Woord en werk / Wiel Arets ontwerpt nieuwe universiteitsbibliotheek Utrecht

Wiel Arets (1955) is de architect van de nieuwe universiteitsbibliotheek op de Uithof die in de loop van 2004 gereed zal zijn. Tijdens zijn afscheid als decaan van het Berlage Instituut in september 2002, zei hij dat in een tijdperk waarin mensen communiceren via verschillende media, in niet fysieke ruimten, het de verantwoordelijkheid van architecten is om werkelijke ruimten voor de fysieke en directe communicatie tussen mensen te maken. Een dergelijke uitspraak is typerend voor de gedachtegang van Arets en zijn opvattingen zijn ook terug te vinden in het ontwerp voor de universiteitsbibliotheek in Utrecht (UBU). Arets neemt op zowel theoretisch gebied als in zijn ontwerpopgaven conflicterende aspecten als uitgangspunt. In de opgave voor de UBU werd het conflict gezocht in de opslag van een veelheid aan boeken in een tijdperk van digitalisering. Ook was hij gefascineerd door het gegeven dat communicatie in een bibliotheek niet is toegestaan, terwijl het een belangrijke sociale ontmoetingsplaats is. Het werk van Wiel Arets fascineert, het stoot af en het trekt aan.

Machteld Kors

Woord
Tijdens het tienjarig jubileum van Post Planjer wordt de functie van een lokaal architectuurtijdschrift onder de loep genomen. In hoeverre leveren architectuurtijdschriften een bijdrage aan een kritische houding ten opzichtte van de gebouwde omgeving? Is er in de tijd van internet nog behoefte aan architectuurtijdschriften? Wiel Arets ziet architectuurtijdschriften als een belangrijke bron van invloed op het architectonische debat. Onderwijsinstellingen zoals het Berlage Instituut zijn volgens hem centra van architectonische cultuur, de plek waar het debat moet plaats vinden en waar de tijdschriften gemaakt moeten worden.

In navolging op belangrijke tijdschriften als De Stijl en later De 8 & Opbouw, richtten Wiel Arets en Joost Meuwissen in 1986 het tijdschrift Wiederhall op, waarvan de laatste uitgave verscheen in 2002 (TU Eindhoven). Door het uitgeven van een eigen tijdschrift waren zij in staat zich te onttrekken aan de druk van deadlines en het noodzakelijkerwijs rekening houden met de interesses van anderen. In Wiederhall werden thema’s behandeld die hun eigen interesses vertolken. Door kunst en andere relevante onderwerpen in het tijdschrift op te nemen, ontstond een platform waar discussies losbraken en ideeën werden uitgewisseld.

De docentschappen, ideeën en theorieën van Wiel Arets hebben een belangrijke rol binnen het internationale architectuurdebat. Uit verschillende stukken die hij heeft geschreven, zoals An Albaster Skin (1991) en Virological Architecture (1994), blijkt zijn fascinatie voor boeken. Hij bestudeerde onder andere teksten van de dichter Paul Valéry en de filosofie van Gilles Deleuze. Desondanks moet er volgens Arets geen directe relatie gelegd worden tussen zijn theorieën en de praktijk. Hij werkt van project tot project en ziet de context in brede zin als basis voor het ontwerp (1). Met de ontwerpopdracht voor de universiteitsbibliotheek heeft hij evenwel de mogelijkheid gekregen een architectonische ruimte te ontwikkelen waar communicatie, architectuur(theorie) en boeken samenvallen.

Werk
De discussie over architectuur heeft aldus Arets geen directe invloed op zijn werk, omdat de thematiek van een discussie net zo geregeld verandert als de context van een opgave. Desondanks heeft hij uitgesproken opvattingen over de uitwerking van een project. Zijn gebouwen moeten bij voorkeur geschikt zijn voor meerdere programma’s. Abstrahering is daarbij een belangrijk hulpmiddel, zonder het ontwerp te laten vervallen in een nietszeggend, flexibel bedrijfsgebouw. Het gaat erom dat een verandering van gebruik niet direct een aanpassing zou hoeven impliceren.

In de context van de stad lijken zijn ontwerpen in eerste instantie een conflict aan te gaan met de directe omgeving. Arets streeft niet naar inpassing, hij vindt dat ontwerpen sterk en intelligent genoeg moeten zijn om de invloed van omgeving en gebruikers te kunnen weerstaan. Zijn gebouwen worden gekenmerkt door sterke grafische belijningen, nadrukkelijke geometrische vormen, uitgesproken materiaalgebruik en een afwisseling van gesloten, translucente en transparante volumes. Zijn werk wordt door critici ook wel getypeerd als het Nieuwe Minimalisme (2). Bekende projecten van Wiel Arets zijn onder andere de Academie voor Kunst en Architectuur in Maastricht, het AZL Pensionfund hoofdgebouw in Heerlen en de Appartemententoren op het KNSM-eiland in Amsterdam.

