In juni 2015 is TivoliVredenburg precies een jaar geopend. Utrecht kreeg een muziekgebouw waar je terecht kunt voor klassiek, pop, jazz, cabaret, fusion, het kon niet op. Toch lijken de bezoekers het gebouw nog niet in hun hart te hebben gesloten. De meest gehoorde kritiek gaat over de lege sfeer. Wanneer is dit gebouw een succes? En is het eigenlijk wel een gebouw?

TivoliVredenburg is prominent aanwezig. Dat staat buiten kijf. Het is ontzettend groot, maar nergens massief. Het staat op een opvallende locatie, heeft een ambitieus programma en beheerst de media nu al een tijdje. Recentelijk vanwege tegenvallende exploitatie, een vallende plafondplaat, een geluidslek en de bijkomende extra kosten – kosten die tijdens de bouw al flink waren opgelopen. Eerder werd de discussie over de deelnemende podia in de nieuwe programmering al breed uitgemeten in de media. Uiteindelijk verhuisde alleen poppodium Tivoli van de Oudegracht naar Vredenburg. SJU-jazz ging failliet en Rasa, het podium voor wereldmuziek, bleef zelfstandig.

Wat betreft de opgave is het een knap staaltje werk om de bestaande Grote Zaal van muziekcentrum Vredenburg te behouden en daar een complex met vier nieuwe zalen omheen te vouwen. Het mag geen verrassing heten dat het op de shortlist voor de Rietveldprijs is beland. De bouw van het Utrechtse muziekcentrum was van 1973 tot 1978 een van de eerste projecten van architect Herman Hertzberger, de verbouwing tot TivoliVredenburg tussen 2003 en 2014 een van zijn laatste. Aan TivoliVredenburg werkte Hertzberger samen met architect Patrick Fransen, mededirecteur van architectuurstudio HH.

ALLES OMGEKEERD
De kleinschaligheid, toegankelijkheid en het knusse karakter van het oude muziekcentrum waren ooit bedoeld om de abrupte overgang van Hoog Catharijne naar de binnenstad te slechten en daarmee de onvrede over Hoog Catharijne te keren. In het Stationsgebied waar nu aan wordt gewerkt – CU in 2030 – doet het nieuwe TivoliVredenburg precies het omgekeerde. Het is groot en uitgesproken, veelzijdig en gelaagd. Door de vormgeving duidelijk een cultuurgebouw. Al zou je wensen dat vastgoedontwikkelaars ook eens kozen voor een gevelvlak met heel veel kleine ronde ramen of een felrode, inspringende daklijst boven een rond turquoise uitsteeksel.

TV.LuukKramer2
Naast de vijf zalen zijn er in TivoliVredenburg foyers en tussenruimten zoals Plein 5 en Plein 6 waar ook concerten gegeven kunnen worden. En dan nog oefenruimte, toiletten, back-stageruimte, horeca, inpandige laad- en losruimte en liften. Trappen en roltrappen voor bezoekers kruisen elkaar in de verdiepingenhoge hal waarvan de gevels voornamelijk bestaan uit glas en daardoor een fantastisch uitzicht bieden. De hal en andere circulatieruimten zijn qua vormgeving terughoudend afgewerkt. Het wordt pas uitgesproken bij de foyers van de nieuwe zalen en in die zalen zelf. Hierdoor voelt het nergens propperig – wat in het oude muziekcentrum wel het geval was. Alleen in het café op de hoek van de aanstaande singel is een knus laag plafond. Een tijdloos interieur van spiegels, chique lampenbollen, vernikkelde buizen en houten lamellen tegen het plafond en in de scheidswand houdt de ruimte stijlvol.

Al met al is de verbouwing en uitbreiding van het muziekcentrum een verandering van klein naar groot, van vol naar leeg en van een naar binnen gekeerde naar een naar buiten gekeerde beleving. Waren in het oude muziekcentrum de gangetjes en zitjes bepalend, in de nieuwbouw zijn dat het uitzicht en de lege ruimte. Alleen de mogelijkheid om te verdwalen is gek genoeg blijven bestaan.

TV.LuukKramer3
DE ZALEN
Hertzberger en Fransen betrokken drie externe bureaus bij het ontwerp van de nieuwe zalen. Thijs Asselbergs ontwierp helemaal bovenin op de negende verdieping jazzmuziekzaal Cloud Nine (400 stoelen) met een apart café (175 stoelen) en kleine ruimten voor jamsessies. Asselbergs vatte het geheel op als een jazz-machine die drie verdiepingen met elkaar verbindt en waarin de muzikanten net als het publiek radertjes zijn. De grillige, witte Pandora-zaal (700 stoelen) halverwege het gebouw heeft geen vast podium en is een ontwerp van NL Architects. De zaal hangt schijnbaar los in de hal en is ook vanaf de straat zichtbaar achter de gevel.

Popmuziekzaal Ronda (2000 plaatsen) werd ontworpen door Jo Coenen. Dit is een ruime, donkere zaal met een, in tegenstelling tot veel poppodia, breed podium, waardoor het publiek overal dicht op de artiesten staat. Vanaf de straat is de zaal herkenbaar aan de bronzen bonbondoos die half uit de gevel steekt. De Ronda is met brede trappen te bereiken vanuit de hal. Coenen ordende perforaties in de wand die de akoestiek verbeteren in islamitische motieven. ‘Dat is iets wat wij nooit zouden doen’, zei Patrick Fransen daar in 2014 over in het televisieprogramma Kunststof. ‘Het is fantastisch dat de verschillen tussen de zalen zo groot zijn.’

