Welstand / Een korte geschiedenis

Met de invoering van de Woningwet in 1901 werden vele bouwzaken voor het eerst door de overheid aan regelgeving onderworpen. In de nieuwe bouwverordening van 1918 werd opgenomen dat de overheid nadere eisen kan stellen ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid en de welstand van gebouwen. De regels betreffen echter met name de bouwtechnische kwaliteit en deugdelijkheid van het ontwerp en niet zozeer de architectuur of esthetische zaken. Welstand speelde dan ook geen rol als onderdeel van de vergunningverlening, met andere woorden: een bouwvergunning kon niet geweigerd worden op basis van welstandsgronden.

Bettina van Santen

Schoonheidscommissie
In Utrecht functioneerde in 1910 al een Schoonheidscommissie, zij het aanvankelijk op beperkte schaal. Het betrof een groepje vaardig geachte Utrechters die als een soort supervisoren de nieuwbouw rond het Van Limburg Stirumplein beoordeelde. Leden waren onder andere de directeur gemeentewerken, maar ook een hoogleraar kunstgeschiedenis, een kunstschilder, een architect en een edelsmid.

Blijkbaar viel het werk van deze adviescommissie in goede aarde, want in 1925 mocht een nieuw ingestelde Schoonheidscommissie de gehele stad beoordelen. De commissie stond onder leiding van hoogleraar ‘ Esthetiek en Kunstgeschiedenis’ Willem Vogelsang. Het secretariaat was in handen van architect Houtzagers.

In deze periode ziet men ook landelijk een sterke aandacht voor de esthetiek van nieuwbouw. Dit uitte zich in het aanstellen van supervisoren, het werken met een architectenselectie en de keuze voor stedenbouwkundige coördinatie. Amsterdam-Zuid is wellicht het bekendste voorbeeld van deze nieuwe benadering.

In de Utrechtse bouwverordening uit 1925 is voor het eerst een welstandsbepaling opgenomen omdat ‘de zorg voor het stadsschoon bij het oprichten van nieuwe en het veranderen van bestaande gebouwen een onderdeel is van de taak der gemeentelijke overheid’. Tegelijkertijd is dit de aanzet voor het opnemen van een monumentenverordening, want het college van B&W was ervan overtuigd dat een welstandsbepaling nog geen waarborg is voor ‘het in stand blijven van stadsschoon of van gebouwen die vanuit historisch oogpunt van belang zijn voor de stad’.

Wat weten we verder van het functioneren van die Schoonheidscommissie in die dagen? Er zijn geen notulen bekend, openbaarheid was niet aan de orde en de commissie adviseerde het gemeentebestuur naar eigen goeddunken. Van enkele bouwplannen is bij toeval bekend dat er een oordeel van de commissie over geveld is. Zo werd de uitbreiding van de V&D aan de Choorstraat van architect J. Kuyt eerst afgekeurd door de commissie, omdat deze teveel aansloot bij de bestaande architectuur en te weinig eigentijds zou zijn. Kuyt werd verplicht een nieuw ontwerp te maken. Het resultaat is tot op vandaag zichtbaar in de gevels aan de Choorstraat en Oudegracht (Mobach, Broese).

Na de Tweede Wereldoorlog was de rol van welstand in eerste instantie ondergeschikt aan de enorme woningbouwopgave. Standaardisering en efficiency waren de norm en het toepassen van keuzeplannen (door de overheid ontwikkelde standaardplannen) geeft voldoende aan dat architectuur en esthetiek niet de hoofdrol speelden. In overeenstemming met de tijdsgeest werden de vergaderingen van de Utrechtse Welstandcommissie vanaf de jaren zeventig volledig openbaar.

Welstand & monumenten
In Utrecht functioneerde naast de Schoonheidscommissie al sedert 1928 een Monumentencommissie. Deze laatste functioneerde via een officiële verordening die verbouwingen van beschermde monumenten toestond onder voorwaarde van een goedgekeurd bouwplan. Dat de schoonheidscommissie en de monumentencommissie gescheiden opereerden lijkt logisch, maar dat was het niet. Juist in die eerste decennia van de 20e eeuw waren het vooraanstaande moderne architecten als De Bazel, Dudok, Berlage en Van Loghem die zich tegelijkertijd bemoeiden met nieuwe architectuur en met behoud van stedenschoon. De Bazel was net zo goed oprichter van de Bond Heemschut als voorstander van stedelijke vernieuwing, een combinatie die in onze tijd enigszins curieus lijkt. Het woord lijkt is op zijn plaats, want niet voor niets is in de loop van de jaren tachtig van de 20e eeuw besloten om beide commissies te integreren.

Sinds 1992 bestaat er dan ook een Commissie Welstand & Monumenten. Hiervoor waren naast idealistische motieven (kwaliteit van de advisering) ook pragmatische redenen. Bij steeds meer plannen waren beide commissies bevoegd om advies uit te brengen en dit kon resulteren in twee tegenstrijdige adviezen. Het advies van de Commissie Welstand & Monumenten is dan ook officieel een onderdeel van de monumentenprocedure. In de commissie zijn daartoe ook leden opgenomen die in staat worden geacht de monumentale belangen te kunnen beoordelen. De sector monumenten verstrekt indien nodig elke vergadering toelichting. De taak van de Commissie is nog steeds eenduidig. Zij brengt een onafhankelijk advies uit aan het College van Burgemeester en Wethouders, nadat een aanvraag is getoetst met ‘redelijke eisen van welstand’. Daarnaast verstrekt zij advies ten aanzien van monumentenaanvragen en verzoeken om monumentale bescherming. In 2004 treedt een grote verandering op in de taakstelling van de welstandscommissie. Het toetsen op ‘redelijke eisen van welstand’ geschiedt voortaan aan de hand van criteria die door de gemeenten zijn opgesteld, naar aanleiding van een bepaling van het Ministerie van VROM.

Tenslotte
Omdat het een (onafhankelijk) advies betreft, kan het college van B&W als uiteindelijke vergunningverlener het advies naast zich neer leggen. Het zal niet verbazen dat dit soms bij politiek gevoelige plannen gebeurt. B&W heeft echter het volste recht om met redenen omkleed af te wijken van een advies van de Commissie. Voor de geloofwaardigheid van de Commissie is het echter beter dit niet al te vaak te doen.

GERAADPLEEGDE BRONNEN: Commissie welstand & monumenten, jaarverslag 1992/1993 | Paul Meurs, De moderne historische stad, Rotterdam 2000 | Noud de Vreeze, Woningbouw, inspiratie & ambities, Amsterdam 1993.