Open en gesloten
Met de staat van dienst die Arets in de loop der jaren heeft opgebouwd mocht een ontwerp van hem niet ontbreken in de architectuurshowroom op de Uithof. Hij kreeg in 1997 de opdracht voor het ontwerpen van een centrale universiteitsbibliotheek die in nieuwe huisvesting zal voorzien van de huidige UB op de Wittevrouwenstraat, de Bibliotheek Centrum Utrecht (BCU) uit het Van Unnickgebouw en de boekdepots van de BCU in Overvecht. De nieuwe universiteitsbibliotheek heeft een totaal vloeroppervlak van vijfentwintigduizend vierkante meter, zal plaats bieden aan ruim vier miljoen boeken en heeft beschikking over driehonderd studieplekken.

Het ontwerp bestaat uit een rechthoekig glazen volume met een grondvlak van honderd bij zesendertig meter. Het meest opvallende zijn twee grote depots, die als zware gesloten volumes in het gebouw lijken te zweven. Het ene depot bevat materiaal van voor het jaar 1900, het andere materiaal van na 1900. Rondom deze twee hoofdvolumes bevinden zich de circulatieruimte en de (publieke) voorzieningen, waaronder vijf leeszalen, een aula annex expositieruimte en kantoorruimte voor de medewerkers. Door een afwisseling van open en gesloten, licht en donker en leegte en massa, is er binnen het enorme, rechthoekige, glazen volume een grote ruimtelijke diversiteit.

Zoals in eerder werk van Arets, vormt in deze opgave een tegenstelling het uitgangspunt voor het ontwerp. In zowel de locatie als in het programma komt de tegenstelling tussen openheid en geslotenheid expliciet naar voren. De locatie op de Uithof, naast het Centrumgebouw-Zuid, wordt getypeerd door weids groen enerzijds en verdichting anderzijds. Arets haalt in zijn ontwerp het weidse groen naar binnen, door delen van het gebouw open te breken en een soort binnenhoven te creëren.

Op de glazen gevelpanelen is een foto van gebladerte gezeefdrukt. Eén beeldfragment wordt daarin oneindig vaak herhaald, waardoor het net zo wordt geabstraheerd als een beeldmotief in bijvoorbeeld de werken van Andy Warhol. De afdruk maakt de glazen gevel gesloten en laat het gebouw zo aansluiten bij de verdichting van de omliggende gebouwen op de Uithof. De gevelprint fungeert tevens als zonnewering. Het is de eerste keer dat Arets een dergelijke figuratieve print gebruikt voor een gevel. In eerdere projecten worden de gevels gekenmerkt door een sterk grafisch patroon, het betrof dan rasters zonder een herkenbare afbeelding.

Ook in het programma heeft Arets het conflict tussen open- en geslotenheid als uitgangspunt genomen. Vijftig procent van het programma wordt ingenomen door opslagruimte waar slechts vijf procent van de gebruikers van het gebouw werkzaam is. De opslag van boeken en andere lichtgevoelige materialen vereist gesloten ruimtes, terwijl alle overige ruimtes juist daglicht behoeven. In tegenstelling tot de traditionele methode waarbij de opslagruimte wordt verschoven naar de kelder of in een toren, heeft Arets de opslagruimte juist een prominente plaats gegeven. Door de depots in het gebouw te laten zweven, verbindt Arets ook de overige vijfennegentig procent van de gebruikers met de opgeslagen boeken. Boven op de twee depots bevinden zich grote leeszalen, met een mooi uitzicht over De Uithof en omstreken. De integratie van leeszalen, kantoren en depots is opgelost door de open- en geslotenheid te benadrukken en zo een duidelijke structuur aan te brengen.

Sociale ontmoetingsplaats
Door de ruimtelijke aanpak van Arets, is het volgens de bibliothecaris van de universiteit, drs. J.S.M. Savenije, een zeer publieksvriendelijke bibliotheek geworden. Een bibliotheek moet volgens Arets in de eerste plaats een gebouw zijn waar mensen graag naartoe gaan en waar het personeel graag werkt. Hoewel er over elk nieuw publiek gebouw gezegd wordt dat het een sociale ontmoetingsplaats moet zijn, vervult de bibliotheek van oudsher een dergelijke functie. Praten is echter niet toegestaan in de studiezalen waardoor de non-verbale communicatie extra wordt gestimuleerd – en door eenieder vrij geïnterpreteerd.

Arets was gefascineerd door dit gegeven. De grote studiezalen zijn dan ook ruimtelijk met elkaar verbonden om mogelijkheden te bieden voor terloopse blikken en het uitwisselen van veelbelovende gezichtsuitdrukkingen. Het is de vraag of de bibliotheek vervolgens ook uitnodigt tot de verbale voortzetting hiervan, of dat de studenten en onderzoekers dan hun weg zoeken naar de Basketbar aan de overkant van de straat. Het begint er in ieder geval op te lijken dat de Uithof in de nabije toekomst een daadwerkelijk bruisend centrum krijgt.