Aan restauratie van de Grote Zaal (1717 stoelen) en het ontwerp voor de nieuwe zaal voor kamermuziek – Hertz (543 stoelen) – werkten Hertzberger en Fransen zelf. In de Grote Zaal zijn de grijze betonstenen gewit en er kwamen bredere stoelen. De felle, fuchsiakleurige bekleding keerde terug. Ook de foyer rond de Grote Zaal kreeg frisse witte muren en zelfs witte vloeren, omdat het oude parket door lekkages onbruikbaar was geraakt. Hier zijn gekleurde banen aangebracht op de pilaren.

Hertz is een sobere, warme zaal met veel hout en achter het podium een groot raam. Dat raam biedt net zo’n fantastisch uitzicht als de hal en foyers, helaas hangt er meestal een gordijn voor. Dit is een gemiste kans, want fusion zit niet alleen in het mengen van muziekstijlen of horizontale programmering, maar ook in het gelijktijdig ervaren van parallelle werelden, zoals de cadans van een moderne compositie met uitzicht op Wijk C.

HET GAAT ER NIET OM MOOI TE ZIJN
Toen er in het reeds genoemde Kunststof-programma een foto van het oude muziekcentrum werd getoond flapte Herman Hertzberger er spontaan uit: ‘Ontzettend lelijk hè’. Op zijn eigen, ontwapenende wijze verklaarde hij die opmerking door te zeggen dat het oude muziekcentrum nooit mooi bedoeld was. Het was simpelweg een onderdeel van de stad. En dat kun je van het nieuwe muziekgebouw ook zeggen. De keuze voor vier verschillende architecten had een strategische achtergrond – geen van de podia wilde in de toekomstige rolverdeling ondergesneeuwd raken – maar pakte architectonisch goed uit. Weer ging het niet om mooi. Hertzberger liet iedereen zijn gang gaan en heeft naar eigen zeggen alleen geprobeerd alles onder een kap te brengen.

Te midden van het stadsgebeuren is TivoliVredenburg een enorme muziekmachine met split-levels, vides, balkons en roltrappen in het interieur en uitstekende zaaldelen, ramen, verschillende gevels en een kluwen van trappen aan het exterieur. TivoliVredenburg is op zijn best als het er gonst. Concerten in drie of vier zalen, performances op de ‘pleinen’, bezoekers die elkaar kruisen op de lange roltrappen. Deze ideale situatie is echter een uitzondering op de regel. De horizontale programmering is door allerlei redenen nog niet echt van de grond gekomen. Ook het café op de negende verdieping, dat zonder concertkaartje toegankelijk moest worden, heeft nog niet op die manier gefunctioneerd. Bezoekers vinden TivoliVredenburg ongezellig. Zij dwalen na afloop van een concert door een doods gebouw. Alhoewel, van dwalen is niet echt sprake dankzij roltrapassistenten die je in de richting van de uitgang, waar een uitsmijter voorkomt dat je weer naar binnen waait, dwingen.

VERDWALEN IS EEN KWALITEIT
Hier wringt waarschijnlijk de schoen. Hertzberger leverde een compleet ander gebouw dan het muziekgebouw dat er stond maar behield een kwaliteit: de kwaliteit om te verdwalen. Hij merkte over dat verdwalen op dat ‘je in een stad natuurlijk ook verdwaalt en dat kan heel plezierig zijn’. In TivoliVredenburg maakt hij het zelfs leuker dan in het muziekcentrum door er een geweldig uitzicht aan toe te voegen.

TivoliVredenburg bestaat uit vijf mooie zalen in een ongrijpbare doorgangsruimte. Die ruimte houdt net als een stad een belofte in – hier levendig, daar slapend. Je moet je er doorheen bewegen om het te ontdekken. Het gebouw ontbeert vooralsnog alleen de verrassing van een echte stad. Het doet aan als… Hoog Catharijne na sluitingstijd. TivoliVredenburg zou wat meer Call of the Mall kunnen gebruiken, de kunstmanifestatie die er in de zomer van 2013 voor een nieuwe feel zorgde. De kunst en gekkigheid in en om het winkelcentrum kwamen de kwaliteit van de openbare ruimte enorm ten goede, om met de terminologie van de Rietveldprijs te spreken.

Call of the Mall’s ‘Not all those who wander are lost’ van kunstenaarsduo Bik van der Pol had eigenlijk ook op de shortlist van de Rietveldprijs moeten staan. Dit werk ging over de noodzaak van toevallige ontmoetingen als basis voor verandering en als voorwaarde voor plezierig samenleven. Het bestond uit een choreografie voor koren, fanfares en bands die musicerend door het winkelcomplex trokken. De toevallige ontmoeting zou in TivoliVredenburg wel meer mogen worden uitgebuit. Alleen al het op een mooie en verrassende manier benadrukken van de ruimte waar je doorheen beweegt op weg naar de uitgang zou een positieve draai kunnen geven aan de leegte. De architectuur schept mogelijkheden genoeg.