Welstand zet ontwerpers terug op de rails

Vroeger heette ‘welstand’ de schoonheidscommissie. Tegenwoordig adviseert de adviescommissie voor welstand en monumenten niet meer uitsluitend over schoonheid. Met criteria die de context en de verschijningsvorm van het gebouw betreffen, neemt welstand ontwerpen onder de loep en overlegt met de architect. Daarbij wordt nauw samengewerkt met stedenbouwkundigen van de Gemeente. De visie op hoe en waar er wat gebouwd wordt komt niet uit gescheiden kokers, maar ontstaat uit wederzijdse inspiratie.

Martine Bakker

Peter Vermeulen werd enkele jaren geleden gevraagd als lid voor de welstandskamer Leidsche Rijn, die inmiddels niet meer bestaat. Het beviel hem zo goed, dat hij een jaar later op advies van Ubbo Hylkema, de vertrekkende voorzitter, solliciteerde naar diens functie. Hij is nu voorzitter van de Utrechtse welstandscommissies Oost en West. Deze bestaan sinds 2003, toen de nieuwe woningwet van kracht werd en vanuit het rijk zich bovendien de vraag naar gemeentelijke welstands-nota’s aandiende. Peter Vermeulen is architect-directielid bij Van Mourik Vermeulen Architecten in Den Haag. Het is een groot bureau met ruim veertig medewerkers, dat ontwerpt in heel Nederland. Vermeulen voert binnen het bureau de supervisie op ontwerpniveau. In ontwerpoverleg gaat hij samen met de ontwerper na of het verhaal klopt en of de opgave op juiste wijze is ingebed in de omgeving. Hij vergelijkt dit werk met de taak van de welstandcommissie.

Voorbeeldige welstand
De welstandsnota fungeert als handvat voor opdrachtgevers en architecten die in Utrecht iets willen realiseren en als leidraad bij het welstandsadvies. Utrecht nam voor het opstellen van deze nota Wytze Patijn van Kuiper Compagnons in de arm.

Hoewel er vanuit het Ministerie van VROM een serie eisen en aanbevelingen kwam, veranderde er voor Utrecht weinig met het opstellen van de welstandsnota. Eén van de eisen was bijvoorbeeld meer transparantie, terwijl openbaarheid van vergadering in Utrecht al jaren van toepassing was. De nieuwe Utrechtse welstandsnota structureerde het bestaande welstandsbeleid dus vooral en koppelde het aan de bestaande structuurvisie, het stedenbouwkundig beleid en de bestemmingsplannen. Aan iedere welstandsvergadering neemt een stedenbouwkundige van de Dienst Stadsontwikkeling deel en is er over nieuwe plannen een maandelijks ‘vrijdagoverleg’ tussen de voorzitter, stedenbouwkundigen uit de commissies Oost en West en een stedenbouwkundige van de Gemeente. Vermeulen vindt het prettig dat er in Utrecht binnen Stadsontwikkeling niet wordt gewerkt vanuit gescheiden werelden, maar dat er wederzijdse inspiratie wordt gevonden.

Patijn onderscheidde voor Utrecht vier hoofdniveaus: behoud, respect, open en stimulans. Het niveau van behoud geldt met name voor de binnenstad, waar de omgeving meestal bepalend is voor wat er nieuw wordt gebouwd. In een gebied dat gelabeld is met het niveau respect, moet ook met zorg voor de omgeving worden ontworpen, maar is er meer vrijheid. Hier gelden vooral het stedenbouwkundig plan en het beeldkwaliteitsplan als leidraad. Dergelijke gebieden zijn bijvoorbeeld te vinden in Leidsche Rijn. Als stimulans-gebieden zijn onder meer de oevers van de meeste Utrechtse kanalen gemarkeerd. Dit zijn locaties met potentie waar nog te weinig gebeurt. Als er nog geen stedenbouwkundig ontwikkelings-plan lag, houden ook de stedenbouwkundigen bij hun werk rekening met de status van stimulans-gebied.

De gebieden waar het criterium open geldt, zoals Overvecht en Kanaleneiland, noemt Vermeulen het meest kwetsbaar. Hier dicteert de omgeving de architect minder, maar luistert het wel heel nauw wat er aan nieuwbouw wordt gerealiseerd. Het zijn gebieden waar juist iets moet veranderen. Een behoud-gebied valt heel goed te beheersen, omdat het uitgangspunt duidelijk aanwezig is. Een open-gebied daarentegen vraagt om iets nieuws. Het is daarmee veel risicovoller om hier een ontwerp voor te maken. De welstandcommissie praat in dit geval met name ook over de impact van het gebouw, terwijl het bij nieuwbouw in de binnenstad soms alleen gaat om materiaalgebruik.

Commissie zonder burgers
De adviescommissie voor welstand en monumenten is evenwichtig samengesteld, met deskundigen uit uiteenlopende disciplines. Buiten architecten (met verschillende handschriften) zijn er ook stedenbouwkundigen, architectuurhistorici en mensen met kennis van de inrichting van de openbare ruimte. In sommige steden is aan dit rijtje een gedragsdeskundige toegevoegd. Vermeulen vindt dat niet nodig. Hij gaat ervan uit dat wanneer de commissie zich baseert op de bestaande stedenbouwkundige plannen en ander planologisch beleid, de sociaal-maatschappelijke factoren hierin reeds uitgebreid zijn doorgenomen en verwerkt.

Hetzelfde geldt min of meer voor de deelname van burgers aan de commissie, een voorstel van VROM voor de nieuwe welstand. Vermeulen verwacht van burgers dat zij teveel bezig zouden zijn met het opleggen van hun smaak, terwijl het daar bij de welstand nadrukkelijk niet over moet gaan. De werkwijze van Vermeulen en de commissieleden speelt zich af op een programmatisch niveau. Soms geeft iemand wel eens een persoonlijke mening over een bepaalde steen of een ontwerpdetail, maar meestal is het oordeel van de commissie vrij unaniem, terwijl de leden toch zeker een uiteenlopende persoonlijke smaak hebben. Respect opbrengen voor een stijl die niet de zijne is, maakt het werk voor Vermeulen ook juist leuk. De mooi-lelijk discussie acht hij absoluut oninteressant.

Het spreekt Vermeulen aan dat bewoners hun zorg uiten over wat er in de gebouwde omgeving verdwijnt en verrijst. Hij vindt dat burgers zich op een ander moment zouden moeten uitspreken, zoals bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Voor het werk in de commissie is een bepaalde geestelijke bagage nodig, die stedenbouwkundig en planologisch van aard is. Als stadsbewoners bij de welstandscommissie zouden aanschuiven, is het als mosterd na de maaltijd, omdat ze volgens Vermeulen juist invloed willen uitoefenen op andere aspecten.