Aantrekkingskracht
Het eerder gerealiseerde werk van Arets is herkenbaar en in eerste instantie afstotend. De robuuste, kille materialen en compromisloze oplossingen vormen binnen de context van de stad een duidelijk statement. Met name bij publieke gebouwen, zoals de Academie in Maastricht, is Arets niet op zoek naar het creëren van geborgenheid en knusheid in de stad. De uiteenlopende geometrische vormen en grafische gevelmotieven vormen een geabstraheerde werkelijkheid. Deze abstractie vormt nu juist ook de aantrekkingskracht in zijn werk: de gebouwen zijn oprecht, duidelijk en dwingend in hun eenvoud.

De universiteitsbibliotheek eist net als zijn eerdere werk een uitgesproken plek op binnen de structuur van de Uithof. Het ontwerp onderscheidt zich echter in het feit dat de mate van abstractie en geometrische eenvoud in het exterieur niet zo sterk naar voren komt. De bibliotheek is een simpele glazen doos, waarbinnen een structurele onderverdeling is aangebracht. De figuratieve gevelprint heeft niet de robuuste uitstraling van de geometrische rasters in de uit glazen bouwstenen opgebouwde gevels. De kracht van duidelijk onderscheiden volumes heeft in het ontwerp van de UBU plaatsgemaakt voor slechts één simpel bouwvolume. Als het ontwerp helemaal gerealiseerd is, kan beoordeeld worden of het ontwerp dezelfde paradoxale uitwerking heeft als Arets’ eerdere projecten…

NOTEN:
1. Janny Rodermond, Monumenten voor een nieuwe tijd, de Architect, mei 2000, p.48 – p. 59
2. Josep Maria Montaner, Wiel Arets: European Architecture after postmodenism, El Croquis, nr. 85 1997

Kantoren en radijsjes / het multifunctionele volkstuinencomplex Groenewoud

In Papendorp wordt in opdracht van het Projectbureau Leidsche Rijn het volkstuinpark Groenewoud ontwikkeld naar ontwerp van West 8. Bij de aanlanding van de nieuwe Prins Clausbrug komen sportvelden en 150 volkstuintjes die acht bescheiden kantoorvilla’s omgeven. Voor het complex is een prototype tuinhuisje ontwikkeld, dat zelfs door de Welstandscommissie werd beoordeeld. Het volkstuincomplex maakt deel uit van een groter plan voor de ontwikkeling van Papendorp. De eerste tuinen werden medio juni 2003 opgeleverd en ook de eerste kantoorvilla is inmiddels verrezen.

Mascha van Damme

Groenewoud is een deelgebied van het stedenbouwkundig plan Papendorp. Sinds vorig jaar geeft de nieuwe Prins Clausbrug vanaf het Utrechtse centrum toegang tot dit gebied, dat eerst alleen via de A12 bereikbaar was. Groenewoud ligt in het hart van Papendorp, naast de brug en aan het kanaal. De bestaande dijk die de polder diagonaal doorsnijdt, blijft gehandhaafd als fietsroute. Aan de dijk wordt een aantal kleine kantoorvilla’s gebouwd en direct naast de brug is plaats voor een voetbalvereniging en een kinderdagverblijf.

Een openbaar toegankelijke, doorgaande wandelroute fungeert als verbindende schakel in het tuinenpark. In de toekomst zullen de tuinen aan weerszijden van de route door een ligusterhaag worden begrensd. Alle volkstuinen zijn vanaf deze route toegankelijk via een poortje in de haag. Wanneer de haag wordt afgewisseld door een sloot, vormt een simpel bruggetje de toegang naar de tuinen. De sloten zijn er al, maar van de ligusterhaag en de toegang is alleen het rode hekwerk van de poort zichtbaar. Pas volgend seizoen zal de begroeiing hier een heel ander aanzicht bieden.

In de tuinen staan momenteel enkele huisjes op een kaal stukje land. Het zijn niet zomaar Gamma-huisjes, maar huisjes die vallen onder de noemer ‘architectuur’. Althans, dat is wat Projectbureau Leidsche Rijn voor ogen staat. Het terrein wordt omringd door hoge, grootschalige kantoorgebouwen, waar met de architectuur flink wordt uitgepakt. Opvallend is het hoofdkantoor van Cap Gemini Ernst & Young, dat werd ontworpen door Frits van Dongen van de Architecten Cie. De tuinhuisjes sluiten volgens het plan aan bij deze hoogwaardige architectuur.

