschijnen binnenkort al twee hoogbouwprojecten met 552 studentenwoningen, de Bisschoppen. De studentenwoningen van Marlies Römer kunnen over de Heidel-berglaan heen gebouwd worden. De hele Uithof zal de uitstraling krijgen van een science park, met meer parken en buitenrecreatie, gedeeltelijk in samenhang met de botanische tuin. Bij de klinieken van Diergeneeskunde kan wat gesloopt worden. Het transferium komt er waarschijnlijk toch. En over honderd jaar staat er een soort muur van gebouwen langs de snelwegen.”

Volgens Sikkema moet ook in de toekomst een substantieel en zichtbaar deel van de universiteit in de binnenstad aanwezig blijven. “Het gezicht van de universiteit in de binnenstad is belangrijk om de aantrekkelijkheid voor studenten te vergroten. Maar het maakt in principe niet uit welke functies eraan worden gegeven. Vooralsnog wordt zelfs gesproken over 10.000 m2 extra in de binnenstad. Er worden plannen ontwikkeld om de leeggekomen gebouwen aan de Wittevrouwenstraat gedeeltelijk te slopen en het monumentale pand te verbouwen ten behoeve van de Letterenbibliotheek. Zo zou een prachtige semi-openbare binnenhof ontstaan. Het Kromhoutterrein van de University College kan intensiever benut worden. Er worden nu op het terrein drie woonblokken van Art Zaaijer gebouwd. De rest van het Kromhoutcomplex zou ontwikkeld moeten worden als woonwijk, waar dan ongetwijfeld veel universiteitsmedewerkers zullen gaan wonen. Veel van deze medewerkers wonen nu ook al aan de oostkant van de stad.”

Wat betreft de samenwerking met de gemeente verwacht Sikkema geen problemen. “Onze verhouding is respectvol en collegiaal. Ik heb nooit last gehad van hen en er zijn geen grootschalige conflicten geweest. Het is denk ik zeker een voordeel dat De Uithof buiten de stad ligt. Indertijd waren er wel veel bezwaren tegen het bouwen van studentenhuisvesting, maar dat had ook met de andere omringende gemeentes te maken. De ambities van de gemeente, de universiteit, het HBO en het UMC lopen grotendeels parallel. Het UMC is echter een eigen rechtspersoon, die hecht aan haar onafhankelijkheid. Ik zie de hogeschool en de Stichting Sociale Huisvesting (SSH) daarom meer als partner om mee te werken aan een beter woon- en verblijfsklimaat.”

Over de culturele erfenis van jaren vijftig-architectuur in het gebied, zoals de Ponskaart, Sterrentoren en stookhuisjes, merkt Sikkema op dat lelijke gebouwen ook belangrijk zijn, door het contrast dat ze te weeg brengen. Hij is tegen sloop van het Kruyt- en Van Unnikgebouw. Hoewel sloop goedkoper is, kan er volgens hem toch beter gezocht worden naar een nieuwe bestemming. De sloop van de prekliniek van tandheelkunde met het zaagtanddak, waarvoor de nieuwbouw van Mart van Schijndel in de plaats kwam, is een voorbeeld van een acceptabele ingreep. Zeker nu de waardering voor na-oorlogse architectuur toeneemt, zal sloop altijd ter discussie staan.

Een goede opdrachtgever
Sikkema legt de essentie van goed opdrachtgeverschap bij de besluitvorming. “Het tot stand brengen van goede besluitvorming is zeker geholpen bij een goede probleemanalyse. Door bij een afwijkende mening te zoeken naar de achterliggende vraag of wens, kunnen ogenschijnlijke tegenstellingen worden weggewerkt. Hierdoor hoef je met verschillende meningen elkaar niet ergens halverwege te ontmoeten, maar kun je met ieders instemming op een nieuw standpunt uitkomen. Goed opdrachtgeverschap betekent ook het vermogen om mensen te kunnen enthousiasmeren en boven zichzelf uit te tillen. En bovenal zelf blijven dromen! Ik droom nog wel over De Uithof. Er moet nog veel gebeuren aan de inrichting van de openbare ruimte, er wordt gedacht aan vervangende nieuwbouw van een aantal grote laboratoriumgebouwen en er worden nu mooie projecten gebouwd, waaronder het onderwijsgebouw van Erick van Egeraat en de warmtekrachtcentrale van Liesbeth van der Pol. Het wordt hier fantastisch.”

Van meervoudige betekenis…/#1

De universiteit in de binnenstad

De universiteit is nog altijd zichtbaar aanwezig in de binnenstad van Utrecht. Die zichtbaarheid gaat verder dan volle cafés en terrassen of rondzwervende groepen studenten tijdens de introductie. Zowel de faculteit Letteren als die van Rechten, evenals enige representatieve functies, zijn gehuisvest in monumentale panden in het centrum.

Bettina van Santen

Meerdere malen in het verleden is er binnen de universiteit discussie geweest over het definitief verplaatsen van alle faculteiten naar De Uithof. Alleen al de fysieke mogelijkheden van de vaak monumentale panden in de binnenstad leverden (en leveren) problemen op. De voormalige woonhuizen zijn meestal alleen met grote ingrepen geschikt te maken voor gebruik door de universiteit. Bovendien zitten eisen ten aanzien van behoud van monumentale waarden, brandveiligheid, arbo wetgeving en dergelijke functioneel gebruik vaak in de weg. De vraag is terecht te stellen of verhuizen naar de Uithof niet veel eenvoudiger en goedkoper is. Daar staat tegenover dat veel studenten juist vanwege die huisvesting in de binnenstad kiezen om in Utrecht Letteren of Rechten te gaan studeren. Het binnenhalen en binnenhouden van studenten is bijzonder belangrijk en zal alleen maar belangrijker worden als de kabinetsplannen doorgaan en de universiteiten nog meer met elkaar om de gunst van de student moeten gaan concurreren.