Met als voorbeeld de sloop van de bunker op het Servaasbolwerk, zegt Vermeulen dat bewoners vaak niet overzien wat een ontwerp betekent voor een plek. Hij acht het de taak van welstand om dit duidelijk te maken. In dit geval wilde de commissie laten zien dat Bob van Reeth (AWG) voor deze locatie een mooi en beheerst plan ontwierp. Het valt Vermeulen op dat de bewoners van Utrecht in het algemeen betrokken zijn bij hun stad en dat ze zeker niet altijd gokken op wat er is. Bij de presentatie van het nieuwe station en muziekcentrum bijvoorbeeld, waren de reacties van het publiek enthousiast. Het valt hem ook op dat de welstandscommissie bij bewoners in het algemeen een paradoxale plaats inneemt. De opmerkingen variëren van ‘waar bemoei je je mee, geef ontwerpers toch de vrijheid’ tot ‘jullie vinden ook alles goed’.

Alvorens er een bouwvergunning wordt afgegeven, gaat het advies van de welstandscommissie ter goedkeuring naar de gemeenteraad. Deze kan een advies van de commissie naast zich neer leggen. Negatieve reacties van de raad heeft Vermeulen in zijn ruim tweejarig voorzitterschap nog weinig meegemaakt. Hij heeft wel gemerkt dat de raad zich vooral roert in gevallen van hoogbouw, ingrepen in het historisch erfgoed, of wanneer er achteraf toch niet wordt ingestemd met de stedenbouwkundige uitgangspunten, zoals bij de nieuwbouw tegenover het Ledig Erf (ontwerp: AWG).

Geen oordeel maar overleg
Peter Vermeulen beschouwt de presentaties die architecten houden voor de welstandscommissie als een gesprek tussen collega’s. Zelf kijkt hij als architect altijd uit naar dit moment, omdat hij het interessant vindt om hetgeen hij bedoeld en ontworpen heeft voor te leggen aan vakgenoten – in tegenstelling tot de zakelijke optiek van de opdrachtgever. Het gevoel over de welstandscommissie verschilt natuurlijk per architect, het wordt ook bemoeizuchtig en lastig gevonden. Misschien geldt de regel: hoe beter de architect, hoe leuker hij het vindt om met welstand te praten.

De Utrechtse welstand praat dus op collegiale wijze over de voorgelegde ontwerpen. Waarbij het steeds de belangrijke verantwoordelijkheid heeft om vanuit de complete stad te redeneren. De welstand beslist alleen negatief als het ontwerp niet in het belang is van de locatie. Maar het kan ook gebeuren dat een architect de commissie overtuigt van een bepaalde keuze. Vaak analyseert de commissie echter wat er fout is gegaan in het ontwerpproces en helpt zij de architect zijn basisidee te hervinden dat door factoren van buiten nogal eens zoekraakt. In zo’n geval is de architect vaak ongelukkig met zijn eigen plan. De welstand helpt om het oorspronkelijke ontwerp weer op de rails te zetten.

Toppers
Soms is commentaar vanuit de adviescommissie helemaal niet nodig. Dan is meteen duidelijk dat er een steengoed ontwerp ligt waar niemand meer aan moet komen. Vermeulen noemt als voorbeeld van zo’n topper de Basketbar van NL Architects. Andere recente toppers zijn voor hem de woningbouw van Bob van Reeth aan het Servaas Bolwerk, het kindercluster in Leidsche Rijn (Terwijde) van ‘O Donnel en Tuomey en Cap Gemini van de Architecten Cie. in Papendorp, omdat dit ontwerp iets extra’s doet met het landschappelijk plan van West 8. Ook vindt hij het heel knap wat Hertzberger gedaan heeft met het muziekcentrum Vredenburg dat van een introvert gebouw zal veranderen in een extravert gebouw. Het is bijzonder dat iemand dat met zijn eigen gebouw aandurft.

Utrecht is voor Peter Vermeulen een boeiende stad, net als de meeste steden dat overigens voor hem zijn. Maar wat Utrecht bijzonder maakt is de stedenbouwkundige opgave die er ligt en de veranderingen die de stad daardoor zal ondergaan. De stad neemt in oppervlakte met de helft toe, er komt een bevolkingsaanwas ter grootte van het inwonertal van Leeuwarden en het wordt een stad met een centraal water omdat het Amsterdam Rijnkanaal verschuift van de stadsrand naar het geografische centrum.

Maar ook de bestaande feiten zijn indrukwekkend: geboortegrond van Gerrit Rietveld, een historisch centrum met werven, gestructureerd door immuniteiten, en het terrein van De Uithof waar een achterhaalde CIAM-gedachte succesvol werd vertaald naar de eigen tijd. Het laatste houdt een belofte in voor Kanaleneiland, waar hetzelfde te gebeuren staat. Vermeulen is zo geboeid door Utrecht dat hij aan de welstandscommissie verbonden zal blijven zolang de termijn het toelaat, te weten tot 2009.

De Kersentuin

In de nota ‘Mensen, Wensen, Wonen’ is enkele jaren geleden door het rijk bepaald dat gemeenten er op aan dienen te sturen dat vanaf 2005 tenminste een derde van hun totale woningbouwopgave in opdracht van particulieren tot stand komt. Tot voor kort was dit percentage landelijk nog geen 20%, in het westen van het land hooguit 5% en in de vier grote steden zelfs minder dan 1%. Uit onafhankelijk onderzoek blijkt dat er enkele lacunes zijn bij particulier opdrachtgeverschap, voornamelijk op het gebied van de selectie van een (capabele) architect, bouwtechnische kennis van de opdrachtgever en de kwaliteit van voorbeeldprojecten. Op een steenworp afstand van de duurzame huizen in Leidsche Rijn, in De Erven in Parkwijk-Noord, ligt echter een project dat navolging verdient en de hoop op een beter percentage doet gloren. Het vriendelijk ogende complex De Kersentuin grenst aan het meest zuidoostelijke puntje van het toekomstige Rijnsche Park. Her en der slingeren bolderkarren rond of een bakfiets, er liggen houtblokken op straat en er zijn nauwelijks auto’s te bekennen.