De architectonische opgave van het volkstuinhuisje
Alle nieuwbouw voor het deelplan voor Papendorp wordt door de Welstandscommissie Leidsche Rijn beoordeeld. Aangezien de tuinhuisjes onderdeel uitmaken van Papendorp, worden ook deze door de commissie beoordeeld. Maar ook de tuinders hebben inspraak. Het ontwerp voor het tuinhuisje heeft hierdoor nogal wat voeten in de aarde. Wim Kloosterboer van Made architecten (oorspronkelijk bij West 8 werkzaam) maakt voor Groenewoud verschillende varianten op het volkstuinhuisje. Zijn eerste ontwerp is bescheiden maar doordacht: een houten kubus waar ruimtes voor voorzieningen als een keuken, douche, kast of serre aangehangen kunnen worden. Daarbij was het uitgangspunt dat volkstuinders over het algemeen fanatiek aan hun huisje knutselen om er een eigen stempel op te drukken. Alles was bij dit ontwerp in principe mogelijk op kleine schaal, zelfs een kas op het dak.

De tuinders lopen voor dit ontwerp echter niet bijzonder warm, dus werkt Wim Kloosterboer een eerder experiment uit, waarbij ruim gebruik wordt gemaakt van zeildoek. Het huisje werkt daardoor als een strandtent of een huifkar dat bij vertrek wordt dichtgeregen en bij aankomst fris en licht kan worden open gezet. Het zeildoek kan met elk gewenste print bedrukt worden, van ingetogen camouflagekleuren tot een opzienbarend kleurenfeest. Het is volgens de tuinders allemaal te frivool en niet passend voor de rustige sfeer op de tuinen.

Uiteindelijk heeft West 8 een ontwerp ingediend waar de tuinders zich in kunnen vinden en dat door de commissie is goedgekeurd. Traditioneel uitgevoerd met een zadeldak, een regenpijp en ruimte voor een waterton, verschilt het huisje in niets van de huis-, tuin- en keukenhut van het tuincentrum. Omdat de prijs echter weldegelijk verschilt, kent het Projectbureau Leidsche Rijn tot 2006 een aankoopsubsidie toe. Het is een gemiste kans voor Papendorp als je bedenkt dat veel architecten, onder wie zelfs Le Corbusier, in hun vrije tijd op een tuinhuisje hebben gepuzzeld. Dat leverde heel verrassende ontwerpen op.

Eén van de acht
De eerste van de acht kantoorvilla’s staat er in tegenstelling tot de tuinhuisjes fier bij: klassiek op een taps toelopende plint van gestapelde leistenen. Deze verhoging is oorspronkelijk voor de parkeerruimte bedoeld, maar de ruimte wordt nu ingenomen door een kelder. Daarboven worden de gevels gevormd door grote ramenvlakken die over twee verdiepingen doorlopen en verticaal worden gescheiden door witte, ronde, aluminium kolommen. De zware, witte, betonnen dakrand geeft de glazen pui met een grote overstek het nodige gewicht. Op het dak bevindt zich een glazen opbouw waarin de lunch- en receptieruimte is ondergebracht met een dakterras rondom en een mooi afgewerkte ruimte voor de techniek en ventilatie op de top. De vloer van de dakopbouw is van glas, zodat het daglicht via een smalle vide, die zich uitstrekt van het dak tot aan de begane grond, door kan dringen tot in het midden van het gebouw.

Aan het ontwerp van Cees Dam ligt een eenvoudige plattegrond ten grondslag met een stramien van drie bij drie meter. Alle zijden zijn gelijk, alleen de zuidgevel wordt onderbroken door een portaal met een donkergroene pui. De buurvilla heeft een zelfde vierkante opbouw maar is veel minder charmant. Het is een vrij donkere doos, die is bekleed met populaire, gemêleerde, donkere baksteen. Er is lichtjes met volumes gespeeld, zodat het gevaar bestaat dat wanneer de begroeiing van de omringende tuinen een volwassen hoogte heeft bereikt, de villa donker wegvalt. Het gebouwtje van Cees Dam zal er dapper bovenuit blijven steken.

Sociale controle
Het uitgangspunt bij de aanleg van Groenewoud is multifunctioneel ruimtegebruik. De tuinen zorgen ook na sluitingstijd van de kantoren voor leven in de brouwerij. In dit licht kan ook de nabijheid van de sportclub, met de onlosmakelijke kantine, worden beschouwd. Naast functioneel ruimtegebruik genereert levendigheid sociale controle en daardoor (een gevoel van) veiligheid. En wordt gehoopt dat de tuinders door alle beschouwers en de openbare toegankelijkheid, extra aandacht aan de verzorging van hun tuinen schenken. Als ik er een tuin had, zou ik deze evenwel dichtzetten met veel hoge bonenstaken en struiken en de ligusterhaag zo min mogelijk snoeien. Want was dat niet het idee van een volkstuin: een plekje om rustig te vertoeven, teruggetrokken van de medemens en sociale verplichtingen? Een plekje waar je soms stiekem een nachtje kunt verblijven, ver weg van de stadse drukte.