Ruimtelijke clustering
Recentelijk is de vraag over huisvesting in de binnenstad door de universiteit opnieuw gesteld en beantwoord. Dit antwoord markeert een trendbreuk in het beleid ten aanzien van de binnenstad. De vraag is: kan de universiteit het zich financieel veroorloven de faculteiten Rechten en Letteren in de binnenstad te houden? Het antwoord is: ja, mits er een ruimtelijke clustering plaats vindt.

De trendbreuk zit in het feit dat tot dan toe een instituut in de binnenstad al zijn functies – variërend van collegezaal tot kantoorruimten – noodgedwongen onderbracht in panden die voorhanden waren, ongeacht ruimtelijke geschiktheid of passende locatie. Vanaf nu krijgt een instituut alle ruimte om de diverse functies – restaurant, collegezaal, werkruimte enzovoorts – bij elkaar te brengen in een geclusterde reeks panden. En binnen dat cluster zullen de diverse functies ondergebracht worden in het gebouw dat zich het beste daartoe leent. Dus geen collegezalen meer in een moeizaam verbouwd woonhuis, maar bijvoorbeeld wel in een naastgelegen kantoorpand. De ruimtelijke opzet van de historische panden wordt zo veel nadrukkelijker gerespecteerd.

Aan dit alles ligt een belangrijke aanname ten grondslag want er moet voldoende onroerend goed beschikbaar zijn in elkaars directe nabijheid. Gelukkig kan de universiteit daarbij rekenen op steun van de gemeente, die ook graag de universiteit zichtbaar in de binnenstad wil houden. Er zullen twee clusters geformeerd worden: één aan de Drift en één aan de Kromme Nieuwegracht.

Het Driftcluster
Het bouwblok tussen de Wittevrouwenstraat, Keizerstraat, Nobelstraat en Drift wordt het domein van Letteren. Nu de universiteitsbibliotheek (UB) weg is, worden alle panden opnieuw geordend en voorzien van een ruimtelijk passende functie. Bureau Dolte maakt het ruimtelijk plan voor het gehele blok en momenteel is voor Drift 23 al een bouwplan van architecten Marx & Steketee in uitvoering. Het geheel zal straks een campusachtige uitstraling moeten krijgen. Die mogelijkheid is er, nu alle bijgebouwen van de voormalige bibliotheek gesloopt worden en er zo een semi-openbaar (of geheel openbaar), groen binnenterrein gecreëerd kan worden. Hier kan wellicht meteen ook een oplossing uitgedacht worden voor de ‘fietsenproblematiek’.

Aan de Wittevrouwenstraat komt een stenen voorterrein en het Paleis van Lodewijk Napoleon (de voormalige UB) wordt geheel aan de bibliotheek van Letteren toegewezen. De Keizerstraat biedt nog meer mogelijkheden. Hier vindt een interessante uitruil plaats met de SSH: de universiteit neemt het studentencomplex van de SSH over en geeft de SSH haar eigen complex aan de Trans er voor in ruil. De universiteit voegt het complex Keizerstraat toe aan het Driftcluster en kan daarbij kiezen uit hergebruik van het wooncomplex of sloop en nieuwbouw, al naar gelang het beter uitkomt. In het gehele Driftcluster wordt tevens ruimte gecreëerd voor een theaterzaal (nu gevestigd aan de Kromme Nieuwegracht), een restaurant-café en een grote collegezaal. Als het stedenbouwkundig plan gereed is, zal de architectenselectie op Europees niveau plaatsvinden.

Rechten
Voor de faculteit Rechten zal het niet lukken om alle onderdelen in één cluster onder te brengen. Wel komt er een nieuwe concentratie van zoveel mogelijk onderdelen in het bouwblok Achter Sint Pieter / Kromme Nieuwegracht. De grote kans die hier lag, is helaas aan de universiteit voorbij gegaan. Met toestemming van de Heilige Stoel in Rome (de Paus) is een groot kloostercomplex niet verkocht aan de universiteit maar aan drie projectontwikkelaars. Dit klooster voor fraters heeft bijzondere middeleeuwse onderdelen, een negentiende eeuwse vleugel aan de Herenstraat en een prachtige binnentuin. Het bood goede mogelijkheden voor een cluster met een campusuitstraling, omdat de tuin van het Fratercomplex grenst aan de tuin van het huidige universiteitscomplex.

Geen immuniteiten
De clustering in de binnenstad heeft een groot aantal ruimtelijke en fysieke consequenties en de universiteit trekt 110 miljoen euro uit om de plannen te concretiseren. Die investering doet men niet als er nog steeds discussie zou zijn over een definitieve locatie voor de huisvesting van beide Faculteiten. Het is en blijft dus het centrum van Utrecht. Het ambitieuze programma voor de binnenstad laat zien dat niet alles op de Uithof ‘gebeurt’. Integendeel, hier in het oude centrum voltrekt zich straks een bijzonder bouwprogramma waarbij uiteindelijk een aaneengesloten deel van de oostelijke binnenstad in gebruik (en in handen) komt van de universiteit. De vergelijking met de oude immuniteiten dringt zich al snel op, maar in tegenstelling tot de afgesloten immuniteitsterreinen zullen de universiteitsclusters zich niet als ontoegankelijke stadsdelen afsluiten van de omgeving, hoewel de mate van openbaarheid betrekkelijk zal blijven.

Willekeurig telefoongesprek…/#2

TNO / Nederlands instituut voor toegepaste geowetenschappen

Kinderdagverblijf De Kleine Kikker

Spaceboxes / La Capanna

WKK-gebouw

ABC-gebouw