Mascha van Damme

Initiatief zoekt nemer
Onder voormalig wethouder van Groen Links, Annemiek Rijckenberg, is er in 1996 voor Leidsche Rijn een initiatievenbeleid ontwikkeld onder de noemer ‘Initiatief zoekt nemer’. In 1998 diende een klein groepje toekomstige bewoners zich aan om een sociaal en ecologisch duurzaam woonproject te realiseren. Daarbij hadden ze de kleine en sociaal geëngageerde woningbouwvereniging Juliana op het oog. Door de nodige fusies werd Juliana echter eerst opgenomen in Amnis, vervolgens bij Genua om uiteindelijk over te gaan in Portaal.

De oplevering liep enkele jaren vertraging op, maar desondanks heeft Vereniging De Kersentuin in eigen beheer 96 zeer gevarieerde woningen laten bouwen. Door een goede mix van huur- en koopwoningen in verschillende prijsklassen en een beperkt aantal gemeenschappelijk-wonen appartementen, wordt gemikt op een gemêleerde groep bewoners. Uiteindelijk zijn de meeste Kersentuiners hoger opgeleid, blank en tussen de dertig en vijfenveertig jaar, met hier en daar een uitzondering.

Toch is een deel van de woningen al geschikt voor oudere bewoners of aan de behoeften van senioren aan te passen. Dit heeft alles te maken met het idee ‘levensloopbestendige’ woningen te ontwerpen opdat de huidige, jongere bewoners, zo lang mogelijk in hun huizen kunnen blijven wonen. De koopwoningen zijn eenvoudig uit te breiden; de fundering ligt al in de tuin en in de gevel zijn keramische argetontegels geplaatst die makkelijk zijn te verwijderen en te hergebruiken.

Aanvankelijk werden de koopwoningen in eigen beheer verkocht. In bewust gekozen media werden advertenties geplaatst om mensen te bereiken die overeenkomstige ideeën hebben over wonen en omgaan met het milieu. Voor de laatste koopwoningen is inmiddels een makelaar ingeschakeld zodat deze tijdrovende taak uit handen gegeven kon worden. Dit heeft tot gevolg dat mensen met andere woonideeën in het complex terechtkomen, maar dat draagt wel bij aan een gevarieerde bewonersmix.

Het sociaal duurzame aspect van de woningen bestaat verder uit het idee dat in een woonbuurt waar mensen elkaar kennen vanzelf respect en verdraagzaamheid is. Daarom heeft de Kersentuin een gemeenschappelijke ruimte met een keuken waar het bestuur van de woonvereniging bijeenkomsten kan houden, maar waar ook andersoortige initiatieven ontplooid kunnen worden. In de aangrenzende ruimte staat een aantal wasmachines die door enkele bewoners worden gebruikt. Daarnaast is een kantoor- en vergaderruimte (en een klusruimte), waar ieder naar behoefte gebruik van kan maken.

Actief en lang duurzaam
Het bureau Kristinsson uit Deventer werd als architect gekozen. Dit bureau heeft een lange geschiedenis met duurzame projecten, waaronder de minimum energiewoningen te Schiedam (1983), het ecologische woonproject in de wijk Kattenbroek in Amersfoort (1994) en de in een geluidswal ingebouwde peuterspeelzaal in de wijk Nieuwland (1996). Ondanks de dalende populariteit van energiebesparend bouwen, bleef bureau Kristinsson zijn principes trouw. Zelf zegt het bureau vooral geïnteresseerd te zijn in goede materialen met een natuurlijke expressie en een zorgvuldige detaillering. Dit is duidelijk zichtbaar in De Kersentuin waar gebruik is gemaakt van gele dudokbaksteen en bijna Oudhollandse rode dakpannen.

De dakrand met grote overstek is met hetzelfde hout afgetimmerd dat gebruikt is voor de schuren en de galerijen van de centrale woningen. Door de houten trap en galerij waarmee de hoger gelegen voordeuren worden ontsloten, wekken deze centrale woningen de indruk van boomhutten. Evenals de deuren en raamkozijnen waren deze houten elementen gedacht in bonte kleuren uit een ecologische kleurenreeks. De kleuren zijn grotendeels uit het plan wegbezuinigd maar dit komt het complex eigenlijk wel ten goede. Het houtwerk krijgt langzaam een zachtgrijze tint en geeft het geheel een vriendelijke en natuurlijke uitstraling.

De centrale woningen grenzen aan een daktuin die de parkeergarage aan het zicht onttrekt. De aanleg van de garage met vijftig parkeerplaatsen is met een financiële bijdrage van de autobezitters en met behulp van subsidie bekostigd. Zodoende is de Kersenbuurt een autoluwe zone waar slechts ca. 25 auto’s op straat kunnen parkeren. In het eco-wooninitiatief is in alle woningen muur- en vloerverwarming aangelegd. Daarnaast zijn verantwoorde bouwmaterialen gebruikt (er is zelfs geëxperimenteerd met leemstuc), wordt de stadsverwarming op een lage temperatuur gehouden en kan de ventilatie naar behoefte worden gestuurd.

Minder tuin, meer groen
Het plan voor de buitenruimte lag in handen van Hyco Verhagen van het Utrechtse bureau Copijn. Het uitgangspunt was een geleidelijke overgang tussen de privé-tuinen en het (semi)openbare groen, zonder schuttingen maar met groene erfafscheidingen. Bij de woningen aan het Koolwitjehof heeft dit idee nauwelijks navolging gevonden. In vergelijking met de rest van het complex zien de tuinen van de twee rijtjes woningen er dichtgetimmerd uit. Dit is te wijten aan het feit dat deze eengezinswoningen via de woningkrant van de Gemeente zijn verhuurd. De meeste bewoners die op deze wijze een woning kregen, hebben weinig op met het idealisme van de andere bewoners. Volgens één van de Kersentuiners hoort het rijtje woningen er dan ook alleen optisch bij.

Het groenplan heeft behoorlijke invloed op de privé-tuinen. Een deel van de tuinen is ingeleverd ten gunste van meer openbaar groen dat is opgedeeld in thematuinen waar geur of smaak centraal staan, of het avontuurlijke gehalte voor kinderen. Het onderhoud van de tuinen wordt in eigen beheer uitgevoerd met behulp van het afgedragen gemeentelijke onderhoudsbudget. Hiermee kunnen de bewoners, onder leiding van drie ecologische hoveniers, zorg dragen voor de uitvoering en het bijhouden van het groenontwerp.