Brughuisje

Op de hoek van de Oosterkade en het Ledig Erf staat een opvallend mooi betonnen huisje. Samen met de bijbehorende basculebrug, verving dit brugwachtershuisje onder de naam de Vaartserijnbrug in 1931 de houten hulpbrug. Zo kon plaats worden geboden aan het toenemende verkeer van het Ledig Erf en de groeiende Rivierenwijk. De kademuren, de trap naar de kade en de brugkelder en betonnen landhoofden behoorden ook bij het ontwerp. Na jarenlange leegstand raakte het gebouwtje vervallen en werd een sloopvergunning verleend.

Mascha van Damme

Ondanks het gebrek aan elektriciteit en stromend water werd het huisje in juli 1988 gekraakt. De sloopvergunning werd gelukkig ingetrokken en twee jaar later werd de hele Vaartserijnbrug, inclusief het huisje, op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. Het huisje is gerestaureerd in de originele kleuren: grijze pleister met een opvallende rasterprint, een lichtgroen geverfde metalen deur, kleine rode scheepsraampjes aan de Vaartse Rijn kant en aluminiumkleurige kozijnen aan de brugzijde. Binnen vallen een kleine betegelde schouw en een aantal schilderijen op een schildersezels te ontwaren.

Het gebouwtje is geen dependance van de galerie op de hoek van de Gansstraat, maar een brugmuseumpje dat door de Dienst Stadsbeheer is ingericht. Op zaterdagen kun je de brugkelder bekijken waar een film over de restauratie van bruggen en nog enkele onderdelen van de machinerie te zien zijn.

Dichterswijk-West en Defensieterrein

Het complete voormalige Veilingterrein achter de Croeselaan en het defensieterrein, aan de westzijde van het Merwedekanaal, wordt getransformeerd tot woongebied. De belangrijke uitgangspunten bij de ontwikkelingsplannen zijn de verbindende rol van het Merwedekanaal, de voormalige Veilinghaven als historische haven, de Van Zijstweg als stedelijke invalsweg en voorts een hoge stedelijkheid die tot uitdrukking moet komen in de verkaveling van de woonblokken, de typologie van de woningen en de inrichting van het maaiveld.

Bettina van Santen

Het plan van Quadrat is integraal van opzet en wordt doorgevoerd tot in kleinste details zoals de beplanting en de materialisering van de plantenbakken. Opvallend onderdeel van het plan zijn de niveauverschillen. Het laagste niveau wordt gevormd door water met parkoevers en stadskaden. De openbare ontsluitingswegen van de woonwijk liggen op maaiveldniveau. Daarboven volgt het niveau van de gemeenschappelijke en semi-openbare terreinen en woonontsluitingen en tenslotte zijn op het hoogste niveau de buitenruimtes van de woningen gesitueerd.

Het woningaanbod varieert van starterswoningen tot zeer exclusieve appartementen. Het plan van Quadrat kende sinds 1997 wel enige bijstellingen, maar dat geldt met name voor het defensieterrein aan de westzijde van het kanaal. De aanleg van Dichterswijk-West (Parkwijk genaamd) voltrekt zich grotendeels volgens het oorspronkelijke plan. De architecten zijn onder meer Bob van Reeth, Robbrecht en Daem, Maccreanor & Lavington en Gulikers architecten. De woningen van Gulikers zijn recentelijk opgeleverd.

Schoolgebouw

Dit dorpsschooltje werd in 1933 gebouwd, toen Tuindorp nog bij Maartensdijk hoorde. Het bevatte zes lokalen. Met de recentelijk verjonging van de populaire woonwijk groeide het gebouw uit zijn voegen. Het schoolbestuur wilde nieuwbouw, de omwonenden vreesden voor aantasting van het typische Tuindorp-beeld.

Bettina van Santen

De oplossing werd – na langdurig overleg – gevonden in herbouw van de bestaande school, maar dan in vergrootte omvang. Dit was mede mogelijk door de extra ruimte aan de achterzijde, waar onder meer een gymnastieklokaaltje stond. Van Hoogevest architecten maakte een plan waarbij voor- en zijgevels bleven bestaan en daarachter ruimte werd gecreëerd voor 16 lokalen. Het van oorsprong eenlaagse schooltje werd tweelaags, onder een dak met dezelfde nokhoogte maar met een dubbele breedte. De oorspronkelijke ramen met stalen puien werden vervangen door dubbelglas in aluminium puien. Het profiel is met 28 mm. nauwelijks 3 mm. breder dan het oorspronkelijke stalen profiel, zodat het karakteristieke beeld gewaarborgd kon blijven.