Wie hoog klimt . . .
De kersentuin heeft al in de voorbereidingsfase (1999) een voorbeeld status bij onder meer de SEV (Stichting Experimentele Volkshuisvesting) en VROM gekregen en en verschillende subsidies en prijzen in de wacht gesleept. De ambities van de Kersentuin lagen ook heel hoog, zo hoog dat logischer wijs niet alle ideeën en idealen verwezenlijkt konden worden. Meestal heeft dit echter te maken met onverwachte omstandigheden zoals bij de zonnepanelen. Aanvankelijk was het subsidietechnisch voordeliger om pas na oplevering collectief zonnepanelen te laten plaat-sen. De subsidieregeling werd echter onverwacht stopgezet, waardoor op de valreep iedere bewoner individueel zonnepanelen moest bestellen en subsidie aanvragen. Omdat op dat moment nog niet voor alle woningen een bewoner was gevonden, zijn op nu niet alle woningen van zonnepanelen voorzien. Van het plan om geheel te kunnen voorzien in eigen watergebruik , na de problemen met het grijze watersysteem elders in Leidsche Rijn, door de minister een stokje gestoken. Het Centraal wonen deel is er uiteindelijk niet gekomen.

De vrije indeling van de woningen was tevens een nobel streven, maar nu blijkt dat sommige bewoners dezelfde indeling hebben gekozen die soms slecht enkele centimeters afwijkt van die van de buren. Achteraf gezien had er beter een standaard variatie aan keuzes aangeboden kunnen worden. Dat had een hoop tijd en denkwerk gescheeld.

Al met al blijkt dat er van menig aspect van dit project lering valt te trekken. Des te groter was mijn verbazing nu blijkt dat het niet de bedoeling is dat dit een project wordt herhaald; het moet uniek blijven. Dat is gezien de grotendeels geslaagde opzet van het project erg jammer ook al is een kwalitatief goed voorbeeldproject tot stand gekomen. Niet in de laatste plaats door de vasthoudendheid en grote inzet van de bewoners en de ervaring van het betrokken architectenbureau.

Met dank aan Barbara Lammerts van Bueren, bewoonster van De Kersentuin.

Meer informatie over op www.kersentuin.nl

Nieuwe context / UN Studio bouwt De Blauwe Grift

De Utrechtse binnenstad is geliefd. De afgelopen jaren werd voortdurend gespeurd naar plekken om nieuwe woningen te kunnen bouwen. Voorbeelden zijn het Hof van Sint-Jan aan de Voorstraat (2001) maar ook het Kleinste Huisje aan de Drift (2002). Direct rond de binnenstad bevinden zich grotere projecten zoals het Vondellaanterrein van Mecanoo (2001) en de in aanbouw zijnde Dichterswijk. De omgeving van het Griftpark is als woonlocatie bijzonder gewild. In 2002 realiseerde Atelier Pro hier een project met 40 woningen aan het Marmerplein, grotendeels verborgen achter de gevels van de Wittevrouwensingel en de Kleine Singel. Nu verrijst op de hoek van het Griftpark en de Wittevrouwensingel een omvangrijk complex met woningen, bedrijfsruimtes en een parkeergarage van UN Studio. Het gebouw voegt zich niet bescheiden in zijn context maar introduceert juist een nieuwe schaal en kleur in zijn omgeving.

Catja Edens

Zoals vaker in Utrecht, ontstonden de plannen naar aanleiding van een verkeersprobleem. Om aan de toenemende parkeerdruk tegemoet te komen, vatte de gemeente rond 1995 het plan op om rondom de oude binnenstad parkeergarages aan te leggen. Eén werd gepland op een nader te bepalen locatie ten zuiden van de binnenstad, de andere twee zouden onder het Lepelenburg en bij het Griftpark worden gebouwd. De zuidelijke garage is er echter nooit gekomen en tegen de garage onder het Lepelenburg rezen zulke heftige protesten van omwonenden (waaronder diverse advocatenkantoren) dat moest worden uitgeweken naar het Lucasbolwerk. Tegen de garage aan het Griftpark bestond veel minder weerstand, terwijl dit toch de enige bovengrondse garage zou worden. Graafwerkzaamheden waren hier namelijk onmogelijk vanwege de vervuilde bodem, die in de jaren negentig was gestabiliseerd en geïsoleerd om de aanleg van het Griftpark mogelijk te maken.

Van meet af aan was het duidelijk dat de parkeergarage zou worden gecombineerd met woningbouw. De kans om op deze geliefde locatie, pal naast het gloednieuwe Griftpark, woningen te realiseren was uniek en een ontwikkelaarscombinatie diende zich dan ook al snel aan. Uiteindelijk nam ontwikkelaar SBO het wooncomplex voor zijn rekening, terwijl Aannemingsmaatschappij Hegeman in samenwerking met parkeerbedrijf Gemeente Utrecht verantwoordelijk werd voor de garage. UN Studio werd ingeschakeld als ontwerper. De directeur van SBO sprak daarbij de hoop uit dat het bureau hem een plaats in het Architectuur Jaarboek zou bezorgen.

Uit de breedte
Wat volgde was een proces van jaren waarin wel vijf verschillende ontwerpen in allerlei varianten de revue passeerden. In één daarvan werd naast de parkeergarage een rank torentje geplaatst van ca. 90 meter hoogte waarin op ingenieuze wijze een reeks luxe, driezijdige appartementen was opgenomen. Het ontwerp werd echter afgekeurd op grond van zijn hoogte waarmee het de Dom te veel concurrentie zou aandoen. Ook een volgend ontwerp met twee lagere torens van ca. 70 meter haalde het niet. Uiteindelijk werd gekozen voor een aanzienlijk lager en compacter complex.

Gezien de context van de locatie had de gemeente inmiddels een maximale bouwhoogte van 21 meter voorgeschreven, afgeleid van het naastgelegen complex van Hooghiemstra. Om het stevige programma van 60 woningen toch te kunnen realiseren waren de ontwerpers genoodzaakt om datgene wat niet uit de hoogte kon komen uit de breedte te halen. Het definitieve ontwerp werd daarmee een fors stedelijk woonblok, dat, gecombineerd met de bovengrondse parkeergarage met ca. 800 m2 bedrijfsruimte en een complex met poortwoningen, de Blauwe Grift werd gedoopt.

De parkeergarage is een betonnen volume van vier lagen, gesitueerd aan de westzijde. De ontwerpers besteedden veel aandacht aan de inpassing in de omgeving. De entrée bevindt zich aan de Wittevrouwensingel, waar twee bestaande panden plaats maakten voor een nieuw poortcomplex met drie appartementen. De poort verleent automobilisten toegang tot de garage die door zijn ligging op het binnenterrein grotendeels aan het oog is onttrokken. De venstervormige openingen ten behoeve van de ventilatie verlenen de garage ook een wat vriendelijker uitstraling die goed past in de omgeving met woningen en een park. Aan de uiterste westkant is een strook gereserveerd voor bedrijfsruimte zodat het complex hier aansluit op het werkmilieu van Hooghiemstra.