Wie de voorgeschiedenis niet kent, maar wel het beeld van de school voor ogen heeft, zal in eerste instantie niet precies kunnen vertellen wat hier is gebeurd. Een intrigerende puzzel voor toekomstige bouwhistorici.

Woningbouw Westerdijk

Achter de Gamma aan de Oude Noord, het gebouw van Sociale Zaken en de bijbehorende parkeerplaats, verrijst een lange en vrij hoge, blinde, bakstenen muur, die een flatgebouwtje met acht verdiepingen toebehoort.

Jennifer Scholl

De flat wordt aan de Westerdijk ontsloten door een centrale hal. In tegenstelling tot de blinde zuidzijde, bieden grote ramen aan de noordzijde zicht op de Engelen van Pijlsweerdstraat. Naar achteren toe is op hetzelfde kavel een horizontaal bouwolume gerealiseerd met dubbele woningen. Verderop in de straat staat een rijtje laagbouwwoningen en bedrijfsruimten van dezelfde signatuur. In totaal gaat het om 28 woningen en 7 bedrijfsruimten.

De flat en de naastgelegen laagbouw zijn met elkaar verbonden door een trappenhuis. De twee bouwblokken delen een gemeenschappelijke tuin. De woningen op de begane grond van het lage deel hebben een eigen tuintje. Beide woningblokken en de gemeenschappelijke tuin zijn als één geheel door de architect ontworpen.

De flat wacht op nadere invulling van het parkeerterrein van Sociale Zaken. Tegen de blinde muur komt haaks op de Westerdijk en Otterstraat een parkeergarage met een kantorencomplex (ZZ+P), dat samen met de flat van Voorhoeve een nieuwe straatwand zal vormen. Het gebiedje heeft potentie, maar ziet er nu wat weggedraaid uit. Na voltooiing zal het hopelijk meer uit de anonimiteit treden.

BasketBar

De basketbar is een uitbreiding aan de zuidkant van de bestaande boekwinkel. De Uithof is hiermee eindelijk verrijkt met een echt stedelijke voorziening. Geen dorpsbar dus, maar een bar met allure. Dat wil zeggen, wat de buitenkant betreft.

Mascha van Damme

Nadat het verbod op woningbouw op het universiteitsterrein werd opgeheven en er duizend studenten konden worden gehuisvest, groeide de vraag naar een gezellige buurtkroeg. De studentenverenigingen hadden grote zeggenschap over het interieur van de nieuwe bar. In de inrichting buitelen daardoor twee ideeën over elkaar, de bruine kroeg-inspiratie van de studenten en de sfeer van Amerikaanse glamour die NL voor ogen stond. Alleen in de toiletten is de glamoursfeer in zuivere vorm te proeven.

Omdat de hoogte onvoldoende was om het café ‘grand’ te maken is de vloer 1,2 m. verdiept tot dezelfde hoogte als de bar. Hierdoor stap je bij binnenkomst op het donker houten barblad en is er een hellingbaan nodig voor rolstoelen. Deze is vormgegeven als een flitsende oranje skate-krul die tevens fungeert als hangplek. Op het grote, platte dak bleek voldoende ruimte voor een blauw basketbalveld. Een studentensport uit de Verenigde Staten die volgens NL de sport bij uitstek is voor een campus. De Basketbar won in november 2003 de Rietveldprijs.

Tussenruimte / Utrechtse ontwerpen van BAR Architecten

Bij het intypen van ‘bar’ en ‘architecten’ op de internetzoekmachine van Google, verschijnt er een tekstfragment over een Duitse student aan een vermaarde Londense architectuuracademie. Het was ochtend, hij stonk en kon zich de voorgaande nacht – dans, veel drank, en vervolgens barre omstandigheden – niet helder meer voor de geest halen. Zijn herinnering reikte slechts tot het begin van de avond, toen Daniel Liebeskind vijf woorden had uitgesproken ter ere van een winnend ontwerp en er een feest was losgebarsten in de stijl van de oude grieken. Reden temeer om koude regen en windvlagen – toeval?! – te trotseren voor een vraaggesprek bij BAR architecten, waarbij de betekenis van de naam van hun bureau overigens raadselachtig blijft. De architecten Klaas van der Molen en Joost Glissenaar lijken tegenovergesteld aan de Duitser. Zij spreken helder over hun werk en ontwerpen wars van stijl. Alhoewel, wie kent de ondoorgrondelijke connecties die het world wide web tot stand brengt?

Martine Bakker

Utrechtse architectuur
BAR Architecten werkte in haar vierjarig bestaan aan acht projecten in Utrecht. Het meest opvallende was de nieuwbouw voor Drukkerij Plantijn- Casparie, aan het Merwedekanaal. Daarmee werd BAR genomineerd voor de Rietveldprijs 2003. Een ander bekend project was de verbouwing van het kunstencentrum de Begane Grond aan de Lange Nieuwstraat, dat sindsdien BAK heet. Voorts werkte BAR aan een WAPLA (autowasplaats) en Mobiele Ontmoetingscontainer in Leidsche Rijn, een verplaatsbare speelgoedcontainer in het Griftpark (en op locaties in Rotterdam) en een hostel voor junks aan de Maliebaan. Met een schetsplan voor het verbouwen van het Witte Pand tot atelierwoningen en de nieuwbouw van een culturele broedplaats aan de Loevenhoutsedijk neemt BAR deel aan het herontwikkelingsplan Hoogstraat aan de Vecht.

Van der Molen noemt Mart van Schijndel (1943-1999) als hij denkt aan Utrechtse architectuur. Hij vond Van Schijndel een goede architect, die voortdurend in zijn werk stelling durfde te nemen. Het zwaartepunt van de Utrechtse architectuur bevindt zich momenteel op de Uithof. Van der Molen en Glissenaar beschouwen de bouwproductie daar als een motor voor de rest van de stad, als een soort universiteits-IBA. Het valt hen op dat het bureaus van buiten Utrecht zijn die daar bouwen, en dat zij buiten MONK of Jaco de Visser weinig hedendaagse Utrechtse bureaus kunnen noemen. Van een architectuurklimaat zoals in Amsterdam en Rotterdam was en is in Utrecht geen sprake: in grote lijnen wordt in Amsterdam, met bureaus als Liesbeth van der Pol en de Architecten Cie., behoudend gebouwd, maar zeker niet conservatief., en wordt er in Rotterdam met OMA en consorten wat meer geëxperimenteerd, al is dat niet altijd af te lezen aan wat er wordt gerealiseerd. Wel is er misschien sprake van een typerend, Utrechts opdrachtgeversschap.

Wat BAR in Utrecht aanspreekt zijn de kleinschalige culturele initiatieven, vooral vergeleken met het cultuurbeleid in Rotterdam. Volgens Glissenaar en Van der Molen wordt het beleid in Rotterdam van bovenaf door wethouders bepaald en levert dat alleen grote instituten op. BAR bepleit dan ook dat Utrecht geen metropool moet willen zijn, zoals geprobeerd wordt met de bouw van het stadhuis, de Prins Clausbrug of het Stationsgebied. Het bureau betreurt het dat voor grote, belangrijke opdrachten in de binnensteden weinig Nederlandse architecten gevraagd worden.

Prijsvragen
BAR wordt in 1999 opgericht na het winnen van Europan 5. Deze prijsvraag is een serieuze kans voor beginnende Europese bureaus om zich te manifesteren, niet in het minst omdat het winnende ontwerp ook wordt uitgevoerd. Glissenaar en Van der Molen kennen elkaar van de Rotterdamse Academie voor Bouwkunst, waar ze een opleiding volgen naast hun werk bij ondermeer MVRDV en Kraaijvanger Urbis. Voor de Academie voor Bouwkunst werken ze samen aan verschillende projecten. Beiden doorliepen ze als voor-opleiding een kunstacademie, Glissenaar was student aan de kunstacademie in Utrecht.

Voor Europan 5 is er ook een Amsterdamse opgave: woningbouw op het terrein van de voormalige Westergasfabriek. In het ontwerp van BAR blijven monumentale elementen van de gasfabriek bestaan en worden ze voorzien van een nieuwe functie. Hoewel BAR deze Europan wint, wordt hun ontwerp niet uitgevoerd. Wel is er een alternatieve opgave: een woonblok aan de Glauberweg. Hierin zijn een bibliotheek, dienstencentrum en dertig seniorenwoningen opgenomen. Prijsvragen zijn belangrijk voor beginnende bureaus. Het is een mogelijkheid om kunde en creativiteit te tonen zonder de ruis van economische belangen en restricties. Dit maakt de weg vrij voor excessen – niet per se om deze te realiseren, maar om hier in ieder geval opvattingen mee te verwoorden. Bekendheid via een prijsvraag kan opdrachten genereren en het houdt de architecten scherp, omdat het vaak interessante ontwerpopgaven betreft. Voor het verkrijgen van opdrachten is een goed netwerk echter het belangrijkste. Opdrachten krijg je door op het juiste moment op de juiste plek te zijn en via via. Plantijn Casparie kreeg BAR via familie, BAK via MVRDV, dat de opdracht aannam toen Glissenaar daar nog werkte.

Tussenruimte
Met het project voor Europan en de Glauberweg toont BAR zijn fixatie op de tussenruimte. De architecten noemen het hun ontwerpstrategie. Zij richten zich bij het ontwerpen op de zogenaamde restruimte, de ruimte naast de geprogrammeerde ruimte, omdat daar eigenzinnige extra’s gecreëerd kunnen worden. Doordat het programma van de restruimte niet is dichtgetimmerd, wordt dit de ruimte van de ontwerper. Het slim schakelen van het verplichte programma en het toepassen van bijvoorbeeld bepaalde kleuren, motieven of materialen kan de indeling van de geprogrammeerde ruimte bovendien inzichtelijker maken.