Het woongebouw bevindt zich grotendeels aan de parkzijde en strekt zich voor een deel uit over de parkeergarage. In het complex werden twaalf zeer verschillende typen woningen ondergebracht die in oppervlakte variëren van 66m2 tot 215m2. In het bouwdeel aan het park liggen de kleinere woningen op de eerste drie verdiepingen aan weerszijden van de middengang. Vanaf de vierde verdieping zijn de woningen hier tweezijdig zodat bewoners kunnen profiteren van het licht en uitzicht aan zowel de park- als de stadskant. In het bouwdeel dat zich boven de parkeergarage uitstrekt zijn twee typen maisonnettes met ruime terrassen boven elkaar gesitueerd.

Groot en blauw
De Blauwe Grift manifesteert zich nadrukkelijk in zijn omgeving. De ontwerpers stelden zichzelf ten doel het Griftpark op deze plek van een monumentale wand te voorzien. Door het toepassen van inpandige balkons werd het mogelijk een strak bouwvolume te maken dat vervolgens volledig met blauw glas werd bekleed: transparant glas voor de vensters, transparant met zeefdruk voor de borstweringen en translucent met zeefdruk voor de dichte muurvlakken en vloervelden. De zeefdrukken op het glas zijn in twee lagen aangebracht. De ondergrond is een groot patroon van cirkels dat -curieus genoeg- is afgeleid van het beeld van zich vermenigvuldigende bacteriën. Eroverheen is een simpel noppenpatroon gedrukt. Op zijn open locatie aan de parkrand is de Blauwe Grift al van ver te zien. De gelaagde print op de glazen gevel zorgt ervoor dat het gebouw van verschillende afstanden op verschillende manieren wordt beleefd: eerst het blauw, dan de noppen en tot slot het grotere cirkelpatroon.

De Blauwe Grift onderscheidt zich van veel andere binnenstedelijke nieuwbouwcomplexen doordat het zich slechts in beperkte mate voegt in zijn context en toch vooral nieuwe context maakt. Wie op dit moment gaat kijken op de bouwplaats, waar op 13 mei jl. het hoogste punt werd bereikt, krijgt een redelijke indruk van de impact van het complex. Utrechts obsessie met bouwhoogtes wordt hier op opmerkelijke wijze gerelativeerd. Wat niet uit de hoogte komt, moet immers uit de breedte en de lengte worden gehaald. Het resultaat is een complex dat de Dom weliswaar geen concurrentie aandoet maar door zijn maatvoering wel zijn directe omgeving laat krimpen.

De Blauwe Grift is zeker geen voorzichtige invulling met respect voor schaal en materialen van het bestaande weefsel. Het is een zelfbewust architectonisch gebaar dat door zijn omvang en kleur, de omgeving in een nieuw perspectief plaatst. Nu maar kijken wat de redactie van het Architectuur Jaarboek er van vindt.

Sjarel Ex vertrokken

Utrecht is de verbijstering nog steeds niet te boven. De directeur die haar Centraal Museum omtoverde tot een vlot tentoonstellingshuis en een relatief publiekssucces, die met het grootste gemak sponsors aan zich bond en beleidsmatig ongeveer alles waarmaakte wat de politiek voorschreef, vertrok naar Rotterdam. Een schok dus. Maar ook een mooi moment om vooruit te kijken. Want net als zo veel andere musea heeft ook het Centraal Museum te kampen met de vraag, waaróm het er is.

Jelle Bouwhuis

Hebben massamedia, pretparken, internet en vrijetijdscultuur de belangrijkste functies van het museum niet allang overgenomen? Voor het Centraal Museum lijkt deze vraag op het eerste gezicht minder relevant, omdat juist Ex zijn
museum met veel zwier de jaren negentig in voerde, weg van ideologie en dogmatiek, in de richting van spektakel en amusement.

De laatste jaren hebben de tentoonstellingen echter iets plichtmatigs. Ze geven wel antwoord op de vraag hoe het museum de concurrentie van de vrijetijdsindustrie tracht te pareren, maar de kunst verdwijnt steeds verder achter het geweld van de kekke tentoonstelling die dienstbaar is geworden aan de regels van de beleveniseconomie. Dat ook de kunst zelf zich kan
verhouden tot bijvoorbeeld de opkomst van de informatietechnologie en de veel indringender (want ideologische getinte) gebeurtenissen rond 9/11, is vandaag de dag een boeiender uitgangspunt. Het spektakelmuseum oogt daarbij als een vlakke tentoonstellings- en marketingmachine.

Een museum dat ervan uitgaat dat kunst in de westerse samenleving staat voor non-conformisme, subversiviteit, individuele expressie en meer van dergelijke waarden, kan een confrontatie met een bloeiende webcultuur niet uit de weg gaan, laat staan een samenleving negeren waarin weer steeds meer sprake is van elkaar bestrijdende ideologieën. Met een gesloten museale praktijk kom je dan ook niet ver meer. Veel musea beroepen zich in dat kader nog steeds op de kunsthistorische discipline die tot steeds gedetailleerdere studies leidt. Ze zijn nuttig en noodzakelijk voor het museumwerk maar ze bieden weinig soelaas in het warrige tijdsgewricht waarin we nu verkeren.

Het museum van vandaag zal een veel actievere dialoog aan moeten gaan met de samenleving en daartoe kunst moeten inzetten die oog heeft voor de zaken en de media die nu belangrijk zijn. Dat betekent wellicht ook de terugkeer van een zeker ideologisch streven. Maar één ding is zeker: de tijd van het lege spektakel is voorbij.

Jelle Bouwhuis is Kunsthistoricus en onder meer werkzaam bij Stedelijk Museum Amsterdam

Het Muziekpaleis

Architect Herman Hertzberger maakte in opdracht van het Projectbureau Ontwikkeling Stationsgebied een haalbaarheidsstudie voor het Muziekpaleis, dat het bestaande Muziekcentrum Vredenburg gaat vervangen. Dit is een gebouw van internationale status, ontworpen door dezelfde architect. Bij de uitwerking van het voorlopige ontwerp van het nieuwe gebouw zullen ook andere bureau’s worden betrokken. Het Muziekpaleis biedt straks onderdak aan het SJU jazzpodium, popcentrum Tivoli en het Muziekcentrum Vredenburg. Hertzberger presenteerde in maart 2004 een enorme hoeveelheid van mogelijke varianten.