Aan de Glauberweg leverde dit onder meer een gemeenschappelijke buitenruimte op over vier bouwlagen, die dus niet in het programma van eisen was opgenomen. Glissenaar en Van der Molen noemen het trots een 3-dimensionale tuin. Bij BAK was de speelruimte iets kleiner. De opdrachtgever eiste zoveel mogelijk ruimte en zo min mogelijk architectuur. BAR besloot om een losstaand object te ontwerpen achter de straatgevel. In dit object zijn alle verplichte functies (trap, kasten, bibliotheek, kantoren, café, tentoonstellingsruimten) gevat in een open structuur. De openheid benadrukt dat het gaat om publieke ruimte en maakt duidelijk waar men zich bevindt. Commentaar op BAK is dat de doorzichtige structuur juist desoriënterend zou werken. Bezoekers verliezen er hun ruimtegevoel en worden zweverig – al met al de ultieme loskoppeling van geprogrammeerde en ongeprogrammeerde ruimte.

Bij het hostel voor junks aan de Maliebaan is de tussenruimte te vinden in de kern van het gebouw. Middenin het pand zijn naast het trappenhuis de verdiepingen gesloopt om hier een doorlopend vertikaal blok te plaatsen met de natte functies (douches, toiletten en keukenblokjes). De bestaande verdiepingen van het pand blijven erin gehandhaafd, maar de wanden van het blok verspringen in vertikaal opzicht. Het biedt zo doorkijkjes en bevordert de oriëntatie. Om het blok nog duidelijker te onderscheiden van het bestaande pand, is het beplakt met klimopbehang – gemotiveerd met het argument dat junks gewend zijn om buiten te leven. De woon- en slaapkamers bevinden zich op tevoren vastgestelde plaatsen in de oude structuur van de woning. Ook Plantijn Casparie kent extra’s in de ongeprogrammeerde ruimte. BAR schakelde het hele programma langs één lange wand. Deze vormt de prominente buitengevel en is binnen een leidraad voor de indeling van het gebouw.

Mies, Grandpré en de zigeuners
Een ander thema dat door BAR in een prijsvraag werd uitgewerkt, is de problematiek van de geforceerde Vinexbebouwing. Glissenaar en Van der Molen verbazen zich over de rigide scheiding tussen woningen met een, om in ontwikkelingstaal te spreken, modern kubistisch of een traditioneel historiserend uiterlijk. Het eerste is bon ton in de vakwereld, het tweede doet het goed bij de projectontwikkelaars en bewoners. Het lijkt vast te staan dat beide stijlen onverenigbaar zijn.

Met de woning ‘Mies ontmoet Grandpré’ wil BAR laten zien dat het interessanter is om minder strikt te zijn. Het ontwerp is een prijsvraaginzending voor woningbouw in Rotterdam-Nesselanden. In de woning worden de modernistische vormen en materialen van Mies van der Rohe (1886-1969) gecombineerd met de traditionele baksteenarchitectuur van Granpré Molière (1883-1972). De woning is derhalve gesimplificeerd opgebouwd uit glas, marmer en baksteen. De baksteen loopt van de gevel door tot op het hellende dak.

Eenzelfde overdrijving van begrippen is te vinden in het ontwerp voor een mobiele ontmoetingsplek voor de buurtbewoners van Leidsche Rijn. In eerste instantie wilde BAR de mobiele huiskamer in een container situeren en deze beplakken met landschap. Toen dit te duur bleek, richtten zij zich tot een producent van mobiele woningen, van het type dat voor zigeuners gemaakt wordt. De wanden van de mobiele huiskamer bestaan uit polyester platen met een baksteen-motief, ook hier tot aan de nok van het hellende dak.

Ontwerpen lijkt bij Glissenaar en Van der Molen veel te maken te hebben met gewiekste oplossingen en een doortastende afwerking. Zij lezen tussen de regels van een opdracht, op zoek naar ontwerpextra’s en de ruimte om commentaar te leveren op de vakwereld, de gebruikersgroep of beide. Dit neemt niet weg dat locaties en programma’s van eisen met respect worden bestudeerd. Het is de vraag hoelang een bureau zorgvuldig, scherp en enthousiast blijft met kleine opdrachten en zo nu en dan een prijsvraag.

NOTEN: De letters IBA staan voor: Internationale Bau Ausstellung. Hierbij wordt een nieuwe wijk vormgegeven door eigentijdse, internationale architecten, onder leiding van een supervisor die meestal ook het stedenbouwkundig plan ontwerpt. De IBA is niet alleen een broedplaats voor nieuwe ideeën, ze worden, per blok, ook nog uitgevoerd en gebruikt, meestal voor woningbouw.