Mascha van Damme

In het uiteindelijke ontwerp wordt de veel geprezen grote zaal gehandhaafd. Aan de grote zaal grenzende volumes worden er voor een deel ‘afgepeld’. De kleine zaal met aangrenzende volumes gaat geheel weg. Over de grote zaal wordt een constructieve ‘tafel’ geplaatst, waarop een aantal felgekleurde dozen wordt gestapeld met daarin de verschillende andere zalen, onderling verbonden met een brede trappartij. Het geheel wordt gevat in een transparante huls. Op het dak is de mogelijkheid om een terras in te richten.

Aan de Catharijnesingel komt een grote ingang met een horecagelegenheid en een terras dat doorloopt tot aan het water. Vanaf de begane grond verbindt een roltrap de niveaus onder en boven de ‘tafel’. Vóór de doorzichtige doos, aan de singelkant bij het kruispunt, komt een extra verzonken volume te liggen, dat is gereserveerd voor poppodium Tivoli. Enkele tientallen meters verderop langs het water, ter hoogte van de huidige V&D, duikt een verkeersingang voor laad- en loswagens de grond in naar een ondergronds laadperron voor alle zalen. Op deze manier worden de huidige problemen met de aan- en afvoer van apparatuur voor zowel Tivoli als het Muziekcentrum opgelost zodat er grotere bands geprogrammeerd kunnen worden.

De verbouwing moet in 2006 beginnen. Omdat een prijskaartje voor het Muziekpaleis nog ontbreekt, hebben politici en de media twijfels over de haalbaarheid van het plan. De studie roept ook vragen op over de aansluiting op het plein Vredenburg en de uiteindelijke keuze in kleur- en materiaalgebruik die het aanzicht van het plan in grote mate zal bepalen.

De Wall

GELUIDSWAL ANNEX WINKELCENTRUM

De laatste twintig jaar heeft er een ware bouwexplosie plaats gevonden langs de Nederlandse snelwegen. Alle uitspraken van de plaatselijke welstandscommissies ten spijt, leek de productie van gelijkvormige blokkendozen, goed bedoelde ‘onder architectuur gebouwde’ bedrijfsonderkomens en opzichtige niemendalletjes langs de snelwegen niet te stoppen. Rijkswaterstaat zette geluidsschermen neer en onafhankelijk hiervan werden de strips langs de snelwegen ontwikkeld. Aan de A2 bij Leidsche Rijn komt hierin verandering. De twee aparte opgaven zijn hier opgevat in één gebaar. Zowel de voorbij razende automobilist als de bewoners en gebruikers achter de schermen, kunnen uitzien naar een spectaculaire en functionele oplossing van Frank Verheijen. De grijze, betonnen geluidsschermen van Rijkswaterstaat zijn passé. De voorbij razende automobilisten worden in de toekomst visueel geprikkeld.

Machteld Kors

De ervaring van de met 120km/u passerende automobilist is als uitgangspunt genomen voor de beleving aan de snelwegzijde. Volgens Frank Verheijen is rood de kleur ‘des snelwegs en des auto’s’. Achter het geluidsscherm hebben de bewoners van de aangrenzende wijk evenzeer profijt van de toekomstige aanbouw. De Wall biedt de bewoners een per auto zeer goed toegankelijk winkelcentrum dat geïntegreerd is met een geluidsscherm waar ze anders alleen maar tegen aan hadden moeten kijken. Kortom een win-win situatie. De welstandcommissie was bang dat het gebouw ‘De Wall’ door zijn rode kleur te veel aandacht zou opeisen. Volgens architect Frank Verheijen was rood de enige optie. Er was wat overredingskracht en visueel geweld voor nodig, maar de welstandscommissie is uiteindelijk overtuigd: ‘mooi rood is niet lelijk’.

Op 4 februari van dit jaar ging de commissie definitief akkoord met het ontwerp van Fons Verheijen voor het 800 meter lange geluidsscherm annex winkelcentrum langs de A2. Het ontwerp dat als een Ferrari-rood, golvend lint langs de snelweg komt te liggen, zal vanaf begin 2005 als geluidswering dienen voor de achterliggende woonwijk Terwijde en de bedrijventerreinen Wetering Noord en Zuid. In 2007 zal de geluidswal integraal zijn uitgebreid met een winkelcentrum, een bouwmarkt, een discotheek en een sporthal. Het gebouw zal tezamen met het ‘Cockpitgebouw’ van Kas Oosterhuis de nieuwe entree vormen van de stad Utrecht.

Paviljoen Julianapark

In het onlangs heropende Julianapark zijn de paden, perken en groenpartijen vernieuwd, kwamen andere banken en prullenbakken, is eindelijk een werkende fontein in de grote vijver en werden nieuwe dierenverblijven gebouwd. De speeltuin is op de schop gegaan en de kruidentuin heeft plaats gemaakt voor een monumentale muur. Het meest ingrijpend en tegelijkertijd interessantste onderdeel van de opknapbeurt is het nog in aanbouw zijnde multifunctionele paviljoen. Naast openbare toiletten moet het onderdak bieden aan de medewerkers van de dierenweide en de jeu-de-boules- en hardloopvereniging. Tevens zal het gebruikt worden bij muziekuitvoeringen, festivals en theaterevenementen. De gemeente koos uit drie ontwerpen het plan van Versseput Architecten. Hoewel het paviljoen pas half juni klaar is, kan nu al met zekerheid gezegd worden dat deze keuze getuigt van stijl.

Machteld Kors

Het paviljoen van Versseput Architecten is archetypisch, zoals het beroemde Duitse paviljoen dat Mies van Rohe ontwierp voor de Wereldtentoonstelling in Barcelona (1929). De typologie wordt gekenmerkt door een open, ruimtelijke organisatie, grote glasgevels en een eenvoudige constructie opgebouwd uit kolommen en liggers. Door de eenvoud en transparatie van een dergelijke architectonische opbouw harmonieert het gebouw optimaal met een groene omgeving.

De variant van Versseput Architecten is opgebouwd uit beton, hout, zink, glas en staal. Het paviljoen is zodanig gesitueerd bij het speelterrein, dat het slechts aan één zijde toegankelijk is. Er is gekozen voor een overkapping op vier kolommen. De binnenruimten zijn als losse doosjes onder het platte dak geschoven. De functionele binnenruimten die geen uitzicht behoeven, zoals de sanitaire ruimten en opslag, zijn aan de dichte zijde gesitueerd. De open zijde wordt gekenmerkt door grote glazen puien die de lichtinval optimaliseren. Op de glazen gevel zijn haaks houten panelen geplaatst om, naar zeggen van Peter Versseput, een ‘besloten sfeer’ te creëren. De noodzaak daarvan is discutabel want juist transparantie en openheid zijn de kwaliteiten van een paviljoen als dit. Half juni is het gebouwtje af en is de renovatie van het Julianapark voltooid. Dit park is anno 2004 in landschappelijke en architectonische zin een fantastisch voorbeeld van eclecticisme, een stijl waarbij het béste uit verschillende stijlen wordt gecombineerd.

OV Terminal Utrecht

Architectenbureau Benthem Crouwel, ontwerper van de OV terminal van Schiphol, heeft een ontwerp gemaakt voor een nieuwe station in Utrecht. Verwacht wordt dat straks tweeënhalf maal zoveel passagiers als op Schiphol gebruikmaken van de terminal in Utrecht, omdat het straks aan het traject van de toekomstige Hoge Snelheidslijn richting Duitsland en Frankrijk zal liggen.

Mascha van Damme

De terminal krijgt de vorm van een langgerekte platte doos met glazen zijwanden en een golvend aluminium dak (met de bijnaam ‘opengesneden loempia’) die over de sporen en de busplatforms heen ligt. In het dak worden op gezette plaatsen ‘sneden’ gemaakt die ervoor zorgen dat er ook midden in de hal daglicht binnen komt en het aanzicht van het dak voor de omliggende hoogbouw een aantrekkelijk beeld omlevert.

Binnen wordt de hal zo vrij mogelijk gehouden. Alle winkels in de hal komen in een lange strip langs de noordzijde (de kant van het Smakkelaarsveld) achter glazen wanden. Aan de zuidzijde van de hal komen wachtruimtes. De perrons voor zowel de bussen, de trams en de treinen liggen evenwijdig aan elkaar op hetzelfde verhoogd niveau zodat het station één geheel wordt en er, grotendeels onder en gedeeltelijk naast de busperrons, stalruimte vrijkomt voor ruim 17.000 fietsen. Met hetzelfde principe als de toegang naar de sporen in Schiphol worden in Utrecht toegangen naar de bus-, spoor – en tramperrons ontworpen, twee per perron; één met een lift en één met (rol)trappen. Aan de noordzijde van het station komt een busbuffer waar bussen die op dun dienst moeten wachten kunnen parkeren. De toegang komt aan de Van Sijpesteinkade waarvoor de bestaande huizenrij wordt gesloopt, met uitzondering van de monumentale panden nr. 23 en 25 die deze entree naar het station zullen flankeren.

Infrastructureel in het plan goed uitgewerkt, maar onduidelijk is nog hoe de façades aan jaarbeurskant en aan de zijde van de oude binnenstad worden vormgegeven. Vooral de laatste is afhankelijk van onderhandeling met Hoog Catharijne-eigenaar Corio. Ondanks de vrije en ruime opzet van de hal, krijgt het plan kritiek over de verbinding (de stadsboulevard in het masterplan) die beide stadsdelen met elkaar moet verbinden. Een strengere controle van de NS op stations kan deze wel eens minder openbaar maken dan de bedoeling is.

Dag van de Architectuur 2004

Op zaterdag 3 juli staat heel Nederland weer in het teken van architectuur. In Utrecht wordt dit groots gevierd in hightech kantoren- en bedrijvenlocatie Papendorp te Leidsche Rijn. ‘Achter de schermen’ is het thema van de Dag van de Architectuur Utrecht 2004. Speciaal voor deze dag openen bedrijven in Papendorp eenmalig op zaterdag hun deuren voor publiek. Een kans bij uitstek om architectuur van gerenommeerde kantoren zowel van binnen- als van buiten te zien.

Achter de schermen
Uitgangspunt is alles wat zich in letterlijke en figuurlijke zin achter de architectuur, stedenbouw en het landschap schuil houdt. Bezoekers kunnen daadwerkelijk achter de schermen van de gebouwen kijken, waarbij een gebruiker of architect een uitgebreide rondleiding zal geven. Het centrale punt is het servicegebouw Klaver 4 van waaruit het parkmanagement van Papendorp gaat fungeren. Deze spil in het parkmanagement, vormt ook de spil tijdens de Dag van de Architectuur Utrecht 2004. Vanuit dit punt kunnen bezoekers routes verkennen en andere gebouwen aandoen te voet, per fiets of bus. Dit zijn onder meer IPMMC Vastgoed, Kaiser advocaten & belastingadviseurs, DaimlerChrysler Nederland, Grontmij Real Estate, Mazars Paardekooper Hoffman, de Monitor en SMOL Kinderdagverblijf.

Papendorp
Vanaf de Prins Clausbrug, die sinds vorig jaar de verbinding vormt tussen het oude stadsdeel van Utrecht en Leidsche Rijn, heb je een compleet overzicht van de nieuwe hightech kantoren- en bedrijvenlocatie Papendorp in Leidsche Rijn. Papendorp is een buitengewoon bedrijventerrein bekend om de uitstekende centrale ligging in Nederland, de goede bereikbaarheid, de hoogwaardige uitstraling en de gezamenlijke aanpak van parkmanagement. Het wordt nu al het ‘Mini Silicon Valley’ van Nederland genoemd vanwege de toonaangevende bedrijven in de informatie- en communicatietechnologie die zich hier vestigen.

Expositie, de Monitor en wat er gebeurt achter de brug
Neem een kijkje binnen de ovale muren van DaimlerChrysler, te herkennen aan het enorme wiel op het dak. In de ontvangstruimte is een presentatie van UN Studio, winnaar van de internationale prijsvraag voor het nieuwe Mercedes-Benz Museum. De nieuwste Mercedesmodellen in alle prijsklassen zijn hier te bekijken.

En wie staat er niet in de file in Nederland of wordt geconfronteerd met het alom bekende ‘werk aan de weg’ op de snelweg? Dan zijn daar altijd de vertrouwde digitale informatieborden die ons vertellen hoeveel kilometer file er staat, en hoe hard we mogen rijden. Dit wordt centraal geregeld vanuit het Verkeerscentrum Ouderijn van Rijkswaterstaat, in de volksmond ook wel ‘de Monitor’ genoemd. Kom kijken achter de schermen van hét beeldscherm van Nederland.

Voor kinderen van 8 tot en met 12 jaar is er een speciaal kinderprogramma. Zij kunnen meedoen aan de workshop ‘Achter de schermen van de brug’. In navolging van Ben van Berkel, architect van de Prins Clausbrug, ontwerpen zij een eigen brug. De workshop wordt twee keer per dag gegeven.